Hof van Cassatie: Arrest van 20 Mei 2009 (België). RG P.09.0605.F
Summary :
Aan de rechtszitting over de door het parket gevorderde beschermende maatregelen moet niet noodzakelijk een voorbereidende fase voorafgaan; het maatschappelijk onderzoek verliest dus zijn facultatief karakter niet omdat de door het parket gevorderde beschermingsmaatregel een ontzetting uit de ouderlijke macht is.
Arrêt :
Nr. P.09.0605.F
B. A.,
Mr. Alexandre Chateau, advocaat bij de balie te Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 16 maart 2009.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.
Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de vordering tot ontzetting
Eerste middel
Eerste onderdeel
De eiser voert de schending van het recht van verdediging aan omdat het afschrift van het vertrouwelijk dossier eerst in hoger beroep in het debat was gebracht.
Aangezien de appelrechter gedaan heeft wat hij behoorde te doen ingeval hij het beroepen vonnis zou hebben nietig verklaard, is het onderdeel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
Aangezien de eiser voor de appelrechter, op grond van dit dossier zijn verweer heeft kunnen voeren, schendt het arrest het recht op een eerlijke behandeling van de zaak niet.
Het onderdeel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
De eiser verwijt de appelrechter dat hij de bewijskracht van zijn conclusie heeft miskend, door te oordelen dat hij de eerste rechter niet om onderzoeksmaatregelen had verzocht.
In de voormelde conclusie wees de eiser erop "dat beslist dient opgemerkt te worden dat de ontzetting uit het ouderlijk gezag een nauwgezette interpretatie van de voorwaarden daartoe vereist" en dat "het een inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouders betekent wat van de overheid een bijzondere zorgvuldigheid bij de toepassing ervan vergt".
Door te oordelen dat de vader van het kind de rechtbank niet om de litigieuze onderzoeken heeft verzocht, geeft het arrest van die conclusie geen interpretatie die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
De eiser verwijt het arrest dat het oordeelt dat de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, de jeugdrechtbank nergens de verplichting oplegt om onderzoeksmaatregelen te treffen alvorens over vorderingen tot ontzetting uit de ouderlijke macht te beslissen.
Hoewel artikel 52, vierde lid, van deze wet naar de in artikel 50 van dezelfde wet bedoelde onderzoeksmaatregelen verwijst, geldt dit alleen voor de bewaringsmaatregelen die niet van toepassing zijn op de kinderen van personen wier ontzetting uit het ouderlijk gezag wordt gevorderd.
Zoals het arrest vermeldt, volgt uit de voormelde wet, inzonderheid uit artikel 50, tweede lid, dat aan de rechtszitting over de door het parket gevorderde beschermende maatregelen niet noodzakelijk een voorbereidende fase moet voorafgegaan.
Het maatschappelijk onderzoek verliest dus haar facultatief karakter niet omdat de gevorderde maatregel een ontzetting uit de ouderlijke macht is.
Ten slotte en in strijd met wat het middel aanvoert, is de wettigheid van het arrest dat een dergelijke maatregel beveelt, niet onderworpen aan de voorwaarde dat in het beschikkend gedeelte melding wordt gemaakt van artikel 50, tweede lid, aangezien dat artikel een regel van procesrecht is.
Het onderdeel faalt naar recht.
Tweede middel
De eiser verwijt de appelrechter dat deze oordeelt dat het niet aan hem staat om kritiek uit te oefenen op de gevolgen van de richting die de jeugdrechtbank aan het vertrouwelijk dossier heeft gegeven, hoewel de behandeling van de zaak in eerste aanleg onherstelbare schade aan zijn fundamentele rechten heeft berokkend.
Het arrest stelt vast dat de feiten of gedragingen die als grondslag voor de strafvordering dienen, tot het verleden behoren, en dat de gepastheid van de maatregel van ontzetting die bij het rechtscollege aanhangig is gemaakt, op het ogenblik van de uitspraak moet worden beoordeeld.
Om tot ontzetting te beslissen verwijst het arrest naar het verslag van het maatschappelijk onderzoek, naar de woorden van de afgevaardigde bij de jeugdbescherming voor het hof van beroep, naar het huidig belang van het kind, naar zijn psychologisch en lichamelijk evenwicht en zijn nood aan stabiliteit en betrouwbaar houvast.
Zonder het recht van verdediging te miskennen, verantwoordt het arrest zijn beslissing aldus naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Derde middel
De eiser verwijt het arrest dat het de ontzetting uit de ouderlijke macht, vergeleken met de beslissing van de eerste rechter, heeft uitgebreid tot het recht om toe te stemmen in de adoptie van het kind, zonder dat hij, na dagvaarding of op vordering van het openbaar ministerie, werd gevraagd om apart op dat punt verweer te voeren.
Artikel 33 van de voormelde wet van 8 april 1965 bepaalt dat de ontzetting alleen slaat op het recht om toe te stemmen in de adoptie van een kind, wanneer het vonnis dat uitdrukkelijk bepaalt.
De eiser was voor de jeugdrechtbank gedagvaard op grond van de artikelen 32 tot 35 van deze wet en het arrest bepaalt uitdrukkelijk dat de ontzetting slaat op het recht om toe te stemmen in de adoptie van het kind en verwijst daarbij naar de desbetreffende vordering van het openbaar ministerie.
Zonder het recht van verdediging van de eiser te miskennen, verantwoordt het arrest zijn beslissing aldus naar recht.
Het middel kan dus niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die de uitspraak aanhoudt over de aanwijzing van een toeziend voogd, een dienst aanwijst met het oog op het voeren van een onderzoek en de zaak sine die uitstelt
Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en valt niet onder de gevallen die in het tweede lid van dat artikel zijn bepaald.
Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 20 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,