Hof van Cassatie: Arrest van 20 November 1997 (België). RG F940135N

Date :
20-11-1997
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19971120-6
Role number :
F940135N

Summary :

In geval van onjuiste aangifte, worden de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen vermeerderd met een belastingverhoging, zoals bepaald in art. 334 WIB.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 19 september 1994 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en artikel 334 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals dat van toepassing was voor de aanslagjaren 1985, 1986 en 1987,
doordat het arrest, na te hebben vastgesteld dat appellant telkens een tijdige en regelmatige aangifte indiende, enerzijds beslist dat het ten laste genomen bedrijfsverlies aftrekbaar is als bedrijfsuitgave indien de belastingplichtige deze uitgaven heeft gedaan of gedragen tijdens het belastbaar tijdperk om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, dat er gezien tot het faillissement besloten werd geen inkomsten meer te verwachten zijn en geen activiteiten meer verricht worden, dat er derhalve geen belastbare inkomsten meer kunnen verkregen of behouden worden, dat er derhalve niet voldaan werd aan de voorwaarden gesteld in art. 44 WIB en het bedrijfsverlies niet ten laste kan worden genomen en dat er voor de aanslagjaren 1986, 1987 en 1989 evenmin sprake kan zijn van nog verhaalbare verliezen van vorige aanslagjaren, doch anderzijds beslist dat het terzake niet gaat om niet-aangegeven inkomsten noch om een onjuiste of onvolledige aangifte, zodat niet aan de voorwaarden van art. 334 WIB is voldaan, de belastingverhoging niet kan worden toegepast en appellant ervan dient te worden ontheven,
terwijl uit de vaststelling dat enerzijds de stukken, gerangschikt onder de nummers 7, 21 en 34 van het administratief dossier, aantonen dat toekomstig verweerder verhaalbare bedrijfsverliezen van vorige belastbare tijdperken in zijn aangiften in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1985, 1686 en 1987 heeft opgenomen en dat anderzijds uit het arrest zelf blijkt dat deze bedrijfsverliezen niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 44 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en derhalve niet ten laste kunnen worden genomen volgt dat toekomstig verweerder onjuiste aangiften heeft ingediend, zodat het Hof van Beroep door desalniettemin te beslissen dat geen belastingverhoging kan worden opgelegd de bewijskracht van voormelde stukken miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), op een ongemotiveerde wijze tot twee tegenstrijdige beslissingen komt (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en artikel 334 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen schendt :
Overwegende dat, krachtens artikel 334 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals het toen toepasselijk was, de belastingen vermeerderd worden met een belastingverhoging in geval van onjuiste aangifte;
Dat de appèlrechters oordelen dat de belastingplichtige ten onrechte verhaalbare bedrijfsverliezen in zijn aangiften heeft opgenomen en aldus noodzakelijk oordelen dat de aangiften onjuist waren; dat zij nochtans beslissen dat het te dezen niet gaat om een onjuiste aangifte en op die grond uitsluiten dat een belastingverhoging verschuldigd is;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de voorziening ontvankelijk verklaart;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.