Hof van Cassatie: Arrest van 22 April 1994 (België). RG 8096

Date :
22-04-1994
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19940422-1
Role number :
8096

Summary :

Wanneer een medeërfgenaam zijn onverdeeld aandeel in het enige onroerend goed van de nalatenschap overdraagt, kunnen de andere medeërfgenamen of één van hen de verkrijger van het onverdeeld aandeel slechts uit de verdeling weren wanneer die medeërfgenaam niet alleen zijn onverdeeld aandeel in het onroerend goed maar ook zijn recht op de nalatenschap heeft overgedragen. (Art. 841 B.W.)

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 11 december 1991 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaart en het bestreden vonnis waarbij de vordering van eiseres ertoe strekkende om bij toepassing van artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek de naasting te bekomen van de onverdeelde aandelen in een handelshuis te Antwerpen, Paardenmarkt 22-24, welke eerste verweerster overdroeg aan tweede en derde verweerders, en tot het horen zeggen voor recht tegenover tweede en derde verweerders dat deze gehouden zullen zijn tot het doen overgaan van het verlijden van de aankoopakte betreffende voornoemd aandeel, als ongegrond werd afgewezen, bevestigt op de gronden dat : "(...) de betwisting tussen partijen wat betreft de toepasselijkheid van art. 841 B.W. zich beperkt tot de vraag of de overdracht van de onverdeelde helft van het eigendom Paardenmarkt 22-24 te Antwerpen door (eerste verweerster) aan (tweede en derde verweerders), nu dit goed het enige aktief is in de nalatenschap van wijlen J. Heurterre, dient te worden aangenomen als de overdracht van een erfgenaam van zijn recht op de nalatenschap, zoals bedoeld in art. 841 B.W.; (...) de eerste rechter met reden heeft aangenomen dat de ratio legis voor art. 841 B.W. er in bestaat dat men wilde vermijden dat derden zich met de familiezaken zouden bemoeien en dat zij twist en moeilijkheden zouden veroorzaken bij de vereffening en verdeling van de nalatenschap; dat waar artikel 841 B.W. een inbreuk betekent op de contractvrijheid en een uitzonderingsregel stelt, het zeer beperkt dient te worden geïnterpreteerd; dat de rechtsleer cfr. R.P.D.B. V° Succession, 2374 e.v., T.P.R., 1978, 117, nr. 33, 1988, blz. 1008 e.v. en aldaar geciteerde auteurs, en de rechtspraak, Cass., 22 januari 1971, R.W. 1970-71, 1849, algemeen hebben aangenomen, dat voor de toepassing van het door art. 841 B.W. verleende recht om een niet-erfgerechtigde uit de verdeling van een nalatenschap te weren, de medeërfgenaam zijn recht op het geheel van de nalatenschap of een quotiteit ervan aan een derde niet-erfgerechtigde diende over te dragen; dat de overdracht een recht ten algemene titel in de nalatenschap tot voorwerp moet hebben en geen recht ten bijzondere titel, daar door dit laatste de overnemer geen deelgenoot in de te verdelen nalatenschap wordt en niet kan deelnemen aan de verdeling ervan; dat te dezen uit de akte van notaris De Decker van 12 oktober 1987 blijkt, dat (eerste verweerster) haar 'onverdeelde helft' in voornoemd gebouw overdroeg aan (tweede en derde verweerders) mits 2.100.000.-, en deze de overdracht van een recht ten bijzondere titel uitmaakt; dat zij immers niet haar recht op het geheel van de nalatenschap of een quotiteit ervan aan (tweede en derde verweerders) overdroeg, doch wel haar onverdeeld eigendomsrecht in een wel bepaald onroerend goed dat zij ingevolge het openvallen van de nalatenschap van wijlen haar vader had verworven; dat te dezen, de omstandigheid dat het gebouw waarvan het eigendomsrecht over de onverdeelde helft werd overgedragen het enige onroerende goed is van de nalatenschap van wijlen Josephus Heurterre, zoals door de aangifte van nalatenschap wordt aangetoond, van deze overdracht ten bijzondere titel geen 'de facto' overdracht ten algemene titel maakt; dat immers er buiten dit onroerend goed ook nog liggende gelden, te ontvangen pensioengelden en klederen, linnen en juwelen in het aktief van de nalatenschap aanwezig zijn en een passief, zoals blijkt uit dezelfde aangifte van nalatenschap, waardoor de overdracht van het onverdeeld recht in dit enige onroerende
goed van de nalatenschap, geen overdracht van de de facto algemeenheid van de nalatenschap of een quotiteit ervan uitmaakt, en de overnemers, (tweede en derde verweerders), aan het nog te verdelen aktief en passief vreemd blijven; dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door de omvang van dit aktief en passief, noch door het feit dat dit passief essentieel betrekking heeft op schuldvorderingen welke gemakkelijk kunnen verrekend worden en bij minnelijke vereffening en verdeling geregeld kunnen worden; dat (tweede en derde verweerders) door de overdracht niet betrokken zijn noch kunnen betrokken worden bij de vereffening en verdeling van de nalatenschap; dat (eiseres) zich hiervan ook bewust is, daar zij haar voor de eerste rechter gestelde vordering tot vereffening en verdeling der nalatenschap van haar vader enkel richtte en bij het niet bestreden deel van het vonnis van 25 april 1989 bekwam, tegenover (eerste verweerster) en zij (tweede en derde verweerders) hierbij niet heeft betrokken; dat de door (eiseres) aangehaalde rechtspraak niet terzake dienend is wijl zij gebaseerd is op andere feitelijke omstandigheden; dat het door (eiseres) aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 22 januari 1971 bij een overdracht ten bijzondere titel van rechten in een onverdeeld bepaald onroerend goed art. 841 B.W. van toepassing acht, wanneer het onroerend goed de gehele nalatenschap uitmaakte, zodat de overdracht de facto de overdracht van de algemeenheid van de nalatenschap uitmaakte; dat het voor de toepassing van art. 841 B.W. zonder belang is, dat (eiseres) na de kwestieuze overdracht samen met (tweede en derde verweerders), welke ook de huurders bleven van het eigendom, eigenaars zijn van het pand, en aldus in een onverdeeldheid met deze kwamen en hierdoor mogelijk bij verkoop nadeel zouden kunnen ondergaan; (...) de door (eerste verweerster) bewerkte overdracht van haar onverdeelde helft in het eigendom aan de Paardenmarkt 22-24 te Antwerpen een overdracht ten bijzondere titel is, welke te dezen niet gelijk te stellen is met een overdracht de facto van de algeheelheid van de nalatenschap of een quotiteit ervan zoals voor de toepassing van art. 841 B.W. vereist is, en de eerste rechter met reden de toepassing van art. 841 B.W. aan (eiseres) weigerde",
terwijl, luidens artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek ieder die, ook al is hij bloedverwant van de overledene, niet zijn erfgerechtigde is, en aan wie een medeërfgenaam zijn recht op de nalatenschap heeft overgedragen, uit de verdeling kan worden geweerd hetzij door alle medeërfgenamen, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht hem wordt terugbetaald; dat wanneer door een medeërfgenaam slechts een onverdeeld recht op een alleenstaand onroerend goed is overgedragen, artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is als het gaat om de overdracht van een onverdeeld recht in een onroerend goed dat ofwel de gehele nalatenschap of de onroerende universaliteit ervan uitmaakt; dat de appelrechters te dezen, na vooraf vastgesteld te hebben dat het gebouw waarvan het eigendomsrecht over de onverdeelde helft werd overgedragen, het enige onroerende goed is van de nalatenschap van wijlen Josephus Heurterre, vader van eiseres en van eerste verweerster, zoals door de aangifte van nalatenschap wordt aangetoond, niet zonder miskenning van artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek de vordering van eiseres strekkende tot toepassing van de naasting bedoeld in artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek konden afwijzen nu de bedoelde overdracht sloeg op een onverdeeld recht in een onroerend goed dat de onroerende universaliteit van de nalatenschap uitmaakte; dat de vaststelling van de appelrechters dat er buiten dit onroerend goed ook nog liggende gelden, te ontvangen pensioengelden en klederen, linnen en juwelen in het actief van de nalatenschap aanwezig zijn en een passief zoals blijkt uit dezelfde aangifte van nalatenschap, aan de toepasselijkheid van artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek niet in de weg staat, de appelrechters derhalve hun beslissing tot afwijzing van de vordering van eiseres niet naar recht verantwoorden (schending van artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek) :
Overwegende dat, volgens artikel 841 van het Burgerlijk Wetboek, ieder die, ook al is hij bloedverwant van de overledene, niet zijn erfgerechtigde is, en aan wie een medeërfgenaam zijn recht op de nalatenschap heeft overgedragen, uit de verdeling kan worden geweerd, hetzij door alle medeërfgenamen, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht hem wordt terugbetaald;
Overwegende dat wanneer een medeërfgenaam zijn onverdeeld aandeel in het enige onroerend goed van de nalatenschap overdraagt, de andere medeërfgenamen of één van hen de verkrijger van het onverdeeld aandeel slechts uit de verdeling kunnen weren wanneer die medeërfgenaam niet alleen zijn onverdeeld aandeel in het onroerend goed maar ook zijn recht op de nalatenschap heeft overgedragen;
Overwegende dat de appelrechters vaststellen : 1. dat eiseres en de verweerster sub 1 na het overlijden van hun vader onverdeelde medeëigenaars geworden zijn van het enige onroerende goed afhangende van diens nalatenschap; 2. dat naast het onroerende goed ook "nog liggende gelden, te ontvangen pensioengelden en klederen, linnen en juwelen in het aktief van de nalatenschap aanwezig zijn en een passief"; 3. dat de verweerster sub 1 haar "onverdeelde helft" in het enige onroerende goed van de nalatenschap heeft verkocht aan de verweerders sub 2; 4. dat de verweerders sub 2 door die overdracht niet betrokken zijn noch kunnen worden betrokken bij de vereffening en verdeling van de nalatenschap;
Dat de appelrechters, door op grond hiervan te oordelen dat de verweerster sub 1 niet haar recht op het geheel van de nalatenschap of een deel ervan heeft overgedragen maar enkel haar eigendomsrecht in dat onroerend goed, hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.