Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Hof van Cassatie: Arrest van 23 Februari 2005 (België). RG P041685F

Date :
23-02-2005
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-20050223-5
Role number :
P041685F

Summary :

De onderzoeksrechter die voordien als rechter in kort geding en in correctionele zaken heeft gezeteld mag niet worden beschouwd als een rechter die opeenvolgende rechterlijke ambten in dezelfde zaak heeft uitgeoefend, wanneer de persoon waarnaar onderzoek wordt gevoerd geen partij was in de gewezen beslissingen en deze geen uitspraak deden betreffende een feit waarover onderzoek wordt gevoerd (1). (1) Zie Cass., 8 feb. 1991, AR 7369, nr 309 en de verwijzingen in de noot.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Nr. P.04.1685.F.-
M. K.,
Mr. Marc Kauten, advocaat bij de balie te Aarlen.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, dat op 15 november 2004 is gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldi-gingstelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiseres voert een middel aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
Over het middel :
Over de twee onderdelen samen :
Overwegende dat eiseres het bestreden arrest verwijt het hoger beroep ongegrond te verklaren dat zij tegen een beschikking van de raadkamer heeft ingesteld waarbij zij wegens valsheid in geschriften naar de correctionele rechtbank wordt verwezen ; dat zij voor de onderzoeksgerechten heeft aangevoerd dat de tegen haar ingestelde vervolgingen niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard op grond dat de onderzoeksrechter bij wie op 22 april 2003 de zaak met een burgerlijke partijstelling aanhankelijk is gemaakt, als rechter in kort geding van de zaak heeft kennis genomen op 12 december 2002 en 30 januari 2003 en als bodemrechter op 25 juni 2003 ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending van de artikelen 304, 648 en 828 van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, zonder aan te geven op welke wijze het arrest die bepalingen schendt, niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat artikel 292 van het Gerechtelijk Wetboek de opeenvolgende uitoefening verbiedt, door éénzelfde magistraat, van verschillende rechterlijke ambten in dezelfde zaak, d.w.z. in hetzelfde geschil ;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eiseres geen partij was in de geschillen die het voorwerp uitmaken van de door haar aangevoerde beslissingen, en dat deze geen uitspraak hebben gedaan over de eventuele valsheid van het medisch getuigschrift dat in de tegen haar ingestelde vervolgingen wordt bedoeld ;
Overwegende, voor het overige, dat aangezien de onderzoeksrechter niet moet beslissen over de gegrondheid van een beschuldiging in strafzaken, hij in de regel niet onderworpen is aan de voorschriften van artikel 6.1. van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden ; dat er slechts een andere regeling geldt als de niet-naleving van die bepalingen van bij de oorsprong het eerlijk karakter van het proces ernstig dreigt te schaden ;
Overwegende dat eiseres niet aanvoert dat de in kort geding gewezen beschikking van 19 september 2002 en het vonnis van de correctionele rechtbank van 25 juni 2003 gesteld zijn in bewoordingen die een mening van de onderzoeksmagistraat te kennen geven wat betreft haar schuld aan valsheid in geschriften ; dat een dergelijk vooroordeel trouwens niet kan worden afgeleid uit de overweging in de in kort geding gewezen beschikking van 30 januari 2003 betreffende "attesten en certificaten die niet doorslaggevend zijn (...) maar die evenmin gelegenheidsattesten of manifest onjuist blijken te zijn" ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet ontvankelijk is ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelings-voorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Huybrechts en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,