Hof van Cassatie: Arrest van 23 Februari 2005 (België). RG P041702F

Date :
23-02-2005
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-20050223-6
Role number :
P041702F

Summary :

De inverdenkinggestelde die wegens een misdaad wordt vervolgd heeft geen belang om cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in te stellen dat het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer tot overzending van de procedurestukken naar de procureur-generaal bij het hof van beroep niet ontvankelijk verklaart, op grond dat de kamer van inbeschuldigingstelling verplicht is om zelf te onderzoeken of er voldoende gronden zijn om de eisers naar het hof van assisen te verwijzen (1). (1) Cass., 20 sept. 2000, AR P.00.1185, nr 484.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Nr. P.04.1702.F.-
1. P. C.,
2. N. D.,
Mr. Marc Nève, advocaat bij de balie te Luik.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, dat op 15 november 2004 is gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldi-gingstelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eisers voeren twee middelen aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing waarbij de hogere beroepen die door de eisers zijn ingesteld tegen de beschikking van 24 mei 2004 van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Neufchâteau die uitspraak doet met toepassing van artikel 133 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk worden verklaard :
Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling, ten gevolge van de beschikking van de raadkamer tot verzending van de stukken aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, zelf dient na te gaan of er voldoende gronden voorhanden zijn om de eisers naar het hof van assisen te verwijzen, zodat laatstgenoemden geen belang hebben om cassatieberoep aan te tekenen tegen de beslissing die hun hogere beroepen niet ontvankelijk verklaart ;
Dat de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn ;
B. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing die uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de strafvordering :
Over het tweede middel :
Overwegende dat een schending van het geheim van het vooronderzoek alleen invloed kan hebben op strafvervolgingen, als deze op voormelde miskenning gegrond zijn of als de verzamelde bewijzen naderhand op die schending zijn gegrond ;
Overwegende dat de eisers het bestreden arrest verwijten te beslissen dat de onderzoeksrechter, zonder miskenning van het geheim van het vooronderzoek, "aan de inspecteurs van de ziekteverzekering, zonder voorafgaande instemming van de procureur-generaal, inlichtingen kon doen toekomen welke hen in hun opdracht helpen" ;
Overwegende dat de eisers in de conclusie die zij voor de appèlrechters neerleggen en in het middel dat aan het onderzoek van het Hof is voorgelegd, niet aanvoeren dat de tegen hen ingestelde vervolgingen uit de bekritiseerde mededeling voortvloeien of dat deze aan de oorsprong ligt van de bewijzen die tegen hen kunnen worden aangevoerd wegens poging tot vergiftiging, moordpoging en het niet-verlenen van bijstand aan een persoon die in gevaar verkeert ;
Dat het middel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen ;
Veroordeelt elke eiser in de kosten van zijn cassatieberoep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelings-voorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Huybrechts en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,