Hof van Cassatie: Arrest van 23 Juni 1997 (België). RG S960047F
Summary :
Ook op de arbeidsovereenkomst is de bepaling van art. 1134 BW toepasselijk en strekt ze de partijen tot wet; tenzij anders is bedongen, kan de werkgever de overeengekomen voorwaarden niet eenzijdig wijzigen of herroepen.
Arrêt :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 15 maart 1995 door het Arbeidshof te Brussel gewezen;
Over het als volgt gestelde middel: schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, 37, 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet,
doordat het arbeidshof, op verweersters hoger beroep, beslist dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond is, het beroepen vonnis vernietigt en bijgevolg zegt dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar niet gegrond is en, bij de uitspraak op verweersters tegenvordering, zegt dat zij ontvankelijk en gegrond is, en bijgevolg eiseres veroordeelt om aan verweerster het bedrag van 101.311 frank te betalen als compensatoire opzeggingsvergoeding en in de kosten op grond: "dat het erkennen van een gepland toekomstig ontslag, dat alleen werd uitgesteld om de bepalingen inzake bescherming van zwangerschap te eerbiedigen, niet ipso facto betekent dat elke wijziging in de arbeidsvoorwaarden een daad is die gelijkstaat met de beëindiging als die wijzigingen niet de uitdrukking vormen van de wil van de werkgever om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen; dat de wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden en zelfs de uitdrukkelijke weigering haar tijdens de opzeggingsperiode te laten werken, slechts kunnen worden uitgelegd als een daad die gelijkstaat met beëindiging als daaruit de wil blijkt om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen (Cass. 1 febr. 1993, chr. dr. soc. 1993, p. 340); dat als een daad die gelijkstaat met het beëindigen van de arbeidsbetrekkingen alleen kan worden beschouwd iedere aanzienlijke wijziging van een wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst of elke tekortkoming aan een wezenlijke verbintenis van de overeenkomst op voorwaarde dat die wijziging of tekortkoming duidelijk kan worden beschouwd als een uiting van de wil van de auteur ervan om die overeenkomst niet meer uit te voeren; dat zulks hier niet het geval is; dat de onderneming (verweerster), die van plan was (eiseres) te ontslaan wanneer zij niet langer onder toepassing viel van de bepalingen tot bescherming van de zwangerschap, alleen maar de bevoegdheden van de betrokkene heeft aangepast toen zij na haar zwangerschapsverlof opnieuw kwam werken; dat die aanpassing geen wezenlijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden inhield, nu (eiseres) in dienst werd genomen als ondergeschikte administratieve bediende, rekening houdend met haar aanleg en bekwaamheid; dat zelfs als de door (eiseres) bekritiseerde wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden aanzienlijke wijzigingen van de wezenlijke werkvoorwaarden zouden zijn geweest - quod non - toch moet worden vastgesteld dat die wijzigingen te dezen niet kunnen worden beschouwd als de uitdrukking van de wil om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te beëindigen; dat (eiseres) blijk heeft gegeven van ongehoorzaamheid aangezien zij geweigerd heeft de taken uit te voeren die haar werden opgedragen zonder dat het bevel om die taken uit te voeren rechtmatig kan worden uitgelegd als de uitdrukking van de wil om de arbeidsverhouding onmiddellijk te beëindigen; dat overigens de vertragingen in de betaling van het loon van (eiseres) te dezen geen dermate ernstige tekortkomingen zijn dat zij terecht kunnen worden uitgelegd als de uitdrukking van de wil om de arbeidsverhouding onmiddellijk te beëindigen; dat (eiseres) dus overhaast en onterecht heeft vastgesteld dat haar werkgever de overeenkomst had beë
indigd; dat het hoger beroep dus gegrond is; dat uit de feitelijke omstandigheden te dezen dus blijkt dat het in feite (eiseres) is die helemaal op het einde van de beschermingsperiode heeft gepoogd om, door haar werkgever een daad ten laste te leggen die gelijkstaat met de beëindiging, niet alleen een ongerechtvaardigde compensatoire opzeggingsvergoeding te verkrijgen maar bovendien een bijkomende vergoeding voor zwangerschapsbescherming die even ongerechtvaardigd is; dat de beëindiging van de arbeidsbetrekkingen zonder opzegging in werkelijkheid alleen aan (eiseres) te wijten is",
terwijl, (...)
derde onderdeel, de partij die eenzijdig een wezenlijk bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigt die overeenkomst onrechtmatig beëindigt; de rechter bovendien niet hoeft vast te stellen dat de partij de wil had om die overeenkomst te beëindigen; zodat het arbeidshof niet wettig heeft kunnen vaststellen dat de aanzienlijke wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden alleen kunnen worden uitgelegd als een daad die gelijkstaat met de beëindiging als daaruit de wil blijkt om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 32, 3°, 37 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978) en beslissen, zonder schending van de voormelde wetsbepalingen, dat zulks te dezen niet het geval is;
vierde onderdeel, de functie van een bediende door de werkgever alleen op eenzijdige wijze aanzienlijk mag worden gewijzigd als de partijen zijn overeengekomen om die wijziging niet als wezenlijk te beschouwen, dat alles ongeacht het onderschikt karakter van de bewuste functie; de partijen trouwens evenmin het recht hebben om eenzijdig de uitdrukkelijk overeengekomen arbeidsvoorwaarden te wijzigen; het recht op wijziging van de functie bijgevolg moet worden beoordeeld in het licht van hetgeen oorspronkelijk tussen de partijen was overeengekomen; eiseres te dezen in haar appèlconclusie preciseerde dat zij als administratieve bediende in dienst werd genomen en dat haar taken duidelijk werden omschreven in een "job description" van juni 1992 en dat die wezenlijke voorwaarde van de overeenkomst niet eenzijdig mocht worden gewijzigd; zodat het arrest, dat oordeelt dat de aanpassing van de bevoegdheden van eiseres geen wezenlijke wijziging van de arbeidsovereenkomst inhield en bijgevolg ook geen beëindiging van de overeenkomst, en zulks alleen wegens het feit dat eiseres als ondergeschikte administratieve bediende in dienst was genomen, rekening houdend met haar aanleg en bevoegdheid, zonder acht te slaan op de oorspronkelijke inhoud van die functie zoals die tussen de partijen was overeengekomen, en inzonderheid op de taken die eerst aan eiseres waren toevertrouwd, niet wettig heeft kunnen beslissen dat er geen wezenlijke wijziging was gebeurd (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, 37 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978):
Wat betreft het vierde onderdeel:
Overwegende dat uit artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat, tenzij anders is bedongen, de in een overeenkomst overeengekomen voorwaarden, niet eenzijdig kunnen worden gewijzigd of herroepen;
Overwegende dat eiseres voor het arbeidshof aanvoert dat zij als administratieve bediende in dienst werd genomen, dat haar taken bij haar indienstneming werden beschreven en dat verweerster, door haar te verhinderen ze te vervullen, eenzijdig een wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst had gewijzigd;
Overwegende dat het arrest, om te beslissen dat het gaat om een aanpassing van de arbeidsvoorwaarden die geen wezenlijke wijziging inhoudt, alleen zegt dat eiseres in dienst was genomen "als ondergeschikte administratieve bediende rekening houdend met haar aanleg en bevoegdheid";
Dat het arrest alleen door die overweging en zonder de voorwaarden van de overeenkomst verder na te gaan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Wat betreft het derde onderdeel:
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is zonder belang aangezien de beslissing naar recht is verantwoord door de overweging dat er geen wezenlijke wijziging van de arbeidsovereenkomst is geweest:
Overwegende dat uit het antwoord op het vierde onderdeel volgt dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel:
Overwegende dat de partij die eenzijdig een van de wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst wijzigt, die overeenkomst onrechtmatig beëindigt;
Overwegende dat het arrest die beëindiging afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de wijziging de uitdrukking moet zijn van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen;
Dat het arrest aldus de in dit onderdeel aangewezen wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Luik;
Gelet op het bestreden arrest, op 15 maart 1995 door het Arbeidshof te Brussel gewezen;
Over het als volgt gestelde middel: schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, 37, 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet,
doordat het arbeidshof, op verweersters hoger beroep, beslist dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond is, het beroepen vonnis vernietigt en bijgevolg zegt dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar niet gegrond is en, bij de uitspraak op verweersters tegenvordering, zegt dat zij ontvankelijk en gegrond is, en bijgevolg eiseres veroordeelt om aan verweerster het bedrag van 101.311 frank te betalen als compensatoire opzeggingsvergoeding en in de kosten op grond: "dat het erkennen van een gepland toekomstig ontslag, dat alleen werd uitgesteld om de bepalingen inzake bescherming van zwangerschap te eerbiedigen, niet ipso facto betekent dat elke wijziging in de arbeidsvoorwaarden een daad is die gelijkstaat met de beëindiging als die wijzigingen niet de uitdrukking vormen van de wil van de werkgever om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen; dat de wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden en zelfs de uitdrukkelijke weigering haar tijdens de opzeggingsperiode te laten werken, slechts kunnen worden uitgelegd als een daad die gelijkstaat met beëindiging als daaruit de wil blijkt om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen (Cass. 1 febr. 1993, chr. dr. soc. 1993, p. 340); dat als een daad die gelijkstaat met het beëindigen van de arbeidsbetrekkingen alleen kan worden beschouwd iedere aanzienlijke wijziging van een wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst of elke tekortkoming aan een wezenlijke verbintenis van de overeenkomst op voorwaarde dat die wijziging of tekortkoming duidelijk kan worden beschouwd als een uiting van de wil van de auteur ervan om die overeenkomst niet meer uit te voeren; dat zulks hier niet het geval is; dat de onderneming (verweerster), die van plan was (eiseres) te ontslaan wanneer zij niet langer onder toepassing viel van de bepalingen tot bescherming van de zwangerschap, alleen maar de bevoegdheden van de betrokkene heeft aangepast toen zij na haar zwangerschapsverlof opnieuw kwam werken; dat die aanpassing geen wezenlijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden inhield, nu (eiseres) in dienst werd genomen als ondergeschikte administratieve bediende, rekening houdend met haar aanleg en bekwaamheid; dat zelfs als de door (eiseres) bekritiseerde wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden aanzienlijke wijzigingen van de wezenlijke werkvoorwaarden zouden zijn geweest - quod non - toch moet worden vastgesteld dat die wijzigingen te dezen niet kunnen worden beschouwd als de uitdrukking van de wil om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te beëindigen; dat (eiseres) blijk heeft gegeven van ongehoorzaamheid aangezien zij geweigerd heeft de taken uit te voeren die haar werden opgedragen zonder dat het bevel om die taken uit te voeren rechtmatig kan worden uitgelegd als de uitdrukking van de wil om de arbeidsverhouding onmiddellijk te beëindigen; dat overigens de vertragingen in de betaling van het loon van (eiseres) te dezen geen dermate ernstige tekortkomingen zijn dat zij terecht kunnen worden uitgelegd als de uitdrukking van de wil om de arbeidsverhouding onmiddellijk te beëindigen; dat (eiseres) dus overhaast en onterecht heeft vastgesteld dat haar werkgever de overeenkomst had beë
indigd; dat het hoger beroep dus gegrond is; dat uit de feitelijke omstandigheden te dezen dus blijkt dat het in feite (eiseres) is die helemaal op het einde van de beschermingsperiode heeft gepoogd om, door haar werkgever een daad ten laste te leggen die gelijkstaat met de beëindiging, niet alleen een ongerechtvaardigde compensatoire opzeggingsvergoeding te verkrijgen maar bovendien een bijkomende vergoeding voor zwangerschapsbescherming die even ongerechtvaardigd is; dat de beëindiging van de arbeidsbetrekkingen zonder opzegging in werkelijkheid alleen aan (eiseres) te wijten is",
terwijl, (...)
derde onderdeel, de partij die eenzijdig een wezenlijk bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigt die overeenkomst onrechtmatig beëindigt; de rechter bovendien niet hoeft vast te stellen dat de partij de wil had om die overeenkomst te beëindigen; zodat het arbeidshof niet wettig heeft kunnen vaststellen dat de aanzienlijke wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden alleen kunnen worden uitgelegd als een daad die gelijkstaat met de beëindiging als daaruit de wil blijkt om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 32, 3°, 37 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978) en beslissen, zonder schending van de voormelde wetsbepalingen, dat zulks te dezen niet het geval is;
vierde onderdeel, de functie van een bediende door de werkgever alleen op eenzijdige wijze aanzienlijk mag worden gewijzigd als de partijen zijn overeengekomen om die wijziging niet als wezenlijk te beschouwen, dat alles ongeacht het onderschikt karakter van de bewuste functie; de partijen trouwens evenmin het recht hebben om eenzijdig de uitdrukkelijk overeengekomen arbeidsvoorwaarden te wijzigen; het recht op wijziging van de functie bijgevolg moet worden beoordeeld in het licht van hetgeen oorspronkelijk tussen de partijen was overeengekomen; eiseres te dezen in haar appèlconclusie preciseerde dat zij als administratieve bediende in dienst werd genomen en dat haar taken duidelijk werden omschreven in een "job description" van juni 1992 en dat die wezenlijke voorwaarde van de overeenkomst niet eenzijdig mocht worden gewijzigd; zodat het arrest, dat oordeelt dat de aanpassing van de bevoegdheden van eiseres geen wezenlijke wijziging van de arbeidsovereenkomst inhield en bijgevolg ook geen beëindiging van de overeenkomst, en zulks alleen wegens het feit dat eiseres als ondergeschikte administratieve bediende in dienst was genomen, rekening houdend met haar aanleg en bevoegdheid, zonder acht te slaan op de oorspronkelijke inhoud van die functie zoals die tussen de partijen was overeengekomen, en inzonderheid op de taken die eerst aan eiseres waren toevertrouwd, niet wettig heeft kunnen beslissen dat er geen wezenlijke wijziging was gebeurd (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, 37 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978):
Wat betreft het vierde onderdeel:
Overwegende dat uit artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat, tenzij anders is bedongen, de in een overeenkomst overeengekomen voorwaarden, niet eenzijdig kunnen worden gewijzigd of herroepen;
Overwegende dat eiseres voor het arbeidshof aanvoert dat zij als administratieve bediende in dienst werd genomen, dat haar taken bij haar indienstneming werden beschreven en dat verweerster, door haar te verhinderen ze te vervullen, eenzijdig een wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst had gewijzigd;
Overwegende dat het arrest, om te beslissen dat het gaat om een aanpassing van de arbeidsvoorwaarden die geen wezenlijke wijziging inhoudt, alleen zegt dat eiseres in dienst was genomen "als ondergeschikte administratieve bediende rekening houdend met haar aanleg en bevoegdheid";
Dat het arrest alleen door die overweging en zonder de voorwaarden van de overeenkomst verder na te gaan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Wat betreft het derde onderdeel:
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is zonder belang aangezien de beslissing naar recht is verantwoord door de overweging dat er geen wezenlijke wijziging van de arbeidsovereenkomst is geweest:
Overwegende dat uit het antwoord op het vierde onderdeel volgt dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel:
Overwegende dat de partij die eenzijdig een van de wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst wijzigt, die overeenkomst onrechtmatig beëindigt;
Overwegende dat het arrest die beëindiging afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de wijziging de uitdrukking moet zijn van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen;
Dat het arrest aldus de in dit onderdeel aangewezen wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Luik;