Hof van Cassatie: Arrest van 24 Mei 1995 (België). RG P941247N

Date :
24-05-1995
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19950524-8
Role number :
P941247N

Summary :

Wanneer voor het Hof van cassatie in een middel een vraag als bedoeld in art. 26, alinéa 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof is opgeworpen, moet het Hof van cassatie in de regel, het Arbitragehof verzoeken over die vraag uitspraak te doen.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 14 september 1994 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
C. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de civielrechtelijke vordering van eiser tegen de verweerster VZW KFC Turnhout, gedwongen tussengekomen partij;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering en van artikel 6 en 6bis - nu artikel 10 en 11 - van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest de vordering in tussenkomst en vrijwaring uitgebracht door eiser in cassatie lastens verweerster in cassatie onontvankelijk verklaart op grond van de volgende overwegingen : "... dat geen enkele wettelijke bepaling de beklaagden toelaat de (beweerde) civielrechtelijke aansprakelijke partijen voor de strafrechter te dagen en de strafrechter geen rechtsmacht heeft om vorderingen van de beklaagden tegen de (eventueel) civielrechtelijk aansprakelijke partijen te beoordelen; dat de civielrechtelijke aansprakelijke partijen enkel door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij voor de strafrechter kunnen gedaagd worden en dat zulks geen door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden discriminatie tot gevolg heeft...",
terwijl uit artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat het openbaar ministerie, de verdachte, de burgerlijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij de vier procespartijen zijn die traditioneel in een strafprocedure voor de correctionele rechtbank worden toegelaten, zodat de personen buiten deze vier partijen dienen beschouwd te worden als derden in het strafproces; dat uit artikel 182 Sv. eveneens volgt dat het Wetboek van Strafvordering toelaat dat de burgerlijk aansprakelijke partij in de strafzaak voor de correctionele rechtbank kan gebracht worden door middel van een dagvaarding en dat het voormelde artikel 182 niet op limitatieve wijze stelt dat deze dagvaarding enkel mag uitgaan van de procureur des Konings of de burgerlijke partij; dat m.a.w. artikel 182 Sv. geenszins uitsluit dat de beklaagde het initiatief neemt om de burgerlijk aansprakelijke partij in het strafproces voor de correctionele rechtbank in eerste aanleg te betrekken : dat door te beslissen dat de dagvaarding van verweerster in de hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijke partij door eiser in cassatie onontvankelijk is, het bestreden arrest dan ook een schending inhoudt van artikel 182 Sv.; dat door een dergelijke interpretatie eiser als beklaagde - en traditionele partij in het strafproces - in zijn globaal en volledig verweer tegen de strafvordering én de burgerlijke vordering op een manifest ongelijke wijze wordt behandeld in vergelijking tot de andere partijen in het strafproces die deze strafvordering of burgerlijke vordering tegen de beklaagde instellen en uitoefenen; dat de beklaagde namelijk door een dergelijke interpretatie niet al zijn verweerrechten en dito middelen kan uitputten tegenover de ingestelde straf- en burgerlijke vordering teneinde zijn (pecuniaire) aansprakelijkheid te verminderen (gerechtskosten, schadevergoeding en desgevallend geldboete), terwijl het openbaar ministerie en de burgerlijke partij bij de uitoefening van hun rechten zulke hinderpaal niet kennen, met een manifest ongelijke situatie tot gevolg; dat door te beslissen dat de regel waarbij de civielrechtelijke aansprakelijke partij enkel door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij kunnen gedaagd worden, geen door de Grondwet verboden discriminatie tot gevolg heeft t.a.v. eiser als beklaagde, het bestreden arrest dan ook eveneens een schending inhoudt van de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid en niet-discriminatie, zodat het bestreden arrest de in het middel aangewezen bepalingen heeft geschonden :
Overwegende dat het artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering de beklaagde niet toelaat in zaken die tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoren, de civielrechtelijk aansprakelijke personen te doen dagvaarden voor de strafrechter;
Overwegende dat naar luid van artikel 26, alinéa 1, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989, het Arbitragehof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 6 (thans 10) en 6bis (thans 11) van de Grondwet;
Dat aldus een vraag als bedoeld in artikel 26, alinéa 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof rijst;
OM DIE REDENEN,
Schort elke verdere beslissing op tot het Arbitragehof, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan op de volgende vraag : "Schendt het artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering, in zoverre het de wijze van aanhangigmaking van de vordering tegen de civielrechtelijk aansprakelijke persoon bij de Correctionele Rechtbank vastlegt en alzo de partijen bepaalt die de civielrechtelijk aansprakelijke persoon kunnen betrekken in het strafproces, artikel 6 of 6bis van de Grondwet (thans 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994), inzonderheid nu het artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering tot gevolg heeft dat, in tegenstelling tot het openbaar ministerie en de burgerlijke partij, het niet aan de beklaagde is toegelaten om de civielrechtelijk aansprakelijke persoon in het strafproces te betrekken?";
Gelast de overzending aan het Arbitragehof van een door de voorzitter en de griffier van het Hof ondertekende uitgifte van deze beslissing tot verwijzing;
Veroordeelt eiser in de drie vierde van de kosten, hierin niet begrepen de kosten van betekening van de voorziening aan de VZW KFC Turnhout, en houdt de beslissing over de overige kosten aan.