Hof van Cassatie: Arrest van 24 November 1995 (België). RG D950007F

Date :
24-11-1995
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19951124-2
Role number :
D950007F

Summary :

Wanneer de nationale rechter een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de uitlegging van een door een instelling van de Europese Unie verrichte handeling, is hij door die uitlegging gebonden.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op de bestreden beslissing, op 15 februari 1995 gewezen door de Franstalige raad van beroep van de Orde van architecten;
Over het middel : schending van de artikelen 52, inzonderheid tweede lid, 57 en 173 (wat de twee laatstgenoemde artikelen betreft, zoals ze van toepassing waren voor de wijzigingen die erin zijn aangebracht door het Verdrag over de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, goedgekeurd bij de wet van 26 november 1992 en op 1 november 1993 in werking getreden) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend op 25 maart 1957 te Rome en 1 van de wet van 2 december 1957 houdende goedkeuring onder meer van dat Verdrag,
doordat de bestreden beslissing erop wijst dat eiser nog betoogt dat, met toepassing van de algemene beginselen van de vrijheid van vestiging van de onderdanen van de Europese Unie, bepaald in artikel 52 van dat Verdrag, het recht om zich in België te vestigen hem moet worden toegekend, daar artikel 57 van het Verdrag de vaststelling van richtlijnen enkel vereist wanneer het erom gaat de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening ervan te vergemakkelijken"; dat zij vervolgens beslist dat eiser niet kan verzoeken om inschrijving op het tableau van de Orde van architecten, op grond dat het diploma waarvan hij houder is in de Gemeenschap niet kan worden erkend ingevolge richtlijn 85/384/EEG en dat hij zich evenmin kan beroepen op de algemene beginselen van de vrijheid van vestiging, omdat "de door (eiser) aangevoerde rechtspraak van het Hof van Justitie te dezen niet terzake dienend is, daar het Hof in de aangevoerde gevallen uitspraak heeft gedaan bij ontstentenis van richtlijnen over de onderlinge erkenning van diploma's; dat richtlijn 85/384 te dezen in artikel 11, a) de volledige lijst vaststelt van de door de Bondsrepubliek Duitsland afgegeven diploma's die België moet erkennen - met uitsluiting van alle andere -",
terwijl artikel 52, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957, bepaalt dat "de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, omvat overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld ..."; die bepaling directe werking heeft in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten; artikel 57.1 en 57.2 van voornoemd Verdrag luidt als volgt : "1. ten einde de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering, ... richtlijnen vast inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels. 2. met hetzelfde doel stelt de Raad ... vóór de afloop van de overgangsperiode richtlijnen vast inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening ervan"; uit die bepalingen volgt, enerzijds, dat de onderdaan van de Gemeenschap die bij de nationale autoriteiten van een Lid-Staat een aanvraag tot uitoefening van een gereglementeerd beroep indient het recht heeft te eisen dat die autoriteiten nagaan in hoeverre de kennis en kwalificaties die blijken uit het door die onderdaan in een andere Lid-Staat behaalde diploma overeenstemmen met die welke worden vereist door de regeling van het gastland en,
anderzijds, dat de richtlijnen die de Raad van de Europese Economische Gemeenschap moet vaststellen met het oog op de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels tot doel moeten hebben de toegang van de onderdanen van de Gemeenschap tot de bij artikel 52 van het Verdrag gewaarborgde werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken; het algemeen beginsel van de hiërarchie van de akten en normen waaruit het gemeenschapsrecht bestaat en waarvan de miskenning leidt tot schending van artikel 173 van het E.E.G.-Verdrag, gebiedt dat de wettigheid van de door de organen van de Europese Economische Gemeenschap verrichte handelingen worden getoetst aan het basisverdrag en verbiedt dat een bepaling van dat Verdrag terzijde zou worden gesteld door een richtlijn van de Raad; de bestreden beslissing bijgevolg, nu ze enkel stelt dat richtlijn 85/384/EEG de volledige lijst vaststelt van de door de Bondsrepubliek Duitsland afgegeven diploma's die België, met uitsluiting van alle andere, moet erkennen, dat het diploma van eiser, blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, niet onder die categorie valt en dat eiser ingevolge die richtlijn zich niet op artikel 51 van het Verdrag kan beroepen om te eisen dat de Orde van architecten zijn kwalificaties en kennis zou nagaan zodat eiser niet kan verzoeken om inschrijving op het tableau van de Orde van architecten, niet naar recht is verantwoord en een schending inhoudt van de in het middel aangewezen bepalingen;
Overwegende dat het middel de raad van beroep verwijt dat hij zich gericht heeft naar het arrest dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 9 augustus 1994 op een prejudiciële vraag gewezen heeft, in zoverre dat arrest beslist dat "de overgangsregeling die op het hoofdgeding toepassing vindt, gekenmerkt wordt door een uitputtende opsomming van de diploma's, certificaten en andere titels van elke Lid-Staat die voor erkenning in aanmerking kunnen komen";
Overwegende dat artikel 177 van voormeld Verdrag bepaalt dat het Hof van Justitie bevoegd is, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag en van de door de instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen;
Overwegende dat bijgevolg een op een prejudiciële vraag gewezen arrest de nationale rechter bindt wat betreft de uitlegging van de in het geding zijnde bepalingen en handelingen van de Gemeenschap;
Dat de bestreden beslissing overeenstemt met het arrest van het Hof van Justitie, zodat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.