Hof van Cassatie: Arrest van 24 Oktober 2002 (België). RG C000476N;C000477N

Date :
24-10-2002
Language :
French Dutch
Size :
18 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20021024-14
Role number :
C000476N;C000477N

Summary :

Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 24 okt. 2002, A.R. C.00.0476.N - C.00.0477.N, A.C., 2002, nr ...

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Nr. C.00.0476.N
BANK BRUSSEL LAMBERT, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Marnixlaan 24, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 77.186,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Sint-Gillis, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. D.E.,
2. B.S.,
3. V.C.,
allen handelend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de NV Panowag en van het faillissement van de NV Panorob, beiden met zetel te 8720 Dentergem, Oeselgemstraat 5,
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
in aanwezigheid van
1. D.J.,
2. V.P.,
partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.
Nr. C.00.0477.N
D.J.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Sint-Gillis, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. D.E.,
2. B.S.
3. V.C.
allen handelend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de NV Panowag en van het faillissement van de NV Panorob, beiden met zetel te 8720 Dentergem, Oeselgemstraat 5,
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
in aanwezigheid van
1. BANK BRUSSEL LAMBERT, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Marnixlaan 24,
2. V.P.
partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.
I. Bestreden beslissingen
De cassatieberoepen C.00.0476.N en C.00.0477.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest, op 14 juni 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Zij dienen te worden gevoegd.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.
III. Feiten
De appèlrechters hebben de feiten als volgt samengevat :
"A.
Bij overeenkomst van 8 juli 1983, waarvan met bijvoegsel van 15 september 1983 in gemeen akkoord de uitvoering wordt uitgesteld tot 3 oktober 1983, worden door zekere H.D., zich sterk makend voor alle andere aandeelhouders, alle aandelen van de NV Home Development (NV 'H.D.M.') verkocht aan de NV Panowag tegen de prijs van 3 miljoen frank.
Op dezelfde datum van 8 juli 1983 draagt H. D. zijn lopende rekening bij de NV H.D.M. over aan J. D. Deze lopende rekening bedraagt volgens het akkoord 36.824.352 BEF in nadeel van de NV H.D.M. Enige vergoeding voor de overdracht wordt niet bepaald. Uit de verklaring van H. D. van 29 januari 1985 in het strafdossier blijkt dat er desbetreffend ook niets is betaald geworden door J. D.
Op 3 oktober 1983 wordt een 'tweede bijvoegsel' bij de overeenkomst van 8 juli 1983 opgemaakt, waarbij het volgende bedongen wordt :
'De heer J.D. verbindt er zich toe deze overgedragen lopende rekening niet op te vragen zolang de financiële situatie van de vennootschap H.D.M. het niet toelaat'.
Uit de voorgelegde stukken en uit de verklaringen neergelegd in het strafdossier, meer bepaald deze van Y. G., directeur van de NV BBL, zetel Kortrijk-Roeselare, afgelegd op 21 maart 1985, blijkt dat de NV BBL zonder geschrift en zonder waarborgen een lening van 33,5 miljoen frank heeft toegestaan aan de NV H.D.M. (NV Panorob). Desbetreffend zij aangestipt wat Y. G. in voormelde verklaring bevestigt :
'Gezien de aard van het gevraagd krediet, namelijk omzetting van schuldvordering in kapitaal en het kortstondig karakter van het krediet en tenslotte het vertrouwen in zaakvoerder D. werd het krediet zonder schriftelijke overeenkomst toegestaan, in gemeenschappelijk akkoord tussen kredietnemer en kredietgever'.
Uit de desbetreffend door de curatoren voorgelegde rekeninguittreksels blijkt verder het volgende :
- onder vermelding van 'loketcheques' onder valuta van 4 oktober 1983 wordt 33.500.000 BEF afgetrokken van bankrekening 385-0451241-60 ; deze rekening op naam van de NV H.D.M. is totaal nieuw en staat hiermee op datum van 5 oktober 1983 voor 33.500.000 BEF negatief ; hiermee betaalt de NV H.D.M. de lopende rekening van J. D. (overgenomen van H. D.) ;
- op naam van J. D. worden twee stortingen verricht, namelijk ad 5.000.000 BEF op rekening 385-0451237-56 ten nadele van NV H.D.M. 'kapitaalsverhoging' en ad 28.500.000 BEF op rekening 385-0451238-57 ten nadele van NV Panowag 'kapitaalsverhoging' ; beide rekeninguittreksels respectievelijk bijlagen vermelden valuta 3 oktober 1983 en als datum creditering (datum rekeninguittreksel ?) 30 september 1983.
Met notariële akten van 3 oktober 1983 wordt het maatschappelijk kapitaal van de NV Panorob (voordien NV Home Development H.D.M.) verhoogd met 5 miljoen frank en dit van de NV Panowag met 28,5 miljoen BEF en telkenmale genoteerd als inbreng door speciën. Hiertoe zijn de rekeninguittreksels voormeld met respectievelijk 5 en 28,65 miljoen BEF voorgelegd aan de instrumenterende notaris.
Zoals blijkt uit de door de curatele verder voorgelegde rekeninguittreksels is er met valuta 3 oktober 1993 28.500.000 BEF gedebiteerd van de rekening op naam van de NV Panowag ten voordele van de NV H.D.M.
op haar rekening 385-0451241-60 en met zelfde valutadatum 5.000.000 BEF gedebiteerd van de rekening 385-0451237-56 ten voordele van rekening 385-0451241-60 (beide op naam van de NV Home Development Panorob). Hiermee is het 'aanvankelijk' negatief saldo van 33,5 miljoen BEF gesaldeerd. Er zij aangestipt dat de valutadatum voor deze 'terugstortingen' ad 5 en 28,5 miljoen BEF 5 oktober 1983 is.
Uit de verklaringen in het strafdossier blijkt dat er bij voormelde 'transacties' geen sprake is geweest van enig geld in speciën ; meer nog, het geld is alsdusdanig nooit effectief beschikbaar geweest (zie onder meer verklaringen van I. V. van 26 februari 1985 en Y. G. van 21 maart 1985 die de afwezigheid van contant geld en de onbeschikbaarheid van het geld bevestigen ; E. D. van 18 februari 1985 bevestigt de afwezigheid van kontant geld).
B.
Op 1 juni 1984 worden zowel de NV Panowag als de NV Panorob (NV Home Development) in staat van faillissement verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk.
C.
Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 11 september 1989, waartegen het cassatieberoep is afgewezen bij arrest van 16 april 1991, zijn J. D., P. V. en Y. G. veroordeeld om als daders met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden valsheid te hebben gepleegd onder meer door met het oogmerk een kapitaalsverhoging voor te wenden, hoewel in werkelijkheid het kapitaal niet werd verhoogd bij de NV Panowag respectievelijk bij de NV Panorob, fictieve stukken opgemaakt te hebben, zijnde te Kortrijk de beide notariële akten van 3 oktober 1983 houdende respectieve verslagen van de buitengewone algemene vergaderingen van de voormelde vennootschappen, waarbij het maatschappelijk kapitaal wordt verhoogd met respectievelijk 28,5 miljoen BEF en 5 miljoen BEF.
In hoofde van J. D. en P. V. is bovendien de tenlastelegging van het gebruik van de valse akten weerhouden.
Aan de curatele werd een provisie van 1 BEF toegekend lastens J. D., P. V. en Y. G. die tot betaling ervan solidair zijn veroordeeld".
IV. Middel
A. In de zaak C.00.0476.N
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ;
&§9472; de artikelen 1382, 1383, 1384, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek ;
&§9472; de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek ;
&§9472; de artikelen 7, 8, 9, 12, 13 en 14 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 (Boek III, Titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek) ;
&§9472; de artikelen 444, 445, 446, 447, 448, 477, 479, 487 en 528 van de Faillissementswet van 18 april 1851 (Boek III van het Wetboek van Koophandel) ;
&§9472; voor zoveel als nodig de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond, de vordering van de verweerders ontvankelijk en gegrond en veroordeelt eiseres, in solidum met de in gemeen en bindendverklaring opgeroepen partijen tot betaling aan de verweerders in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de NV Panorob en over het faillissement van de NV Panowag, van het bedrag van 5.000.000 BEF, meer intrest en 85.000 BEF meer intrest respectievelijk van het bedrag van 28.500.000 BEF meer intresten en 345.000 BEF meer intrest. Het bestreden arrest besluit hiertoe na te hebben aangenomen dat de curatoren over de vereiste hoedanigheid en belang beschikten om hun vordering tot schadevergoeding in te stellen, enerzijds, en na te hebben aangenomen dat de schade aan het actief van de failliete boedels in oorzakelijk verband stond met de valse kapitaalsverhogingen en bestond in het feit dat het actief niet met de beweerdelijk ingebrachte geldsommen werd vermeerderd en in de nutteloze notariskosten, anderzijds. Het bestreden arrest motiveert zijn beslissing tot ontvankelijkheid en gegrondheid van de vorderingen van de verweerders als volgt :
"I.
B. Hoedanigheid van de curatoren, verweerders q.q.
De curatoren vorderen schadevergoeding voor de vermindering van het actief ten gevolge van onrechtmatige daad. Zij eindigen de respectieve dagvaardingen met de overweging dat 'het actief van het faillissement aldus werd verminderd met (...)'. Tot dergelijke vordering beschikken zij als curatoren stellig over het nodige belang respectievelijk hoedanigheid.
De curator beschikt hoe dan ook over de nodige hoedanigheid om schadevergoeding te benaarstigen voor elke fout die het actief heeft aangetast.
Of op het ogenblik van de gelaakte daad het passief hoger of lager is dan het actief, is totaal irrelevant.
De overwegingen vanwege de NV BBL dat de curator slechts ingeval van vermindering van het netto-actief over een vorderingsrecht zou kunnen beschikken, zijn totaal naast de kwestie".
(arrest, p. 10-11, sub B)
"II.
"B.
c.
De curatoren kunnen in hun hoedanigheid van curatoren van de respectieve faillissementen NV Panowag en NV Panorob aanspraak maken op vergoeding van de schade die de voormelde fout heeft veroorzaakt, met name in zoverre hierdoor het actief is verminderd.
Mocht er bij de kapitaalsverhogingen een effectieve geldinbreng zijn geweest van respectievelijk 28,5 miljoen BEF en 5 miljoen BEF en bijgevolg niet zijn overgegaan tot het door de strafrechter gesanctioneerde systeem van kortstondig krediet en onwezenlijk snel op mekaar volgende betalingen c.q. compensaties waarbij het geld zoals bedoeld door J. D. en P. V.- nooit op een werkelijke wijze is binnengebracht in de vennootschappen, zou er in het actief ook effectief 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF meer aanwezig zijn geweest.
Zonder de valsheid zou immers het bij de kapitaalsverhoging theoretisch verhoogde eigen vermogen ook daadwerkelijk hebben beantwoord aan een met 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF verhoogd actief.
Het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade die gelijk is aan de bedragen waaromtrent er geen effectieve geldinbreng is geweest, staat bijgevolg vast.
1.
Wat de NV Panowag betreft :
28,5 miljoen BEF zou daadwerkelijk zijn binnen gekomen in de middelen zonder de stratagème van de hierboven onwezenlijk snel op mekaar volgende betalingen en compensaties, precies uitgevoerd met de bedoeling nooit 28,5 miljoen BEF effectief in geld bij de activa van de NV Panowag te voegen.
Het verweer van de respectieve verweerders dat de lening van 28,5 miljoen BEF door de NV Panowag aan de NV Panorob door de laatstgenoemde is terugbetaald door leveringen, is irrelevant. Immers : mocht, ingeval van effectieve geldinbreng van 28,5 miljoen BEF, de NV Panowag bij hypothese- daarop 28,5 miljoen BEF hebben uitgeleend aan de NV Panorob (om de NV Panorob in staat te stellen de rekening-courant van J. D.
terug te betalen), zou -bij hypothese- de NV Panorob die hebben terugbetaald met leveranciers, waarbij per slot van alle rekeningen er effectief ook 28,5 miljoen BEF meer zou aanwezig zijn geweest in de activa van de NV Panowag dan thans. Door de valsheid is er effectief geen frank binnengebracht bij de NV Panowag en heeft de NV Panowag, om 28,5 miljoen BEF uit te lenen aan de NV Panorob, dienen te putten uit eigen middelen die door de gelaakte kapitaalsverhoging identiek zijn gebleven en geenszins zijn verhoogd.
De opmerking vanwege J. D. dat hij hiermee nogmaals 28,5 miljoen BEF dient te betalen, is niet ernstig.
J. D. heeft de inbreng van zijn waardeloze schuldvordering willen vermommen als een effectieve geldinbreng.
Hij vergeet te vermelden dat hij de rekening-courant van H. D. overgenomen heeft voor 0 BEF. Het vermogen van de NV H.D.M. (Panorob) was immers negatief en de NV H.D.M. kon de rekening-courant niet terugbetalen.
2.
Wat de NV Panorob betreft :
5 miljoen BEF zou daadwerkelijk zijn binnen gekomen in de middelen zonder de stratagème van de hierboven onwezenlijk snel op mekaar volgende betalingen en compensaties, precies verricht met de bedoeling nooit 5 miljoen BEF effectief in geld bij de activa van de NV Panorob te voegen.
Het verweer van appellanten dat, indien zoals in casu- er wordt aangenomen dat er geen effectieve geldinbreng is geweest er in feite toch een inbreng van een schuldvordering is verricht, met name voor 5 miljoen BEF vordering tegenover de vennootschap waarin werd ingebracht, zodat er geen schade zou zijn, kan niet gevolgd worden.
Immers, wat als onrechtmatige daad wordt aangezien, is het met bedrieglijk opzet voorwenden van een effectieve geldinbreng, bijgevolg het voorwenden van een daadwerkelijk binnenbrengen van speciën in de vennootschap, terwijl het nooit de bedoeling was de geldmiddelen ook maar met één frank daadwerkelijk te verhogen en er daadwerkelijk ook nooit één frank is binnengebracht. De schade voor het actief is dan ook gelijk aan het bedrag van speciën dat valselijk voorgewend werd als dusdanig ingebracht te zijn.
d.
(arrest, p. 14-17, sub B.)
"C.
a.
De NV B.B.L. was geen partij in de strafprocedure. De vaststellingen dat haar directeur medebeklaagde was, dat een kaderlid de openbare terechtzittingen in de strafprocedure heeft gevolgd en dat bepaalde raadslieden van de NV B.B.L. eveneens raadslieden waren van haar directeur, brengen niet met zich mee dat de NV B.B.L. geacht dient te worden geen derde te zijn geweest en gebleven in de strafprocedure.
Met toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens dient aan haar de mogelijkheid te worden gegeven de conclusies en vaststellingen van de strafrechter te weerleggen.
In deze weerlegging slaagt de NV B.B.L. evenwel niet. Integendeel. Het hof dient evenzeer ten aanzien van de NV B.B.L. te besluiten dat de hiervoren omschreven strategie bestaande uit het in ijltempo opzetten van een lening (door de NV B.B.L. aan de NV H.D.M. (NV Panorob)), de uitbetaling van de rekening-courant (door de NV H.D.M. aan J. D.), de storting op rekeningen ten behoeve van de kapitaalsverhoging, de lening van de NV Panowag aan de NV Panorob en uiteindelijk de terugbetaling van de lening door de NV Panorob aan de NV B.B.L. geleid heeft tot de afwezigheid van een werkelijke inbreng, zodat de notariële akten van 3 oktober 1983 die een kapitaalsverhoging vermeldden door effectieve geldinbreng inhoudelijk fictief en derhalve vals waren. Er zij in dit verband vastgesteld dat er op de rekening van de NV H.D.M. , niettegenstaande alle voormelde betalingen en stortingen, er voor 33,5 miljoen BEF slechts één dag verschil is in valutadatum van negatief naar saldering.
Een en ander is gebeurd met bedrieglijk inzicht met name om de wettelijk dwingend opgelegde verplichting van bedrijfsrevisoraal verslag bij inbreng in natura waaronder de inbreng van een schuldvordering ook valt- te ontduiken en om minstens waar het de NV Panowag betreft- gebruik te maken van de voordelen van de 'wet Cooremans-Declercq'.
Aldus staat de fout vast. Aan de totstandkoming met bedrieglijk opzet van de valsheid van de notariële akte van 3 oktober 1983 heeft Y. G. meegewerkt zowel in haar conceptie als in de concrete uitwerking in de strategie daartoe.
Aldus zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 1384, alinea 3, van het Burgerlijk Wetboek vervuld en dient de NV B.B.L. als aansteller in te staan voor de schade veroorzaakt door de onrechtmatige daad van haar aangestelde.
b.
Waar de fout van Y. G. en het principe van gehoudenheid van de NV B.B.L. voor de schade die daardoor is veroorzaakt vaststaan, dient het oorzakelijk verband met de schade zoals gevorderd door de curatoren te worden onderzocht.
Als aansteller van diegene die onmisbare hulp voor de totstandkoming van de valsheid heeft verleend, is de NV B.B.L. voor dezelfde schadebedragen gehouden als J. D. en P. V.. Immers, de onrechtmatige daad die Y. G. heeft gepleegd, is het verlenen van onmisbare hulp bij het (met) bedrieglijk opzet voorwenden van een effectieve geldinbreng, bijgevolg het voorwenden van een daadwerkelijk binnenbrengen van speciën in de vennootschappen, terwijl het nooit de bedoeling was geldmiddelen ook maar met één BEF daadwerkelijk te verhogen. De schade voor het actief is dan ook gelijk aan het bedrag van speciën dat valselijk voorgewend werd daadwerkelijk ingebracht te zijn.
Hiertoe zij er verder verwezen naar wat hierboven is overwogen onder punt B.c. met betrekking tot J. D.
en P. V..
De eerste rechter heeft dan ook terecht de NV B.B.L. samen met J. D. en P. V. in solidum veroordeeld tot de respectieve bedragen en intresten aan de curatoren in hun respectieve hoedanigheid".
(arrest, p. 17-20, sub c.)
"D
a.
De uitbreiding van de vordering vanwege de curatoren dient te worden ingewilligd onder voorbehoud van wat volgt.
De notariskosten voor de kapitaalsverhogingen bedragen voor de NV Panowag 351.640 BEF en voor de NV Panorob 91.450 BEF, zijn voor de vennootschappen verloren uitgaven ten gevolge van de valsheid van de respectieve akten. Ten aanzien van J. D. en P. V. staat een en ander reeds vast krachtens het gezag van gewijsde van het arrest van 11 september 1989.
Ten aanzien van de NV B.B.L. zij er overwogen dat de notariële akten 'normaal' tot doel hadden een effectieve verhoging van de activa via een vermeerdering van de geldmiddelen ad 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF te bevestigen. Waar deze akten ter zake van dergelijke effectieve inbreng van geld vals blijken te zijn, zijn zij alsdusdanig van generlei waarde en zijn de ervoor gemaakte kosten nutteloos geweest.
Uit het attest van notaris B. van 23 september 1996 (stuk nr. 14, dossier curatele) blijkt niet dat de 6.450 BEF als saldo kosten kapitaalsverhoging voor de NV Panorob zouden zijn betaald ; er staat geen enkele datum vermeld.
Het gevorderde bedrag van 91.450 BEF dient bijgevolg verminderd te worden tot 85.000 BEF. Anderzijds blijkt het saldo voor de kosten van kapitaalsverhoging voor de NV Panowag ad 6.640 BEF slechts betaald te zijn op 10 februari 1984, zodat slechts vanaf die datum op dit saldo intrest kan worden gevorderd".
(arrest, p. 20-21, sub D).
Grieven
1. Eerste onderdeel
Uit de artikelen 444, 445, 446, 447, 448, 477, 479, 487 en 528 van de Faillissementswet van 18 april 1851 (de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997) blijkt dat de algemene opdracht van de curator erin bestaat de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het opgebrachte geld te verdelen. De curator, wanneer hij namens de boedel in rechte optreedt, oefent de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit.
De gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers hebben betrekking op de goederen die overeenkomstig de artikelen 7, 8, 9, 12, 13 en 14 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 het gemeenschappelijk onderpand van alle schuldeisers vormen. Deze boedel van goederen en rechten lijdt schade (collectief nadeel) wanneer het passief van het faillissement vermeerderd of het actief ervan verminderd wordt.
De curator kan bijgevolg slechts een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instellen indien het actief van het faillissement is verminderd of het passief ervan is vermeerderd. Een enkele niet-vermeerdering van het actief volstaat hiertoe niet nu dit geen collectieve schade uitmaakt die krachtens de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek vergoedbaar is.
Het bestreden arrest gaat bij de beoordeling van de hoedanigheid en het belang van de curatoren er principieel van uit dat de curatoren schadevergoeding kunnen vragen inzoverre het actief van de failliete boedels is verminderd. Het stelt bij de concrete beoordeling van de schadelijke gevolgen van de vals bevonden kapitaalsverhogingen echter geen vermindering van het actief noch een verhoging van het passief vast, doch wel een niet-verhoging van het actief. Het arrest stelt immers dat 'mocht er bij de kapitaalsverhogingen een effectieve geldinbreng zijn geweest van respectievelijk 28,5 miljoen BEF en 5 miljoen BEF (...) er in het actief ook effectief 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF méér aanwezig zou zijn geweest' en dat 'zonder de valsheid het bij de kapitaalsverhoging theoretisch verhoogde eigen vermogen ook daadwerkelijk zou hebben beantwoord aan een met 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF verhoogd actief" (p.15, sub c, tweede alinea) en dat 'door de valsheid er effectief geen frank is binnengebracht bij de NV Panowag (wiens eigen middelen) identiek zijn gebleven en geenszins zijn verhoogd' (p. 16, sub 1, tweede alinea, laatste zin) (zie ook p. 20, tweede alinea). Het arrest bepaalt deze schade aan het actief op het bedrag in speciën dat volgens de vals bevonden akten van kapitaalsverhoging in de vennootschappen zou zijn ingebracht (p. 16, eerste alinea) en p. 17, tweede alinea en p. 20, eerste alinea, laatste zin).
Het bestreden arrest besluit bijgevolg met miskenning van het begrip van het collectief nadeel als vergoedbare schade (vervat in de artikelen 7 tot en met 9, 12 tot en met 14 Hypotheek en 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek) tot de gegrondheid van de vorderingen van de verweerders inzoverre strekkende tot veroordeling van eiseres in haar hoedanigheid van aansteller van de bankdirecteur te Kortrijk (artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek) tot betaling van de in de akten van kapitaalsverhoging als ingebrachte speciën vermelde bedragen op grond van de enkele vaststelling van niet-vermeerdering van het actief van de failliete vennootschappen ten belope van de bedragen die volgens de vals bevonden akten zouden zijn ingebracht, zonder bijkomende vaststelling van een verhoging van enig passief-element of vermindering van enig actief-element (schending van de artikelen 1382, 1383, 1384, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 7, 8, 9, 12, 13 en 14 van de Hypotheekwet van 16 december 1851). Het bestreden arrest besluit ook met miskenning van de wettelijke opdracht van de curator (vervat in de artikelen 444 tot en met 448, 477, 479, 487 en 528 oude Faillissementswet, 16 tot en met 20, 49, 51, 57 en 99 nieuwe Faillissementswet) en van de wettelijke vereiste van hoedanigheid en belang (vervat in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek) tot de ontvankelijkheid van de vorderingen van de verweerders na als schade de enkele niet-vermeerdering van het actief te hebben vastgesteld (schending van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 444, 445, 446, 477, 448, 477, 479, 487 en 582 van de Faillissementswet van 18 april 1851 en voor zoveel als nodig van de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997).
2. Tweede onderdeel
Het is tegenstrijdig enerzijds, als voorwaarde voor de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering van de curatoren een vermindering van het actief van de failliete vennootschappen voorop te stellen (p.
10, sub B, eerste en tweede alinea en p. 15, sub c, eerste alinea), en, anderzijds, bij de concrete beoordeling van de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering van de verweerders een niet-verhoging van het actief voldoende te achten (p. 15, sub c, tweede alinea tot en met p. 17, tweede alinea en p. 19, b tot en met p. 20, tweede alinea). Het bestreden arrest, dat aldus een tegenstrijdigheid bevat in zijn motieven, is niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
3. Derde onderdeel
Een fout geeft krachtens de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek slechts aanleiding tot schadevergoeding wanneer de aangevoerde schade in oorzakelijk verband staat tot de aangevoerde fout.
Een fout is krachtens de equivalentieleer oorzaak van de schade wanneer de schade, zoals zij zich in concreto voordeed, zich niet zou hebben voorgedaan zonder de fout. Er bestaat geen oorzakelijk verband tussen de fout en de schade wanneer de schade, zoals deze zich in concreto voordeed, zich ook zou hebben voorgedaan zonder de fout. Het bestaan van het oorzakelijk verband wordt aldus getoetst door het foutief aspect van de schadeverwekkende handeling te vervangen door haar rechtmatige versie zonder de concrete omstandigheden van het schadegebeuren te wijzigen.
Het oorzakelijk verband tussen het opmaken van of deelnemen aan een valse akte en de schade ontbreekt bijgevolg indien de schade zich ook zou hebben voorgedaan zonder de valse akte, dit is bij afwezigheid van akte, of hoogstens in aanwezigheid van de door de valse akte vermomde akte.
Het bestreden arrest stelt met betrekking tot de fout van de aangestelde van eiseres vast dat deze erin bestond deelgenomen te hebben aan een valsheid erin bestaande een kapitaalsverhoging door inbreng in geld te hebben voorgewend terwijl er nooit een daadwerkelijke inbreng is geweest (p. 18, derde alinea en laatste alinea en p. 19, tweede alinea, laatste zin) en dit onder meer ter vermomming van een kapitaalsverhoging door inbreng van een (waardeloze) schuldvordering (p. 18, vierde alinea).
Het bestreden arrest stelt met betrekking tot de schade vast dat deze bestaat in het feit dat het actief van de vennootschappen niet werd verhoogd en dat zij dient bepaald op het bedrag aan speciën dat volgens de akten van kapitaalsverhoging zou zijn ingebracht (p. 15, laatste alinea-p. 16, eerste alinea en p.
17, tweede alinea en p. 20, eerste alinea).
Het bestreden arrest gaat bij de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen deze fout en de aangevoerde schade na welke de actief-toestand van de vennootschappen zou zijn geweest indien de kapitaalsverhogingen door inbreng in geld echt en niet vals waren geweest en aldus als rechtmatig alternatief de hypothese in aanmerking neemt van een effectieve kapitaalsverhoging door inbreng in geld en niet de hypothese dat er geen kapitaalsverhoging is doorgevoerd of hoogstens dat er een kapitaalsverhoging door inbreng van een (waardeloze) schuldvordering is gebeurd. Het arrest had in laatstvermelde hypothese moeten vaststellen dat het actief van de vennootschappen evenmin zou zijn verhoogd en dus dat de schade zich ook zonder de fout zou hebben voorgedaan.
Het bestreden arrest stelt bijgevolg met miskenning van het oorzakelijkheidbegrip (de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek) het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad van de aangestelde van eiseres en de niet-verhoging van het actief van de failliete vennootschappen ten belope van 5 miljoen en 28,5 miljoen BEF vast en verklaart de vorderingen van de verweerders strekkende tot betaling van die bedragen gegrond (schending van de artikelen 1382, 1383 en 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek).
4. Vierde onderdeel
Het is tegenstrijdig en in strijd met het oorzakelijkheidbegrip, enerzijds, te oordelen dat de notariskosten die door de failliete vennootschappen voor het opstellen van de akten van kapitaalsverhoging zijn gemaakt een schadepost uitmaken in oorzakelijk verband met de valsheid en, anderzijds, te oordelen dat de bedragen die volgens de akten van kapitaalsverhoging zouden zijn ingebracht eveneens een schadepost uitmaken in oorzakelijk verband met de valsheid. In het eerste geval wordt immers uitgegaan van onbestaande(nutteloze) aktes en in het tweede geval van bestaande aktes.
Het bestreden arrest is bijgevolg, door tegelijk de notariskosten voor het opstellen van de valse akten van kapitaalsverhoging en de bedragen die in die akten als ingebrachte geldsommen worden vermeld, in aanmerking te nemen als schade in oorzakelijk verband met de door de aangestelde van eiseres gepleegde fout, tegenstrijdig is en derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en is niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 1382, 1383 en 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek).
5. Vijfde onderdeel
D., eerste in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, betwist in zijn synthesebesluiten (op p.
13) de door de verweerders aangevoerde schade bestaande uit de bedragen van de fictief bevonden kapitaalsverhogingen en heeft hieromtrent onder meer aangevoerd dat de strafrechter de notariskosten als enige vergoedbare schadepost in aanmerking nam (p. 13, tweede alinea) en dat de vordering van de curatoren inzoverre strekkende tot de betaling van de in de akten van kapitaalsverhoging vermelde bedragen van 28.500.000 en 5.000.000 F in strijd was met het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter (p. 13, derde alinea).
Hij had daaraan toegevoegd dat "indien de schade erin zou bestaan dat de kapitaalsverhoging moet worden volstort, de kosten voor het verlijden van de akten van kapitaalsverhogingen niet nutteloos zouden geweest zijn en geen schadepost zou vormen" (p. 13, derde alinea, laatste zin).
Het bestreden arrest antwoordt op geen enkele wijze op dit regelmatig voorgedragen verweermiddel van de eerste in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij en is derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
B. In de zaak C.00.0477.N
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ;
&§9472; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;
&§9472; de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek ;
&§9472; de artikelen 7, 8, 9, 12, 13 en 14 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 (Boek III, Titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek) ;
&§9472; de artikelen 444, 445, 446, 447, 448, 477, 479, 487 en 528 van de Faillissementswet van 18 april 1851 (Boek III van het Wetboek van Koophandel) ;
&§9472; voor zoveel als nodig van de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond, verklaart de vordering van de verweerders ontvankelijk en gegrond en veroordeelt eiser, in solidum met de gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen, en veroordeelt tot betaling aan de verweerders in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de NV Panorob en over het faillissement van de NV Panowag, van het bedrag van 5.000.000 BEF, meer intresten en 85.000 BEF meer intresten respectievelijk van het bedrag van 28.500.000 BEF meer intresten en 345.000 BEF meer intresten. Het bestreden arrest besluit hiertoe na te hebben aangenomen dat de curatoren over de vereiste hoedanigheid en belang beschikten om hun vordering tot schadevergoeding in te stellen, enerzijds, en na te hebben aangenomen dat de schade aan het actief van de failliete boedels in oorzakelijk verband stond met de valse kapitaalsverhogingen en bestond in het feit dat het actief niet met de beweerdelijk ingebrachte geldsommen werd vermeerderd en in de nutteloze notariskosten, anderzijds. Het bestreden arrest motiveert zijn beslissing tot ontvankelijkheid en gegrondheid van de vorderingen van de verweerders als volgt :
"I.
B. Hoedanigheid van de curatoren, geïntimeerden q.q.
De curatoren vorderen schadevergoeding voor de vermindering van het actief ten gevolge van onrechtmatige daad. Zij eindigen de respectieve dagvaardingen met de overweging dat 'het actief van het faillissement aldus werd verminderd met (...)'. Tot dergelijke vordering beschikken zij als curatoren stellig over het nodige belang respectievelijk hoedanigheid.
De curator beschikt hoe dan ook over de nodige hoedanigheid om schadevergoeding te benaarstigen voor elke fout die het actief heeft aangetast.
Of op het ogenblik van de gelaakte daad het passief hoger of lager is dan het actief, is totaal irrelevant.
De overwegingen vanwege de NV BBL dat de curator slechts ingeval van vermindering van het netto-actief over een vorderingsrecht zou kunnen beschikken, zijn totaal naast de kwestie".
(arrest, p. 10-11, sub B)
"II.
"B.
a.
J. D. en P. V., respectieve partijen in onderhavig burgerlijke procedure, waren eveneens partij in de strafprocedure, met name als eerste en derde beklaagden.
b.
Hiermee heeft de strafrechter duidelijk en ondubbelzinnig vastgesteld dat de akten van kapitaalsverhoging vals zijn omdat er een kapitaalsverhoging door inbreng in geld is voorgewend, terwijl er in werkelijkheid geen kapitaalsverhoging is gerealiseerd. Hierbij heeft de strafrechter eveneens overwogen dat, aangezien een lopende rekening tegenover een vennootschap die deze niet kon terugbetalen is ingebracht, dergelijke inbreng geen werkelijke kapitaalsverhoging kon zijn.
Aldus staat in hunnen hoofde vast dat zij een onrechtmatige daad hebben gepleegd door met bedrieglijk inzicht een operatie die erop was gericht nooit een effectieve geldinbreng te doen, toch te doen overkomen als een inbreng in geld.
c.
De curatoren kunnen in hun hoedanigheid van curatoren van de respectieve faillissementen NV Panowag en NV Panorob aanspraak maken op vergoeding van de schade die de voormelde fout heeft veroorzaakt, met name in zoverre hierdoor het actief is verminderd.
Mocht er bij de kapitaalsverhogingen een effectieve geldinbreng zijn geweest van respectievelijk 28,5 miljoen BEF en 5 miljoen BEF en bijgevolg niet zijn overgegaan tot het door de strafrechter gesanctioneerde systeem van kortstondig krediet en onwezenlijk snel op mekaar volgende betalingen c.q. compensaties waarbij het geld -zoals bedoeld door J. D. en P. V.- nooit op een werkelijke wijze is binnengebracht in de vennootschappen, zou er in het actief ook effectief 28,5 miljoen BEF méér aanwezig zijn geweest.
Zonder de valsheid zou immers het bij de kapitaalsverhoging theoretisch verhoogde eigen vermogen ook daadwerkelijk hebben beantwoord aan een met 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF verhoogd actief.
Het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade die gelijk is aan de bedragen waaromtrent er geen effectieve geldinbreng is geweest, staat bijgevolg vast.
1. Wat de NV Panowag betreft :
28,5 miljoen BEF zou daadwerkelijk zijn binnen gekomen in de middelen zonder de stratagème van de hierboven onwezenlijk snel op mekaar volgende betalingen en compensaties, precies uitgevoerd met de bedoeling nooit 28,5 miljoen BEF effectief in geld bij de activa van de NV Panowag te voegen.
Het verweer van de respectieve verweerders dat de lening van 28,5 miljoen BEF door de NV Panowag aan de NV Panorob door de laatstgenoemde is terugbetaald door leveringen, is irrelevant. Immers : mocht, ingeval van effectieve geldinbreng van 28,5 miljoen BEF, de NV Panowag -bij hypothese- daarop 28,5 miljoen BEF hebben uitgeleend aan de NV Panorob (om de NV Panorob in staat te stellen de rekening-courant van J. D.
terug te betalen), zou bij hypothese- de NV Panorob die hebben terugbetaald met leveranciers, waarbij per slot van alle rekeningen er effectief ook 28,5 miljoen BEF méér zou aanwezig zijn geweest in de activa van de NV Panowag dan thans. Door de valsheid is er effectief geen frank binnengebracht bij de NV Panowag en heeft de NV Panowag, om 28,5 miljoen BEF uit te lenen aan de NV Panorob, dienen te putten uit eigen middelen die door de gelaakte kapitaalsverhoging identiek zijn gebleven en geenszins zijn verhoogd.
De opmerking vanwege J. D. dat hij hiermee nogmaals 28,5 miljoen BEF dient te betalen, is niet ernstig.
J. D. heeft de inbreng van zijn waardeloze schuldvordering willen vermommen als een effectieve geldinbreng.
Hij vergeet te vermelden dat hij de rekening-courant van H. D. overgenomen heeft voor 0 BEF. Het vermogen van de NV H.D.M. (Panorob) was immers negatief en de NV H.D.M. kon de rekening-courant niet terugbetalen.
2. Wat de NV Panorob betreft :
5 miljoen BEF zou daadwerkelijk zijn binnen gekomen in de middelen zonder de stratagème van de hierboven onwezenlijk snel op mekaar volgende betalingen en compensaties, precies verricht met de bedoeling nooit 5 miljoen BEF effectief in geld bij de activa van de NV Panorob te voegen.
Het verweer van appellanten dat, indien zoals in casu- er wordt aangenomen dat er geen effectieve geldinbreng is geweest er in feite toch een inbreng van een schuldvordering is verricht, met name voor 5 miljoen BEF vordering tegenover de vennootschap waarin werd ingebracht, zodat er geen schade zou zijn, kan niet gevolgd worden.
Immers, wat als onrechtmatige daad wordt aangezien, is het met bedrieglijk opzet voorwenden van een effectieve geldinbreng, bijgevolg het voorwenden van een daadwerkelijk binnenbrengen van speciën in de vennootschap, terwijl het nooit de bedoeling was de geldmiddelen ook maar met één frank daadwerkelijk te verhogen en er daadwerkelijk ook nooit één frank is binnengebracht. De schade voor het actief is dan ook gelijk aan het bedrag van speciën dat valselijk voorgewend werd als dusdanig ingebracht te zijn.
d.
1. Terecht heeft de eerste rechter dan ook J. D. en P. V. in solidum veroordeeld tot de respectieve bedragen en intresten aan de curatoren in hun respectieve hoedanigheid.
(arrest, p. 14-17, sub B.)
"C.
"D.
a.
De uitbreiding van de vordering vanwege de curatoren dient te worden ingewilligd onder voorbehoud van wat volgt.
De notariskosten voor de kapitaalsverhogingen bedragen voor de NV Panowag 351.640 BEF en voor de NV Panorob 91.450 BEF zijn voor de vennootschappen verloren uitgaven ten gevolge van de vasheid van de respectieve akten. Ten aanzien van J. D. en P. V. staat een en ander reeds vast krachtens het gezag van gewijsde van het arrest van 11 september 1989.
Ten aanzien van de NV B.B.L. zij er overwogen dat de notariële akten 'normaal' tot doel hadden een effectieve verhoging van de activa via een vermeerdering van de geldmiddelen ad 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF te bevestigen. Waar deze akten ter zake van dergelijke effectieve inbreng van geld vals blijken te zijn, zijn zij alsdusdanig van generlei waarde en zijn de ervoor gemaakte kosten nutteloos geweest.
Uit het attest van notaris B. van 23 september 1996 (stuk nr. 14, dossier curatele) blijkt niet dat de 6.450 BEF als saldo kosten kapitaalsverhoging voor de NV Panorob zouden zijn betaald ; er staat geen enkele datum vermeld.
Het gevorderde bedrag van 91.450 BEF dient bijgevolg verminderd te worden tot 85.000 BEF. Anderzijds blijkt het saldo voor de kosten van kapitaalsverhoging voor de NV Panowag ad 6.640 BEF slechts betaald te zijn op 10 februari 1984, zodat slechts vanaf die datum op dit saldo intrest kan worden gevorderd".
(arrest, p. 20-21, sub D).
Grieven
1. Eerste onderdeel
Uit de artikelen 444, 445, 446, 447, 448, 477, 479, 487 en 528 van de Faillissementswet van 18 april 1851 (de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997) blijkt dat de algemene opdracht van de curator erin bestaat de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het opgebrachte geld te verdelen. De curator, wanneer hij namens de boedel in rechte optreedt, oefent de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit.
De gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers hebben betrekking op de goederen die overeenkomstig de artikelen 7, 8, 9, 12, 13 en 14 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 het gemeenschappelijk onderpand van alle schuldeisers vormen. Deze boedel van goederen en rechten schade lijdt (collectief nadeel) wanneer het passief van het faillissement vermeerderd of het actief ervan verminderd wordt.
De curator kan bijgevolg slechts een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instellen indien het actief van het faillissement is verminderd of het passief ervan is vermeerderd. Een enkele niet-vermeerdering van het actief hiertoe niet volstaat nu dit geen collectieve schade uitmaakt die krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vergoedbaar is.
Het bestreden arrest gaat bij de beoordeling van de hoedanigheid en het belang van de curatoren er principieel van uit dat de curatoren schadevergoeding kunnen vragen inzoverre het actief van de failliete boedels is verminderd. Het stelt bij de concrete beoordeling van de schadelijke gevolgen van de vals bevonden kapitaalsverhogingen echter geen vermindering van het actief noch een verhoging van het passief vast, doch wel een niet-verhoging van het actief. Het arrest stelt immers dat 'mocht er bij de kapitaalsverhogingen een effectieve geldinbreng zijn geweest van respectievelijk 28,5 miljoen BEF en 5 miljoen BEF (...) er in het actief ook effectief 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF méér aanwezig zou zijn geweest' en dat 'zonder de valsheid het bij de kapitaalsverhoging theoretisch verhoogde eigen vermogen ook daadwerkelijk zou hebben beantwoord aan een met 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF verhoogd actief' (p.15, sub c, tweede alinea) en dat 'door de valsheid er effectief geen frank is binnengebracht bij de NV Panowag (wiens eigen middelen) identiek zijn gebleven en geenszins zijn verhoogd' (p. 16, sub 1, tweede alinea, laatste zin) (zie ook p. 20, tweede alinea). Het arrest bepaalt deze schade aan het actief op het bedrag in speciën dat volgens de vals bevonden akten van kapitaalsverhoging in de vennootschappen zou zijn ingebracht (p. 16, eerste alinea) en p. 17, tweede alinea en p. 20, eerste alinea, laatste zin).
Het bestreden arrest besluit bijgevolg met miskenning van het begrip van het collectief nadeel als vergoedbare schade (vervat in de artikelen 7 tot en met 9, 12 tot en met 14 Hypotheek en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) tot de gegrondheid van de vorderingen van de verweerders inzoverre strekkende tot veroordeling van eiser tot betaling van de in de akten van kapitaalsverhoging als ingebrachte speciën vermelde bedragen op grond van de enkele vaststelling van niet-vermeerdering van het actief van de failliete vennootschappen ten belope van de bedragen die volgens de vals bevonden akten zouden zijn ingebracht, zonder bijkomende vaststelling van een verhoging van enig passief-element of vermindering van enig actief-element (schending van de artikelen 1382 en 1383, van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 7, 8, 9, 12, 13 en 14 van de Hypotheekwet van 16 december 1851). Het bestreden arrest besluit ook met miskenning van de wettelijke opdracht van de curator (vervat in de artikelen 444 tot en met 448, 477, 479, 487 en 528 oude Faillissementswet, 16 tot en met 20, 49, 51, 57 en 99 nieuwe Faillissementswet) en van de wettelijke vereiste van hoedanigheid en belang (vervat in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek) tot de ontvankelijkheid van de vorderingen van de verweerders na als schade de enkele niet-vermeerdering van het actief te hebben vastgesteld (schending van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 444, 445, 446, 477, 448, 477, 479, 487 en 582 van de Faillissementswet van 18 april 1851 en voor zoveel als nodig van de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997).
2. Tweede onderdeel
Het is tegenstrijdig enerzijds, als voorwaarde voor de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering van de curatoren een vermindering van het actief van de failliete vennootschappen voorop te stellen (p.
10, sub B, eerste en tweede alinea en p. 15, sub c, eerste alinea), en, anderzijds, bij de concrete beoordeling van de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering van de verweerders een niet-verhoging van het actief voldoende te achten (p. 15, sub c, tweede alinea tot en met p. 17, tweede alinea en p. 19, b tot en met p. 20, tweede alinea). Het bestreden arrest, dat aldus een tegenstrijdigheid bevat in zijn motieven, is niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
3. Derde onderdeel
Een fout geeft krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek slechts aanleiding tot schadevergoeding wanneer de aangevoerde schade in oorzakelijk verband staat tot de aangevoerde fout.
Een fout krachtens de equivalentieleer oorzaak is van de schade wanneer de schade, zoals zij zich in concreto voordeed, zich niet zou hebben voorgedaan zonder de fout. Er bestaat geen oorzakelijk verband tussen de fout en de schade wanneer de schade, zoals deze zich in concreto voordeed, zich ook zou hebben voorgedaan zonder de fout. Het bestaan van het oorzakelijk verband wordt aldus getoetst door het foutief aspect van de schadeverwekkende handeling te vervangen door haar rechtmatige versie zonder de concrete omstandigheden van het schadegebeuren te wijzigen.
Het oorzakelijk verband tussen het opmaken van of deelnemen aan een valse akte en de schade ontbreekt bijgevolg indien de schade zich ook zou hebben voorgedaan zonder de valse akte, dit is bij afwezigheid van akte, of hoogstens in aanwezigheid van de door de valse akte vermomde akte.
Het bestreden arrest stelt met betrekking tot de fout van eiser vast dat deze erin bestond deelgenomen te hebben aan een valsheid erin bestaande een kapitaalsverhoging door inbreng in geld te hebben voorgewend terwijl er nooit een daadwerkelijke inbreng is geweest (p. 18, derde alinea en laatste alinea en p. 19, tweede alinea, laatste zin) en dit onder meer ter vermomming van een kapitaalsverhoging door inbreng van een (waardeloze) schuldvordering (p. 18, vierde alinea).
Het bestreden arrest stelt met betrekking tot de schade vast dat deze bestaat in het feit dat het actief van de vennootschappen niet werd verhoogd en dat zij dient bepaald op het bedrag aan speciën dat volgens de akten van kapitaalsverhoging zou zijn ingebracht (p. 15, laatste alinea-p. 16, eerste alinea en p.
17, tweede alinea en p. 20, eerste alinea).
Het bestreden arrest gaat bij de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen deze fout en de aangevoerde schade na welke de actief-toestand van de vennootschappen zou zijn geweest indien de kapitaalsverhogingen door inbreng in geld echt en niet vals waren geweest en aldus als rechtmatig alternatief de hypothese in aanmerking neemt van een effectieve kapitaalsverhoging door inbreng in geld en niet de hypothese dat er geen kapitaalsverhoging is doorgevoerd of hoogstens dat er een kapitaalsverhoging door inbreng van een (waardeloze) schuldvordering is gebeurd. Het arrest had in laatstvermelde hypothese moeten vaststellen dat het actief van de vennootschappen evenmin zou zijn verhoogd en dus dat de schade zich ook zonder de fout zou hebben voorgedaan.
Het bestreden arrest stelt bijgevolg met miskenning van het oorzakelijkheidsbegrip (de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad van eiser en de niet-verhoging van het actief van de failliete vennootschappen ten belope van 5 miljoen en 28,5 miljoen BEF vast en verklaart de vorderingen van de verweerders strekkende tot betaling van die bedragen gegrond (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
4. Vierde onderdeel
Het is tegenstrijdig en in strijd met het oorzakelijkheidbegrip, enerzijds, te oordelen dat de notariskosten die door de failliete vennootschappen voor het opstellen van de akten van kapitaalsverhoging zijn gemaakt een schadepost uitmaken in oorzakelijk verband met de valsheid en, anderzijds, te oordelen dat de bedragen die volgens de akten van kapitaalsverhoging zouden zijn ingebracht eveneens een schadepost uitmaken in oorzakelijk verband met de valsheid. In het eerste geval wordt immers uitgegaan van onbestaande(nutteloze) aktes en in het tweede geval van bestaande aktes.
Het bestreden arrest is bijgevolg, door tegelijk de notariskosten voor het opstellen van de valse akten van kapitaalsverhoging en de bedragen die in die akten als ingebrachte geldsommen worden vermeld, in aanmerking te nemen als schade in oorzakelijk verband met de door eiser gepleegde fout, tegenstrijdig en is derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en is niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
5. Vijfde onderdeel
Eiser had in zijn synthesebesluiten (op p. 13) de door de verweerders aangevoerde schade bestaande uit de bedragen van de fictief bevonden kapitaalsverhogingen betwist en had hieromtrent onder meer aangevoerd dat de strafrechter de notariskosten als enige vergoedbare schadepost in aanmerking nam (p. 13, tweede alinea) en dat de vordering van de curatoren inzoverre strekkende tot de betaling van de in de akten van kapitaalsverhoging vermelde bedragen van 28.500.000 en 5.000.000 BEF in strijd was met het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter (p. 13, derde alinea). Hij had daaraan toegevoegd dat "indien de schade erin zou bestaan dat de kapitaalsverhoging moet worden volstort, de kosten voor het verlijden van de akten van kapitaalsverhogingen niet nutteloos zouden geweest zijn en geen schadepost zouden vormen" (p. 13, derde alinea, laatste zin).
Het bestreden arrest antwoordt op geen enkele wijze op dit regelmatig voorgedragen verweermiddel van eiser en is derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
V. Beslissing van het Hof
A. In de zaak C.00.0476.N
1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het bestreden arrest, bij de beoordeling van de hoedanigheid en het belang van de verweerders, besluit tot de ontvankelijkheid van hun vorderingen, niet, zoals het onderdeel aanvoert, na als schade de enkele niet-vermeerdering van het actief te hebben vastgesteld, doch op grond dat zij over het nodige belang en de nodige hoedanigheid beschikken om een vordering in te stellen, gesteund op de vermelding in hun dagvaardingen "dat 'het actief van het faillissement aldus werd verminderd met (...)'" en de reden dat ze "hoe dan ook (daarover beschikken) om schadevergoeding te benaarstigen voor elke fout die het actief heeft aangetast" ;
Dat het onderdeel in zoverre berust op een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist ;
Overwegende dat de algemene opdracht van de curator erin bestaat de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen ;
Dat, wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uitoefent ;
Dat gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers de rechten zijn die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd of het actief wordt verminderd ;
Dat een dergelijke schade ook kan ontstaan wanneer door de fout van een derde, het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel ;
Dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan het rechtmatig vertrouwen van de schuldeisers nopens de omvang van hun verhaalsrechten op het vermogen van de failliet ;
Dat de curator rechtens bevoegd is om voor de vergoeding van die schade op te komen ;
Overwegende dat de appèlrechters, wat de gegrondheid van de vorderingen van de verweerders betreft, vaststellen dat door het plegen van strafbare feiten "een kapitaalsverhoging door inbreng in geld is voorgewend, terwijl er in werkelijkheid geen kapitaalsverhoging is gerealiseerd" ; dat zij oordelen dat zonder deze fout "in het actief effectief 28,5 miljoen BEF respectievelijk 5 miljoen BEF meer aanwezig (zou) zijn geweest" derwijze dat hierdoor de schade van de boedel "gelijk is aan het bedrag aan speciën dat valselijk voorgewend werd als dusdanig ingebracht te zijn" zodat de verweerders gerechtigd zijn om hiervoor schadevergoeding te vorderen ;
Dat de appèlrechters door aldus te oordelen hun beslissing naar recht verantwoorden ;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het onderdeel in werkelijkheid geen feitelijke tegenstrijdigheid maar een onwettigheid aanvoert ;
Dat het onderdeel dat alleen artikel 149 van de Grondwet als geschonden aanwijst, niet ontvankelijk is ;
3. Derde onderdeel
Overwegende dat de appèlrechters niet de beslissing tot kapitaalsverhoging als onrechtmatig bestempelen, maar het feit dat de kapitaalsverhogingen niet gepaard gingen met "een effectieve geldinbreng" en de afwezigheid van effectieve inbreng beschouwen als enige oorzaak van de schade ;
Dat het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, feitelijke grondslag mist ;
4. Vierde onderdeel
Overwegende dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appèlrechters hebben geoordeeld dat de akten nutteloos of "onbestaande" zouden zijn, berust op een onjuiste lezing van het arrest ;
Dat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat ;
Dat het onderdeel voor het overige afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
5. Vijfde onderdeel
Overwegende dat het onderdeel in zoverre het ervan uitgaat dat de appèlrechters de eiseres en de beide in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen veroordelen tot de volstorting van de kapitaalsverhoging, berust op een onjuiste lezing van het arrest ;
Overwegende verder dat de appèlrechters de vergoeding van de schade ten gevolge van het geveinsd karakter van de kapitaalsverhogingen steunen op de in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten redengeving ;
dat zij de notariskosten met betrekking tot het opstellen van de akten van kapitaalsverhoging als vergoedbare schade aanmerken om reden dat "waar deze akten ter zake van dergelijke effectieve inbreng van geld vals blijken te zijn, zij alsdusdanig van generlei waarde (zijn) en de ervoor gemaakte kosten nutteloos (zijn) geweest" ;
Dat zij aldus hun beslissing met redenen omkleden en het bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
6. Vordering tot bindendverklaring
Overwegende dat gelet op de verwerping van de voorziening de vordering tot bindendverklaring geen bestaansreden meer heeft ;
B. In de zaak C.00.0477.N
Overwegende dat om de redenen vermeld in het antwoord op de voorziening C.00.0476.N het cassatieberoep en vordering tot bindendverklaring moeten worden verworpen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Voegt de zaken C.00.0476.N en C.00.0477.N samen ;
Verwerpt de voorzieningen en de vorderingen tot bindendverklaring ;
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorziening.
De kosten in de zaak C.00.0476.N begroot op de som van duizend eenennegentig euro achtentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd tweeënzeventig euro vierendertig cent jegens de verwerende partijen.
De kosten in de zaak C.00.0477.N begroot op de som van duizend negenendertig euro tweeënzestig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd tweeënzeventig euro vierendertig cent jegens de verwerende partijen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend en twee uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.