Hof van Cassatie: Arrest van 27 Februari 2018 (België). RG P.17.1074.N
Summary :
Samenvatting 1
Arrêt :
Nr. P.17.1074.N
J P A V,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Nicolaas Vinckier, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8800 Roeselare, Hoogleedsesteenweg 7, waar de eiser woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 4 oktober 2017.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Advocaat-generaal Luc Decreus heeft op de 12 februari 2018 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie neergelegd.
Op de rechtszitting van 27 februari 2018 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 2 Elfde Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 187, § 6, 1°, en 208 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers verzet ten onrechte ongedaan; het verwerpt ten onrechte eisers aanvoering dat hij misschien wel nalatig is geweest in het niet contacteren van zijn raadsman of de griffie, maar hij niettemin steeds de bedoeling heeft gehad om aan het proces op tegenspraak deel te nemen, hij er rechtmatig op vertrouwde dat zijn raadsman hem op de hoogte zou brengen van de rechtszitting waarop de zaak zou worden behandeld en er geen rekening mee hield dat deze de zaak zou vergeten, zodat hij duidelijk ongelukkig en te goeder trouw was; overmacht en wettige reden van verschoning zijn geen identieke be-grippen; een eigen nalatigheid sluit niet noodzakelijk een wettige reden van ver-schoning uit; er is sprake van wettige reden van verschoning in alle gevallen waarin een beklaagde afwezig was op de verstekzitting en het niet is aangetoond dat hij afstand wilde doen van zijn recht om aanwezig te zijn of hij zich wilde ont-trekken aan het optreden van justitie; het arrest beantwoordt eisers aanvoering op dit punt niet; het arrest stelt enkel vast dat er geen overmacht is en het besluit daaruit meteen en zonder enige bijkomende overweging tot de afwezigheid van een wettige reden van verschoning; het arrest kan weliswaar oordelen dat er geen overmacht is, maar niet dat er geen wettige reden van verschoning is indien het niet uitsluit dat hij de intentie had om deel te nemen aan het debat en zijn afwe-zigheid mogelijk ongelukkig en te goeder trouw was.
2. Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, de mogelijkheid moet hebben om de zaak opnieuw en ditmaal in haar aanwezigheid te laten beoordelen, tenzij vaststaat dat zij heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of zij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht.
3. Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waar-bij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
4. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de mis-bruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5. Uit diezelfde wetsgeschiedenis en de voormelde door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip "wettige reden van verschoning" die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht. Die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende par-tij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is ko-men opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en vol-doende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.
6. De enkele omstandigheid dat de afwezigheid van de verzetdoende partij aan haar eigen nalatigheid is te wijten, sluit het voorhanden zijn van een wettige reden van verschoning in de zin van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering niet uit.
7. De verzetdoende partij moet de aangevoerde wettige reden van verschoning niet bewijzen maar wel aannemelijk maken en het staat aan de rechter onaantast-baar te oordelen of de aangevoerde reden beantwoordt aan het begrip "wettige re-den van verschoning", zoals hierboven omschreven. Het Hof gaat slechts na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
8. Het arrest dat de door de eiser aangevoerde grond van wettige verschoning verwerpt op de enkele vaststelling dat hijzelf nalatig is geweest, verantwoordt die beslissing en de ongedaanverklaring van het verzet niet naar recht.
Het middel is in zoverre gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het betrekking heeft op de beslissing op de strafvordering.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwij-zing.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 27 februari 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
V. Kosynsky E. Francis A. Lievens
A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei