Hof van Cassatie: Arrest van 28 Mei 2015 (België). RG C.14.0513.F
Summary :
Wanneer de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging bepaalde en daartoe de door de partijen afgesproken termijnen in een beschikking bekrachtigde en de conclusietermijnen niet werden nageleefd, kan de rechter de conclusies slechts uit de debatten weren als aan minstens één van de in artikel 747, §2, zesde lid bepaalde voorwaarden voldaan wordt; bijgevolg kunnen de conclusies die binnen de bepaalde termijn ter griffie worden neergelegd, slechts uit de debatten worden geweerd als zij na het verstrijken van die termijn aan de tegenpartij gezonden werden.
Arrêt :
Nr. C.14.0413.F
1. G. d. l. M. A. C.,
2. J. M. M. M. V.,
Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
B. M.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 6 mei 2014.
Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren drie middelen aan, waarvan het eerste luidt als volgt:
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 747, §§ 1 en 2, in het bijzonder zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het bestreden vonnis weert de syntheseconclusies die de eisers op 21 februari 2014 neerlegden, uit het debat en veroordeelt hen zoals vermeld in het dictum.
Het bestreden vonnis steunt zijn beslissing om voormelde conclusie te weren op de volgende reden:
"[De verweerster] vordert het weren van de syntheseconclusie die door [de eiseres] en [de eiser] op 21 februari 2014 op de griffie van de rechtbank werd neergelegd.
In zoverre die conclusie niet medegedeeld werd aan de raadsman van [de verweerster] binnen [de] termijnen die de rechtbank in zijn beschikking van 16 december 2013 op grond van artikel 747, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek voor de uitwisseling van de conclusies tussen de partijen oplegde, hoewel de beschikking dat uitdrukkelijk bepaalde, dient ze uit het debat geweerd te worden".
Grieven
1. Luidens artikel 747, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek "worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit het debat geweerd, onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen".
Die tekst, die afkomstig is uit de wet van 26 april 2007, moet strikt worden geïnterpreteerd.
Om aan dat artikel te voldoen, volstaat het dat de conclusies verzonden worden binnen de termijn die voorgeschreven wordt door de beschikking die genomen wordt op basis van artikel 747, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek zonder dat die conclusies ook aan de tegenpartij medegedeeld moeten zijn, dat wil zeggen dat zij die ontvangen heeft.
Het is trouwens vanwege die wetswijziging dat artikel 745, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek opgeheven werd door de wet van 26 april 2007. Dat artikel bepaalde dat "de overlegging van de conclusies geacht wordt verricht te zijn vijf dagen na de toezending".
2. Daaruit volgt dat, door de syntheseconclusies [van de eisers] die op 21 februari 2014 neergelegd werd, te weren omdat ze niet binnen de voorgeschreven termijn medegedeeld werd en niet omdat ze niet binnen die termijn verzonden werd, het bestreden vonnis artikel 747, in het bijzonder § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt.
Althans laat het bestreden vonnis in het ongewisse of het nu beslist dat de conclusie van de eiseres die op 21 februari 2014 werd neergelegd, niet binnen de voorgeschreven termijn werd verzonden - wat overeenkomstig artikel 747, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek zou zijn - of dat die conclusie niet binnen die termijn werd medegedeeld - wat in strijd zou zijn met bovengenoemd artikel 747, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Vanwege die dubbelzinnigheid is het bestreden vonnis bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Krachtens artikel 747, § 1, Gerechtelijk Wetboek kunnen de partijen op de inlei-dingszitting en op elke latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken. De rechter neemt akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaalt de rechts-dag overeenkomstig § 2, derde lid; de beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld.
Volgens artikel 747, § 2, derde lid, bepaalt de rechter, uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, de procedureagenda, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen.
Luidens artikel 747, § 2, zesde lid, eerste zin, onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit het debat geweerd.
Uit die bepalingen volgt dat, wanneer de rechter de procedureagenda bepaalde en daartoe de door de partijen afgesproken termijnen in een beschikking bekrachtigde en de conclusietermijnen niet werden nageleefd, de rechter de conclusies slechts uit het debat kan weren als aan minstens één van de in artikel 747, § 2, zesde lid bepaalde voorwaarden voldaan is.
Bijgevolg kunnen de conclusies die binnen de vastgestelde termijn ter griffie wor-den neergelegd, slechts uit het debat worden geweerd als ze na het verstrijken van die termijn aan de tegenpartij gezonden werden.
Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de partijen op de zitting van 16 de-cember 2013 een procedureagenda overeengekomen zijn met toepassing van arti-kel 747, § 1, Gerechtelijk Wetboek. Die agenda bepaalde met name dat de eisers zich ertoe verbonden om "hun conclusies mee te delen en neer te leggen volgens de procedureaganda", dat ze hun "bijkomende conclusies die de vorm aannemen van syntheseconclusies ten laatste op 21 februari 2014" moesten opstellen en dat de rechtbank akte had genomen van die agenda in een beschikking van dezelfde dag met toepassing van die bepaling.
Het bestreden vonnis, dat de syntheseconclusie van de eisers die op 21 februari 2014 werd neergelegd op de griffie van de rechtbank, weert omdat ze niet "mede-gedeeld" werden aan de raadsman van de verweerster binnen de termijn die de rechtbank vaststelde in zijn beschikking op basis van artikel 747, § 1, Gerechtelijk Wetboek, zonder te onderzoeken op welke datum ze hem werden verzonden, schendt die bepaling alsook artikel 747, § 2, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek.
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant, zitting houdend in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 28 mei 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.
De griffier, De afdelingsvoorzitter,