Hof van Cassatie: Arrest van 28 November 2002 (België)

Date :
28-11-2002
Language :
French Dutch
Size :
5 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20021128-9
Role number :

Summary :

De in een verzekeringsovereenkomst vastgelegde verplichting tot betaling van een vergoeding, die volgens de regels van het gemeen recht moet wordt berekend, is een verplichting die, in de zin van art. 1153 B.W. beperkt is tot de betaling van een bepaald bedrag (1). (1) Het O.M. had besloten dat het middel niet-ontvankelijk was wegens het gebrek aan belang ervan. Het middel komt immers niet tegen de overwegingen van het bestreden arrest waarin het bestaan van een contractuele fout in aanmerking wordt genomen, en die de toepassing van de compensatoire interest verantwoorden.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Nr. C.01.0076.F.-
1. C. N.,
Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
AXA ROYALE BELGE, N.V.,
Mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie,
ten aanzien van
1. R. E.,
2. NATIONALE SUISSE ASSURANCES, N.V.
Mr.Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie,
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 februari 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Philippe Echement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier de Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiser voert twee middelen aan.
Zij zijn als volgt gesteld :
1. Eerste middel
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 1134, 1135, 1146, 1147, 1153, eerste, tweede en derde lid, 1254, 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek .
Aangevochten beslissingen en redenen
Het bestreden arrest beantwoordt de conclusie van de eisers die erop wezen dat verweerster zich bij overeenkomst ertoe had verbonden hen binnen drie maanden te vergoeden bij overlijden ten gevolge van een ongeval (verkeersongeval) van hun echtgenoot en vader, H. S. en die, bijgevolg, aanvoerden dat moratoire interest verschuldigd was op het saldo van de vergoeding waarop zij recht hadden sinds de ingebrekestelling op 31 augustus 1993 en dat met name het voorschot van 3.000.000 BEF dat verweerster in juni 1992 had betaald overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek op de interest diende te worden verrekend, door te zeggen :
"dat te dezen de vergoeding wegens wanuitvoering van de overeenkomst een waardeschuld is waarvan het bedrag door de rechter moet worden geraamd ;
dat interest compensatoir is als hij de vertraging in de betaling van een waardeschuld vergoedt, of de schade nu voortvloeit uit een contractuele of buiten-contractuele fout ;
dat de rentevoet en het vertrekpunt van de compensatoire interest door de feitenrechter op onaantastbare wijze worden vastgesteld ;
dat de betaalde provisionele vergoeding een gekende uitbetaling is die betrekking heeft op bedragen die wettelijke interest kunnen opbrengen ; dat de kredietinterest die op die vergoedingen zijn berekend bijgevolg tegen de wettelijke rentevoet moeten worden berekend ;
dat de moratoire interest, die pas op de dag van de uitspraak van de beslissing is verschuldigd, eveneens wordt vastgesteld tegen de wettelijke rentevoet zoals die op de dag van de uitspraak van het arrest van kracht is ;
Wat betreft de verrekening van de provisie van 3.000.000 BEF die op 3 juli 1992 is betaald :
dat de compensatoire interest die strekt tot vergoeding van de schade ten gevolge van de uitgestelde betaling van de vergoeding waarop de (eisers) op de datum van de schade recht hadden, wezenlijk deel uitmaakt van de schadevergoeding die tot herstel van de schade is toegekend, waarbij de schade, volgens de eigen bewoordingen van de overeenkomst, volgens de regels van het Belgische gemeen recht wordt vastgesteld ;
dat de verrekening op de compensatoire interest met toepassing van de regels die zijn vastgelegd in artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, van betalingen die zijn gedaan om de schade te herstellen zou leiden tot herstel van onbestaande schade ; dat het arrest, door te beslissen dat de provisionele vergoeding die tot herstel van de schade is betaald, eerst op de interest moet worden verrekend, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek zou schenden ;
Grieven
Volgens hun dagvaarding en conclusie maken de eisers jegens verweerster aanspraak op het voordeel van de verzekeringspolis, dat hen toekomt wegens het overlijden van hun echtgenoot en vader H. S. en op de moratoire interest sedert 31 augustus 1993 omdat zij niet binnen de overeengekomen termijn zijn vergoed (zie de uiteenzetting van "het voorwerp van de rechtsvordering" in het vonnis van 2 oktober 1996 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik waarnaar het bestreden arrest verwijst).
Artikel 1 van de algemene voorwaarden, titel V, "veiligheid van de bestuurder" van de polis "Motorrijtuigenverzekering BA" die wijlen H. S. bij verweerster heeft afgesloten, bepaalde :
"Bij verkeersongeval, ongeacht de aansprakelijkheid, zal (verweerster), althans bij wijze van voorschot, binnen drie maanden de schade van de verzekerde personen vergoeden, zoals die is berekend volgens de regels van het Belgische gemene recht, na aftrek van de vergoedingen die derde-betalers hebben betaald".
Uit die bepaling volgt dat de rechtsgrond van de vergoeding en van de door de eisers gevorderde moratoire interest niet de fout was die dader van het ongeval heeft begaan (artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek), en evenmin, zoals het arrest ten onrechte aanneemt, de wanuitvoering of meer bepaald de laattijdige uitvoering van de overeenkomst (artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek), maar alleen de contractuele verbintenis van verweerster om de verzekerde personen binnen drie maanden na het ongeval te vergoeden "ongeacht de aansprakelijkheid".
Die verbintenis is een verbintenis tot het betalen van een bepaalde geldsom in de zin van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien verweerster zich van bij de aanvang ertoe heeft verbonden na vaststelling van de schade van de verzekerde personen een vergoeding te betalen.
Wanneer de oorspronkelijke verbintenis op zich een geldsom betreft, kan er geen sprake zijn van een compensatoire schadevergoeding; er kan alleen sprake zijn van moratoire intrest omdat de gedwongen tenuitvoerlegging wegens de aard van de verbintenis zelf steeds uit een geldsom zal bestaan.
Het feit dat de vergoeding waarop de eisers recht hebben niet forfaitair is vastgesteld maar moet worden bepaald op grond van de werkelijk geleden schade en de omstandigheid dat de vergoedingen door de rechter "overeenkomstig de regels van het Belgisch gemeen recht" moeten worden vastgesteld, staan niet eraan in de weg dat de verbintenis van verweerster om de eisers te vergoeden een sommenverbintenis blijft die contractueel binnen drie maanden na het ongeval moet worden uitgevoerd en waarop bijgevolg de artikelen 1153 en 1254 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.
Ingevolge artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek is, inzake verbintenissen die zoals te dezen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de moratoire interest verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, zonder dat de schuldeiser enig verlies dient aan te tonen.
Artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de betaling die de schuldenaar heeft gedaan maar waarmee niet de gehele schuld is gekweten in de eerste plaats op de interesten wordt toegerekend.
Daaruit volgt dat het arrest dat om de voormelde redenen weigert de eisers moratoire intrest toe te kennen vanaf de ingebrekestelling op 31 augustus 1993 en de provisie van 3.000.000 BEF die in juni 1992 is betaald, en eventueel ook het "kapitaal OMOB" (6.745.000 BEF) dat op hetzelfde tijdstip is gevormd, bij voorrang op die interest te verrekenen, het wettelijk begrip sommenverbintenis miskent, de begrippen compensatoire en moratoire interest op onwettige wijze verwart en de voormelde regel dat elke gedeeltelijke betaling in de eerste plaats op de interesten wordt verrekend niet heeft nageleefd.
Het arrest schendt bijgevolg de voormelde artikelen 1153, eerste tot derde lid, en 1254 en ook de artikelen 1146, 1147, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het die laatste artikelen verkeerd toepast.
Aangezien het arrest weigert de eisers moratoire interest toe te kennen en de betaalde voorschotten op die interest te verrekenen, zonder acht te slaan op de contractuele verbintenis van verweerster om de verzekerde personen binnen een termijn van drie maanden na het ongeval te vergoeden, miskent het bovendien de verbindende kracht van de litigieuze verzekeringspolis (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek).
Het arrest dat oordeelt dat de eisers "de vergoeding voor wanuitvoering van de overeenkomst" zouden vragen en dat verweersters schuld bijgevolg een waardeschuld is terwijl volgens de eigen bewoordingen van de dagvaarding en van de conclusie van de eisers, "de rechtsvordering van de (eisers) niet strekt tot betaling van een vergoeding die bij equivalent de gevolgen van wanuitvoering compenseert, maar de uitvoering in natura beoogt van de verzekeringsprestatie waartoe de verzekeringsmaatschappij zich heeft verbonden", met name (voornoemd artikel 1 van de algemene voorwaarden van de polis) de vergoeding van de schade ten gevolge van het overlijden door een ongeval van H. S., miskent aldus de bewijskracht van die conclusie en van die dagvaarding en van de bewoordingen van voormeld artikel 1 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek)
2. Tweede middel
Geschonden wetsbepalingen
- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ;
- algemeen rechtsbeginsel "beschikkingsbeginsel" genaamd krachtens hetwelk de rechter in burgerlijke zaken geen geschil kan opwerpen dat de partijen niet bij conclusie bij hem aanhangig hebben gemaakt en geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest trekt de "kredietinterest betreffende het OMOB-kapitaal" af van het bedrag van 3.625.527 BEF en van de interest die de eisers toekomt.
Grieven
In hun conclusies hebben noch verweerster, noch de eisers, noch OMOB, die trouwens door het arrest buiten de zaak wordt gesteld, betoogd dat het door OMOB samengestelde kapitaal (6.645.000 BEF) interest had opgebracht ten voordele van de eisers en dat die interest van het saldo van de hen nog verschuldigde vergoeding diende te worden afgetrokken.
Verweerster vroeg meer bepaald alleen dat het vergoedend "kapitaal" van OMOB zou worden afgetrokken van het eventueel door haar verschuldigde saldo, zonder gewag te maken van "kredietinterest op het OMOB-kapitaal".
Daaruit volgt dat het arrest, dat verweerster veroordeelt tot betaling van het bedrag van 3.625.527 BEF vermeerderd met de interest aan de eisers, "met aftrek van de kredietrente betreffende het OMOB-kapitaal", uitspraak doet over een niet gevorderde zaak en bijgevolg artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt en het in de aanhef van het middel vermelde rechtsbeginsel miskent.
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste middel
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is zonder belang ;
Overwegende dat uit de grond van niet-ontvankelijkheid zelf volgt dat het middel bij gebrek aan voorwerp zonder belang zou zijn, "als er geen voorschotten zouden zijn betaald" ;
Overwegende dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen omdat er voorschotten zijn betaald ;
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijk-heid : het middel is zonder belang omdat het opkomt tegen een ten overvloede gegeven reden van het arrest :
Overwegende dat het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan gescheiden worden van het onderzoek ten gronde van het middel ;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ;
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het middel is vaag :
Overwegende dat het middel aangeeft welke overweging van het arrest de bewijskracht van de bedoelde stukken zou hebben miskend en verduidelijkt waarin de bewijskracht van die stukken zou zijn miskend ;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ;
Overwegende dat de eisers voor het hof van beroep niet hebben gevorderd dat het door OMOB betaalde kapitaal bij voorrang zou worden verrekend op de door verweerster verschuldigde interest ;
Dat het middel, in zoverre het opkomt tegen de verrekening van dat kapitaal, nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat het arrest, voor het overige, met verwijzing naar het beroepen vonnis, vaststelt dat de eisers van verweerster "het voordeel van (de) verzekeringspolis vorderden waarop zij ten gevolge van het overlijden van hun echtgenoot en vader, H. S., recht zouden hebben", en tevens de interest berekend tegen de wettelijke rentevoet sinds 31 augustus 1993 ;
Dat de eisers, benevens de vergoedingen die krachtens de overeenkomst verschuldigd zijn, in hun appèlconclusie met toepassing van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, moratoriuminterest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de ingebrekestelling op 31 augustus 1993 vorderden, als vergoeding voor de schade die zij hebben geleden omdat die vergoeding te laat is betaald ;
Overwegende dat naar luid van artikel 1, van titel V, "veiligheid van de bestuurder" van de bij verweerster afgesloten polis, die regelmatig bij het verzoekschrift tot cassatie is gevoegd, "bij verkeersongeval, ongeacht de aansprakelijkheid, zal (verweerster), althans bij wijze van voorschot, binnen drie maanden de schade van de verzekerde personen vergoeden, zoals die is berekend volgens de regels van het Belgische gemene recht, na aftrek van de vergoedingen die derde-betalers hebben betaald" ;
Overwegende dat de verbintenis van verweerster om de in de verzekeringsovereenkomst bepaalde vergoeding te betalen een verbintenis is die, in de zin van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, alleen betrekking heeft op het betalen van een bepaalde geldsom; dat de uitvoering in natura van een dergelijke verbintenis altijd mogelijk blijft ;
Dat krachtens dat artikel de schadevergoeding voor vertraging in de uitvoering in de regel bestaat in de wettelijke interest die vanaf de ingebrekestelling is verschuldigd ;
Dat die interest moratoir en niet compensatoir is ;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat de door verweerster verschuldigde vergoeding "te dezen (een) vergoeding is die verschuldigd is voor de wanuitvoering van de overeenkomst (en) een waardeschuld uitmaakt ; (...) dat de interest (die op die vergoeding is verschuldigd) compensatoire interest is" waarvan "de rentevoet en het vertrekpunt (...) op onaantastbare wijze door de bodemrechter worden vastgesteld ; (...) dat de compensatoire interest (...) onlosmakelijk behoort tot de schadevergoeding die tot herstel van de schade wordt toegekend" ;
Dat het arrest, op grond van die overwegingen, beslist de eisers compensatoire interest toe te kennen vanaf een andere datum dan die van de ingebrekestelling en tot de uitspraak van de beslissing, en weigert artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek toe te passen ;
Dat het arrest, door aldus uitspraak te doen, de artikelen 1153 en 1254 van het Burgerlijk Wetboek schendt ;
Dat het middel in die mate gegrond is ;
2. Tweede middel
Overwegende dat de eisers hebben gevraagd dat verweerster ertoe zou worden veroordeeld hen de bij de verzekeringsovereenkomst bepaalde vergoeding vermeerderd met de wettelijke interest vanaf de ingebrekestelling te betalen ;
Overwegende dat verweerster zich verzette tegen elke betaling boven die welke zij en OMOB reeds hadden gedaan ;
Overwegende dat het hof van beroep door de door die bedragen voortgebrachte interest af te trekken van de hoofdsom en van de interest waartoe het verweerster heeft veroordeeld, geen uitspraak heeft gedaan over een niet gevorderde zaak ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de door de eisers gevorderde interest en over de verrekening van het door verweerster betaalde voorschot ;
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Verklaart het arrest bindend voor de daartoe opgeroepen partijen ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, de raadsheren Frédéric Close, Didier Batselé, Daniel Plas en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend en twee uitgesproken door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,