Hof van Cassatie: Arrest van 29 April 1993 (België). RG 9550

Date :
29-04-1993
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19930429-10
Role number :
9550

Summary :

Wanneer het vaderschap niet wordt betwist, zodat voor de erkenning van een kind van minder dan vijftien jaar door zijn vader de toestemming van zijn moeder niet is vereist, hoeft de rechter geen uitspraak te doen over het belang van het kind.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 10 december 1991 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 319, alinéa 3, en 331sexies van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest voor recht zegt dat er geen grond meer bestaat tot toepassing van artikel 319, alinéa 3, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het de ontvankelijkheid van de erkenning van een minderjarig, niet ontvoogd kind door de man wiens vaderschap niet wordt betwist, afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van de moeder; hieruit afleidt dat de vraag of de minderjarige van minder dan 15 jaar in het geding moet worden betrokken geen bestaansreden meer heeft, dat het, zonder bijgevolg de vraag van de vertegenwoordiging of de vraag van de belangen van het minderjarig kind bij de erkenning te hebben beslecht, de ambtenaar van de burgerlijke stand of de notaris machtigt om van die erkenning akte te nemen,
terwijl, eerste onderdeel, de moeder in de procedure van artikel 319, alinéa 3, van het Burgerlijk Wetboek niet alleen haar eigen belangen, doch ook die van de minderjarige van minder dan 15 jaar vertegenwoordigt; uit het feit dat zij als moeder niet meer in de erkenning hoeft toe te stemmen niet noodzakelijk volgt dat de rechtbank niet tot opdracht zou hebben om, in het belang van het kind, de wenselijkheid van de erkenning te beslechten, nu de wet haar die opdracht ook toevertrouwt voor de minderjarigen van meer dan 15 jaar; het arrest derhalve, nu het enkel de ambtenaar van de burgerlijke stand of de notaris machtigt om akte te nemen van die erkenning, zonder uitspraak te doen over de belangen van het kind, artikel 319, alinéa 3, van het Burgerlijk Wetboek schendt;
tweede onderdeel, krachtens artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek, onverminderd het feit dat de minderjarige die de volle leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt zelf tussenkomt in de procedure van artikel 319, alinéa 3, de niet ontvoogde minderjarige in gedingen betreffende zijn afstamming, als verweerder wordt vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger en, indien er tegenstrijdigheid van belangen is, door een voogd ad hoc aangewezen door de voorzitter van de rechtbank op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings; het geding dat voor de rechtbank van eerste aanleg wordt gevoerd op grond van artikel 319, alinéa 3, derde en vierde lid, een geding betreffende de afstamming is vereist dat de minderjarige in het geding wordt vertegenwoordigd en dat zijn vertegenwoordiger in voorkomend geval het vaderschap van de eiser tot erkenning kan betwisten; het arrest derhalve, door te beslissen dat de vraag van de vertegenwoordiging van de minderjarige geen bestaansreden heeft en door bijgevolg uitspraak te doen zonder het te hebben beslecht, die wetsbepalingen schendt;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek enkel de vertegenwoordiging van de onbekwamen, als eisers of als verweerders, in de gedingen betreffende hun afstamming regelt;
Overwegende dat het kind van minder dan vijftien jaar geen partij is in het geding bedoeld in artikel 319, alinéa 3, van het Burgerlijk Wetboek en noch als eiser noch als verweerder optreedt;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat, wat de kinderen van minder dan vijftien jaar betreft, de in artikel 319, alinéa 3, derde en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek omschreven procedure enkel tot doel heeft de erkenning van vaderschap mogelijk te maken, als de bij het eerste lid van die bepaling vereiste voorafgaande toestemming van de moeder ontbreekt;
Overwegende dat de rechter over de erkenning van een kind door diens vader, met inachtneming van het belang van het kind, enkel uitspraak hoeft te doen in het geval dat de voorafgaande toestemming van de moeder wordt vereist doch geweigerd wordt;
Overwegende dat het bestreden arrest, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, beslist dat ingevolge het arrest van 21 december 1990 van het Arbitragehof "er geen grond meer bestaat tot toepassing van artikel 319, alinéa 3, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het de ontvankelijkheid van de erkenning van een minderjarig, niet-ontvoogd kind door de man wiens vaderschap niet is betwist afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van de moeder";
Dat het arrest vaststelt dat het vaderschap van verweerder niet wordt betwist;
Dat het hof van beroep, na aldus te hebben overwogen dat de erkenning van het kind door verweerder niet onderworpen was aan de voorafgaande toestemming van eiseres, zich van elke uitspraak over het belang van het kind heeft kunnen onthouden zonder artikel 319, alinéa 3, van het Burgerlijk Wetboek te schenden;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres in de kosten.