Hof van Cassatie: Arrest van 29 Augustus 1995 (België). RG P950864F

Date :
29-08-1995
Language :
French Dutch
Size :
4 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19950829-2
Role number :
P950864F

Summary :

De omstandigheid dat een paar Engelse woorden uit de processtukken letterlijk zijn overgenomen in een arrest dat gesteld is in het Frans, taal van de rechtspleging, doet geen afbreuk aan de eentaligheid van het arrest. (Eerste zaak).

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 29 juni 1995 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1319,1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 11, 13, 24, 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, en 9 (b) (1) van de federale reglementering van de Verenigde Staten van Amerika inzake strafrechtspleging,
doordat het arrest het hoger beroep ongegrond verklaart dat eiser heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van het op 28 december 1994 door Franck Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de Verenigde Staten, uitgevaardigde aanhoudingsbevel; dat het arrest het verweermiddel van eiser ten betoge dat de uitleveringsvoorwaarden niet vervuld zijn en, meer bepaald, dat de titel van aanhouding niet beantwoordt aan de vereisten van de wet van 15 maart 1874 afwijst op grond "dat de verdediging in strijd met de gegevens van het dossier de bevoegdheden betwist van 'Deputy Clerck' Dello Russo, nu ondanks de bij de vertaling gerezen moeilijkheden vaststaat dat hij een 'warrant for the arrest' heeft uitgevaardigd, dat is een werkelijke titel van aanhouding conform Regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging, op grond waarvan een dergelijke overheidsinstantie, handelend in haar officiële hoedanigheid van rechterlijk orgaan, gemachtigd is zodanige titel te verlenen, en nu geenszins is aangetoond dat die titel achteraf ongeldig zou geworden zijn",
terwijl, eerste onderdeel, krachtens de artikelen 11, 13 en 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de taal van de rechtspleging het Frans is, en het arrest dus volledig in het Frans moest worden gesteld; het arrest, nu het vermeldingen of passages overnam uit een verantwoordingsstuk, dat in een andere taal dan die van de rechtspleging was gesteld, verplicht was de vertaling of de zakelijke inhoud van dat stuk weer te geven in de taal van de rechtspleging, wanneer zulks is vereist voor de regelmatigheid van de akte; het arrest gebaseerd is op de inhoud en de betekenis van de begrippen "Deputy Clerck" en "warrant for the arrest" die in het Engels worden aangehaald in de motivering van het arrest; het arrest het begrip "Deputy Clerck" nergens vertaalt en ook de betekenis van dat begrip in het Frans niet weergeeft; het arrest al evenmin het begrip "warrant for the arrest" vertaalt en zich ertoe beperkt de waarde van dat begrip te toetsen aan artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, zonder dat de betekenis ervan weergegeven wordt in de taal van de rechtspleging; nu die grond, ofschoon van essentieel belang, gesteld is in een andere taal dan die van de rechtspleging, de beslissing krachtens artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 nietig is wegens schending van de voormelde artikelen 11, 13 en 24 van die wet;
tweede onderdeel, de uitlevering, krachtens artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 enkel zal toegestaan worden op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend op voorwaarde onder meer dat deze akten uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden; uit de vertaling van het door de Verenigde Staten tot staving van het uitleveringsverzoek overgelegde stuk 3 die,
naar de autoriteiten van de Verenigde Staten hebben verklaard, overeenstemt met de oorspronkelijke, in het Engels gestelde stukken blijkt dat de akte op grond waarvan om de uitlevering is verzocht een bevel tot medebrenging is dat dagtekent van 28 december 1994; een bevel tot medebrenging, dat een met dwang gepaard gaand verzoek is om te verschijnen, in de regel geen voldoende titel voor uitlevering kan zijn ; het bestreden arrest niet vaststelt dat het bevel tot medebrenging in het recht van de verenigde Staten de enige mogelijke titel van voorlopige vrijheidsberoving is; uit regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de verenigde Staten inzake strafrechtspleging trouwens volgt dat het bevel tot medebrenging alleen een bevel is om de daarin aangewezen persoon aan te houden en hem voor de dichtstbijzijnde magistraat te brengen; het bestreden arrest aldus niet wettig kon beslissen dat het bevel tot medebrenging als bedoeld in regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging een akte is met dezelfde kracht als een bevel tot aanhouding, bedoeld om voor uitlevering te worden gebruikt (schending van de artikelen 3 van de uitleveringswet van 15 maart 1874 en 9 (b) (1) van de federale reglementering van de Verenigde Staten inzake strafrechtspleging);
derde onderdeel, in het geval dat het Hof van oordeel zou zijn dat het arrest, al was het impliciet, beslist dat de titel van aanhouding krachtens regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging een bevel tot aanhouding is, het hof van beroep de akte, vervat in stuk 3 van de door de autoriteiten van de Verenigde Staten tot staving van het verzoek om uitlevering overgelegde bescheiden, namelijk het bevel tot medebrenging dd. 28 december 1994, alsook de akte, vervat in stuk 5 van die bescheiden en waarin de inhoud van regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging is overgenomen, uitlegt op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen en de strekking ervan; uit de vertaling van voormeld stuk 3 die, naar de autoriteiten van de verenigde Staten hebben verklaard, overeenstemt met de oorspronkelijke, in het Engels opgemaakte stukken blijkt dat de titel van aanhouding een bevel tot medebrenging is; uit regel 9 (b) (l) van de federale reglementering van de Verenigde Staten inzake strafrechtspleging, waarvan de inhoud is overgenomen in stuk 5 blijkt dat de titel van aanhouding alleen een bevel is om de daarin aangewezen persoon aan te houden en hem voor de dichtstbijzijnde rechter te brengen en dat het derhalve een bevel tot medebrenging is dat geen voldoende titel voor uitlevering kan zijn; het arrest aldus de bewijskracht schendt van de akte, vervat in stuk 3 van de door de autoriteiten van de verenigde Staten tot staving van het uitleveringsverzoek overgelegde bescheiden, namelijk het bevel tot medebrenging dd. 28 december 1994, alsook van de akte, vervat in stuk 5 van die bescheiden en waarin de inhoud van regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging is overgenomen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat de omstandigheid dat een paar Engelse woorden uit de processtukken letterlijk zijn overgenomen in een arrest dat gesteld is in het Frans, geen afbreuk doet aan de eentaligheid van het arrest;
Overwegende dat uit de artikelen 11, 13 en 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken niet blijkt dat de rechter ertoe gehouden is de vertaling of de betekenis van die woorden weer te geven in de taal van de rechtspleging;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
Wat het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat, nu de in het onderdeel bedoelde akten respectievelijk vermelden "Aan iedere marshal van de verenigde Staten en aan iedere gemachtigde ambtenaar van de verenigde Staten : bij deze wordt u het bevel gegeven Panayotis Motsos aan te houden" en dat het bevel "de aanhouding van verweerder (te dezen eiser) moet gelasten", het hof van beroep aan die akten geen uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat krachtens artikel 9 b) (1) van de federale reglementering van de verenigde Staten van Amerika inzake strafrechtspleging, de aangewezen persoon wordt aangehouden ten einde te verschijnen voor de dichtstbijzijnde rechter; dat het in die bepaling bedoelde bevel derhalve dezelfde kracht heeft als het aanhoudingsbevel;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
Over het tweede middel: schending van de artikelen 1319,1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep ongegrond verklaart dat eiser heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik tot uitvoerbaarverklaring van het op 28 december 1994 door Franck Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de Verenigde Staten, uitgevaardigde aanhoudingsbevel; dat het bestreden arrest het verweermiddel van eiser ten betoge dat uitlevering niet mogelijk is wanneer naar de in het uitleveringsverzoek aangegeven feiten een onderzoek is ingesteld in België na uitlokking door de politie, nu daarvoor tot op heden geen procedurereglement bestaat, afwijst op grond "dat de feiten waarvoor de verenigde Staten de uitlevering vragen betrekking hebben op de invoer van heroïne in dat land, wat niet mag worden verward met invoer van heroïne naar België waar hij voor dat feit in verdenking gesteld is; dat dus in die fase van de rechtspleging niet blijkt dat het hier om dezelfde feiten zou gaan, zoals de verdediging beweert",
terwijl het hof van beroep, door aldus te beslissen, enerzijds, de akte houdende het op 23 oktober 1993 door onderzoeksrechter Prignon uitgevaardigde aanhoudingsbevel (welk stuk deel uitmaakt van het door eiser op de terechtzitting van 29 juni 1995 neergelegde dossier en waarvan een eensluidend afschrift bij deze memorie is gevoegd), anderzijds, de akte van beschuldiging dd. 28 december 1994 (stuk 2 van de tot staving van het verzoek om uitlevering overgelegde bescheiden) heeft uitgelegd op een wijze die met de bewoordingen en strekking ervan onverenigbaar zijn; eiser voor het Belgische gerecht ervan wordt verdacht herhaaldelijk of althans vanaf begin 1993 verdovende stoffen, te dezen heroïne, zonder vergunning van de bevoegde minister, in het Rijk te hebben ingevoerd, in zijn bezit te hebben gehad, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft, mits betaling of kosteloos, de motivering van het bevel tot aanhouding uitdrukkelijk vermeldt dat de feiten bestaan in het opzetten van een internationale handel in verdovende middelen; eiser in de akte van beschuldiging dd. 28 december 1994, die is opgemaakt door de districtsrechtbank van de Verenigde Staten voor het district Massachusetts, ervan wordt beschuldigd een complot te hebben beraamd om heroïne in te voeren, nu hij zich verenigd en verstaan heeft met andere personen teneinde een misdrijf te plegen tegen de Verenigde Staten,
namelijk de invoer van een zekere hoeveelheid heroïne vanuit een plaats buiten de Verenigde Staten; die akte van beschuldiging moet worden uitgelegd aan de hand van de door de heer William F. Sinnott tot staving van het uitleveringsverzoek afgelegde verklaring waaraan de akte van beschuldiging is gehecht, alsook aan de hand van de door Daniel Doherty tot staving van het verzoek afgelegde verklaring, die eveneens bij de verklaring van William F. Sinnott is gevoegd; uit die verklaringen blijkt dat de akte van beschuldiging betrekking heeft op dezelfde feiten als die waarvoor het Belgisch gerecht een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd; uit die stukken immers blijkt dat de in de akte van beschuldiging aangewezen feiten betrekking hebben op een vereniging die in België is gevormd om vanuit België heroïne in te voeren in de Verenigde Staten (verklaring van William F. Sinnott, blz. 2 en 7); ongeacht de omschrijvingen die in de verschillende betrokken landen aan de feiten zijn gegeven, de feiten zelf waarop de Belgische rechtspleging betrekking heeft dezelfde zijn als die welke vermeld zijn in de stukken tot staving van het uitleveringsverzoek; het bestreden arrest derhalve, door te beslissen dat het hier niet om dezelfde feiten gaat, de bewijskracht schendt, enerzijds van de akte houdende het op 23 oktober 1993 door onderzoeksrechter Prignon volgens het Belgische recht uitgevaardigd aanhoudingsbevel, anderzijds, van de akte van beschuldiging dd. 28 december 1994 van de districtsrechtbank van Massachusetts (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) :
Overwegende dat de bij de Uitleveringswet van 15 maart 1874 voorgeschreven regels enkel zijn bedoeld om de tenuitvoerlegging mogelijk te maken van de beslissing van een buitenlandse rechter; dat de behandeling van de zaak zelf niet mogelijk is op grond van die regels;
Dat de beslissing om uit te leveren in geen geval toekomt aan de rechterlijke macht en het uitgesloten is dat de rechter, die van de Staat, vertegenwoordigd door de uitvoerende macht, in de bij de wet en het toepasselijke verdrag bepaalde voorwaarden een bevel tot aanhouding ontvangt van een buitenlandse overheid, de uitvoerbaarverklaring ervan zou weigeren om redenen die met de zaak zelf te maken hebben;
Dat derhalve het middel, nu het kritiek oefent op ten overvloede gegeven beschouwingen van het arrest, niet ontvankelijk is;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Volgens het OM is het bevel, bedoelt in art. 9 (b) (1) van de federale reglementering van de Verenigde Staten van Amerika inzake strafrechtspleging, een bevel tot aanhouding in de zin van art. 3, tweede lid, Uitleveringswet en geen akte met dezelfde kracht als een bevel tot aanhouding (zie Cass., 22 april 1974, A.C., 1974, 905).