Hof van Cassatie: Arrest van 29 Augustus 1995 (België). RG P951062F

Date :
29-08-1995
Language :
French Dutch
Size :
6 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19950829-3
Role number :
P951062F

Summary :

Een buitenlands bevel tot medebrenging is in beginsel geen voldoende titel voor een uitleveringsverzoek(1); onder bevel tot medebrenging, in de zin van de Uitleveringswet, moet worden verstaan een injunctie, aan de agenten van de openbare macht gegeven om de erin aangewezen persoon voor een rechter te brengen; dat bevel tot medebrenging gaat evenwel in de regel enkel met dwang gepaard als de persoon weigert gehoor te geven aan de tot hem gerichte injunctie of, na aanstalten te hebben gemaakt om er gevolg aan te geven, poogt te ontvluchten(2). (Impliciet).

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 4 augustus 1995 gewezen door de vakantiekamer van het Hof van Beroep te Luik, dienstdoende als kamer van inbeschuldigingstelling;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, 9 (b) (1) van de federale reglementering van de Verenigde Staten van Amerika inzake strafrechtspleging en 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep ongegrond verklaart dat eiser heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van het op 15 februari 1995 door Franck Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de Verenigde Staten, uitgevaardigde aanhoudingsbevel; dat het bestreden arrest het verweermiddel van eiser ten betoge dat de uitleveringsvoorwaarden niet vervuld zijn en, meer bepaald dat de titel van aanhouding niet beantwoordt aan de vereisten van de wet van 15 maart 1874 afwijst, op grond "dat appellant (eiser tot cassatie) betoogt dat de aangevoerde titel van 15 februari 1995, in strijd met de door de bestreden beschikking overgenomen vermelding, geen aanhoudingsbevel maar een bevel tot medebrenging is; dat uit het op de terechtzitting van 4 augustus 1995 neergelegde stuk blijkt dat de ambassade van de verenigde Staten van Amerika te Brussel bij deze verklaart dat de vertaling van de term 'Warrant of Arrest' in het Engels overeenkomt met de term 'Aanhoudingsbevel' in het Frans. Het betreft hier een titel van vrijheidsberoving of een bevel tot voorlopige aanhouding; dat, hoe dan ook, uit de verklaring van William F. Sinnott blijkt dat hij zich door de griffier van de rechtbank een eensluidend en juist afschrift van het aanhoudingsbevel heeft doen afgeven en dat als stuk gevoegd heeft bij zijn verklaring; dat het dus wel degelijk gaat om een aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door de in het dossier vermelde overheid",
terwijl, eerste onderdeel, krachtens artikel 3 van de uitleveringswet van 15 maart 1874 de raadkamer en, in hoger beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling, die een door de bevoegde buitenlandse overheid uitgevaardigd aanhoudingsbevel uitvoerbaar moeten verklaren, dienen na te gaan of de uitleveringsvoorwaarden vervuld zijn en, meer bepaald, of de buitenlandse overheid een aanhoudingsbevel of een andere akte met dezelfde kracht heeft overgelegd; de onderzoeksgerechten in geval van betwisting over de geldigheid van de door de buitenlandse overheid verleende titel, zich enkel mogen baseren op de bewoordingen en de strekking van de litigieuze titel, te dezen het bevel dat op 15 februari 1995 is uitgevaardigd door Franck Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de Verenigde Staten; de verklaringen die bij de litigieuze titel gevoegd zijn of die titel begeleiden, of de later afgelegde verklaringen enkel kunnen worden gebruikt voor de interpretatie, zonder de bewoordingen en de strekking van de litigieuze titel te kunnen wijzigen of aanvullen; die verklaringen a fortiori de krachtens voormeld artikel 3 vereiste titel niet kunnen vervangen; de kamer van inbeschuldigingstelling aldus, in zoverre zij de uitvoerbaarverklaring van het door Franck Dello Russo uitgevaardigde bevel grondt op het op de terechtzitting van 4 augustus 1995 neergelegde stuk van de Amerikaanse ambassade te Brussel, alsook op de begeleidende verklaring van William F. Sinnott, artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 schendt;
tweede onderdeel, de kamer van inbeschuldigingstelling, in zoverre het bestreden arrest beslist dat de door Franck Dello Russo krachtens regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging uitgevaardigde titel van aanhouding een aanhoudingsbevel is, de akte vervat in stuk 4 van de door de autoriteiten van de verenigde Staten tot staving van hun uitleveringsverzoek overgelegde stukken, namelijk het bevel tot medebrenging dd. 15 februari 1995, alsook de akte vervat in stuk 5 van die bescheiden, waarin de inhoud van regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging is overgenomen, uitlegt op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen en de strekking ervan; de strekking van die akten niet mag worden gewijzigd of aangevuld door achteraf neergelegde stukken, meer bepaald door het op 4 augustus 1995 ter zitting ingediende stuk, dat uitging van de Amerikaanse ambassade te Brussel; uit de vertaling van stuk 4, die, naar de autoriteiten van de Verenigde Staten hebben verklaard, overeenkomt met de oorspronkelijke, in het Engels opgemaakte stukken blijkt dat de titel van aanhouding een bevel tot medebrenging is; uit regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de Verenigde Staten inzake strafrechtspleging, waarvan de inhoud is overgenomen in stuk 5, volgt dat de titel van aanhouding alleen een bevel is om de daarin aangewezen persoon aan te houden en voor de dichtstbijzijnde rechter te brengen en dat het derhalve gaat om een bevel tot medebrenging, dat geen voldoende titel voor uitlevering kan zijn; het bestreden arrest aldus de bewijskracht schendt van de akte, vervat in stuk 4 van de door de autoriteiten van de verenigde Staten tot staving van het uitleveringsverzoek overgelegde bescheiden, namelijk het bevel tot medebrenging dd. 15 februari 1995, alsook van de akte vervat in stuk 5 van die bescheiden, waarin de inhoud van regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging is overgenomen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en voornoemde regel 9 (b) (1) alsmede het in het middel vermelde artikel 3 van de wet van 15 maart 1874 heeft geschonden, nu het beslist dat de op grond van regel 9 (b) (1) opgemaakte titel van aanhouding dezelfde waarde had als het bij artikel 3 vereiste aanhoudingsbevel;
derde onderdeel, de kamer van inbeschuldigingstelling, in zoverre zij, om de door Franck Dello Russo verleende titel te beoordelen en te beslissen dat het hier wel degelijk een aanhoudingsbevel betreft, zich baseert op de door de autoriteiten van de verenigde Staten van Amerika tot staving van hun uitleveringsverzoek overgelegde verklaring van William F. Sinnott, de akte die voornoemde verklaring van William F. Sinnott bevat heeft uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen en de strekking ervan; William F. Sinott hierin verklaart da na de uitvaardiging van een akte van beschuldiging "de rechtbank in de regel een bevel tot medebrenging verleent met het oog op de aanhouding van verweerder" (verklaring van William F. Sinnott, blz. 4, eerste lid, in fine); hij nadien verklaart dat "de adjunct-griffier Franck Dello Russo het bevel tot medebrenging heeft verleend overeenkomstig regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging die een adjunct-griffier, handelend in zijn officiële hoedanigheid van rechterlijk orgaan, het recht geeft zodanig bevel tot medebrenging te verlenen" (verklaring van William F.
Sinnott, blz. 5, eerste lid, in fine); de akte houdende de verklaring van William F. Sinnott aldus bevestigt dat de door Franck Dello Russo verleende litigieuze titel een bevel tot medebrenging is; het bestreden arrest aldus de bewijskracht schendt van de akte die de verklaring van William F. Sinnott bevat (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek);
vierde onderdeel, de uitlevering, krachtens artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, enkel zal toegestaan worden op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend, op voorwaarde, onder meer, dat deze akten uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer, of, in hoger beroep, door de kamer van inbeschuldigingstelling; uit de vertaling van het door de verenigde Staten tot staving van het uitleveringsverzoek overgelegde stuk 4, die, naar de autoriteiten van de verenigde Staten hebben verklaard, overeenkomt met de oorspronkelijke, in het Engels gestelde stukken blijkt dat de akte op grond waarvan om de uitlevering is verzocht een bevel tot medebrenging is dat dagtekent van 15 februari 1995; een bevel tot medebrenging, dat een met dwang gepaard gaand verzoek is om te verschijnen, in de regel geen voldoende titel van uitlevering kan zijn; het bestreden arrest niet vaststelt dat het bevel tot medebrenging in het recht van de verenigde Staten de enige mogelijke titel van voorlopige vrijheidsberoving is; uit regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de verenigde Staten inzake strafrechtspleging trouwens volgt dat het bevel tot medebrenging alleen een bevel is om de daarin aangewezen persoon aan te houden en hem voor de dichtstbijzijnde magistraat te brengen; het bestreden arrest aldus niet wettig kon beslissen dat het door Franck Dello Russo op grond van regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging uitgevaardigde bevel een aanhoudingsbevel of een akte met dezelfde kracht als een bevel tot aanhouding is, bedoeld om voor uitlevering te worden gebruikt (schending van de artikelen 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 en 9 (b) (1) van de federale reglementering van de verenigde Staten inzake strafrechtspleging) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het hof van beroep, in strijd met wat het onderdeel betoogt, de beslissing dat de uitleveringsvoorwaarden te dezen vervuld waren niet grondt op de bij de litigieuze titel gevoegde of deze titel begeleidende verklaringen en op de later afgelegde verklaringen, maar wel degelijk op de titel zelf, te dezen, het bevel dat op 15 februari 1995 is uitgevaardigd door F. Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de Verenigde Staten van Amerika, nu het ter zitting van 4 augustus 1995 neergelegde stuk uitgaande van de Amerikaanse ambassade te Brussel enkel voor de interpretatie van dat bevel is gebruikt;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
Wat het tweede en vierde onderdeel betreft :
Overwegende, enerzijds, dat, nu de in het onderdeel bedoelde akten respectievelijk vermelden "Aan ieder marshal van de Verenigde Staten en aan iedere gemachtigde ambtenaar van de Verenigde Staten : bij deze wordt u het bevel gegeven Panayotis Motsos aan te houden", en dat het bevel moet "de aanhouding van verweerder (te dezen eiser) moet gelasten", het hof van beroep aan die akten geen uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan;
Overwegende, anderzijds, dat, zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, het hof van beroep de strekking van die akten niet heeft gewijzigd of aangevuld door een achteraf afgelegde verklaring, aangezien deze enkel is gebruikt voor de interpretatie van het bevel van 15 februari 1995;
Overwegende ten slotte dat, krachtens artikel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de verenigde Staten van Amerika inzake strafrechtspleging, de aangewezen persoon wordt aangehouden ten einde te verschijnen voor de dichtstbijzijnde rechter; dat het in die bepaling bedoelde bevel derhalve dezelfde kracht heeft als het aanhoudingsbevel;
Dat die onderdelen niet kunnen worden aangenomen;
Wat het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat het onderdeel opkomt tegen een considerans die geen weerslag heeft op de wettigheid van het arrest; dat het derhalve niet ontvankelijk is bij gemis aan belang;
Over het tweede middel: schending van artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 en van regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de verenigde Staten van Amerika inzake strafrechtspleging, alsook van artikel 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep ongegrond verklaart dat eiser heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van het op 15 februari 1995 door Franck Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de verenigde Staten, uitgevaardigde bevel; dat het bestreden arrest het verweermiddel van eiser ten betoge dat de uitleveringsvoorwaarden niet vervuld zijn, meer bepaald dat het geenszins vaststaat dat Franck Dello Russo bevoegd is om een rechterlijke akte te verlenen op grond waarvan een persoon van zijn vrijheden kan worden beroofd, afwijst op de uit de aanvullende vordering van het openbaar ministerie overgenomen grond dat "niet kan worden betwist dat Franck Dello Russo wel degelijk het internationale aanhoudingsbevel heeft ondertekend; dat het niet terzake doet dat hij nu eens adjunct-griffier dan weer districtsofficier wordt genoemd, aangezien de ene titel niet noodzakelijk de andere uitsluit; de bevoegdheid om aanhoudingsbevelen of andere titels van vrijheidsberoving te verlenen in andere wetgevingen dan de onze kan zijn toegekend aan personen die geen rechter zijn; dat het niet in ernst kan worden betwist dat Franck Dello Russo bevoegd was om een bevel tot aanhouding uit te vaardigen, aangezien William Sinnott, adjunct-procureur van de Verenigde Staten voor het district Massachusetts onder ede verklaart dat Franck Dello Russo een aanhoudingsbevel heeft ondertekend op 15 februari 1995",
terwijl regel 9 (b) (1) van de federale reglementering van de strafrechtspleging enkel bepaalt dat het formulier van het bevel tot medebrenging door de griffier moet worden ondertekend; uit die wetsbepaling niet blijkt welke overheid bevoegd is om een aanhoudingsbevel of een akte met dezelfde kracht als een aanhoudingsbevel te verlenen; het bestreden arrest in de algemene beschouwingen, die in het middel worden aangehaald, zich niet echt uitspreekt over de bevoegdheid van Franck Dello Russo; dat zijn wettelijke bevoegdheid om een aanhoudingsbevel te verlenen niet kan worden afgeleid uit de enkele in feite gedane vaststelling dat hij het aanhoudingsbevel heeft ondertekend; het door eiser opgeworpen geschil precies betrekking had op de vraag of Franck Dello Russo volgens het recht van de verenigde Staten de wettelijke bevoegdheid bezat om het formulier van het aanhoudingsbevel te verlenen en te ondertekenen;
het bestreden arrest niet vaststelt welke overheid volgens het recht van de verenigde Staten bevoegd is om een aanhoudingsbevel of een akte met dezelfde kracht als een aanhoudingsbevel te verlenen; het bestreden arrest al evenmin vaststelt dat Franck Dello Russo de hoedanigheid van griffier bezat en in die hoedanigheid bevoegd was om het formulier van de titel van aanhouding te ondertekenen; het bestreden arrest aldus noch de beslissing dat Franck Dello Russo wettelijk bevoegd is om een aanhoudingsbevel of een akte met dezelfde kracht als een aanhoudingsbevel uit te vaardigen noch de beslissing dat hij wettelijk bevoegd is tot het ondertekenen van een dergelijke akte, die, krachtens artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, vereist is opdat de uitvoerbaarverklaring van een door een buitenlandse overheid verleend bevel tot aanhouding regelmatig zou zijn, naar recht verantwoordt (schending van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen andere dan artikel 149 van de Grondwet); het bestreden arrest althans voornoemde beslissingen niet regelmatig met redenen omkleedt (schending van artikel 149 van de Grondwet) :
Overwegende, enerzijds, dat de Belgische rechtscolleges bij de uitvoerbaarverklaring van een door de buitenlandse autoriteiten verleend bevel tot aanhouding niet bevoegd zijn om onregelmatigheden na te gaan die door een buitenlandse regering of gerecht begaan zijn in de akten betreffende een uitleveringsprocedure;
Dat, anderzijds, de beslissing waarbij een onderzoeksgerecht uitspraak doet over de uitvoerbaarverklaring van het door de buitenlandse rechterlijke overheid verleende bevel tot aanhouding geen vonnis is in de zin van artikel 149 van de Grondwet;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het derde middel: schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep ongegrond verklaart dat eiser heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik tot uitvoerbaarverklaring van het op 15 februari 1995 door Franck Dello Russo, verbonden aan de districtsrechtbank van Massachusetts in de Verenigde Staten, uitgevaardigde bevel; dat het bestreden arrest het verweermiddel van eiser ten betoge dat uitlevering niet mogelijk is wanneer naar de in het uitleveringsverzoek aangegeven feiten een onderzoek is ingesteld in België na uitlokking door de politie, nu daarvoor tot op heden geen procedurereglement bestaat, afwijst op de uit de aanvullende vordering van het openbaar ministerie overgenomen grond dat, "de in België en in de Verenigde Staten gepleegde feiten weliswaar van dezelfde aard zijn, maar daarom niet nog niet dezelfde feiten zijn; de vervolgingen in België uitlevering en vervolging door de Amerikaanse rechterlijke autoriteiten geenszins in de weg staan",
terwijl het hof van beroep, door aldus te beslissen, enerzijds, de akte houdende het op 23 oktober 1993 door onderzoeksrechter Brasseur uitgevaardigd aanhoudingsbevel (welk stuk deel uitmaakt van het door eiser neergelegde dossier en waarvan een eensluidend afschrift bij deze memorie is gevoegd), anderzijds, de vervangende akte van beschuldiging dd. 15 februari 1995 (stuk 2 a van de tot staving van het verzoek om uitlevering overgelegde bescheiden) heeft uitgelegd op een wijze die met de bewoordingen en strekking ervan onverenigbaar is; eiser voor het Belgische gerecht ervan wordt verdacht herhaaldelijk of althans vanaf begin 1993 verdovende stoffen,
te dezen heroïne, zonder vergunning van de bevoegde minister, in het Rijk te hebben ingevoerd, in zijn bezit te hebben gehad, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft, mits betaling of kosteloos, in de motivering van het bevel tot aanhouding uitdrukkelijk vermeld staat dat de feiten bestaan in het opzetten van een internationale handel in verdovende middelen; eiser in de vervangende akte van beschuldiging dd. 15 februari 1995 die is opgemaakt door de districtsrechtbank van de verenigde Staten voor het district Massachusetts, ervan is beschuldigd een komplot te hebben beraamd om heroïne in te voeren, nu hij zich verenigd en verstaan heeft met andere personen, ten einde een misdrijf te plegen tegen de verenigde Staten, namelijk de invoer van een zekere hoeveelheid Heroïne vanuit een plaats buiten de Verenigde Staten; de vervangende akte van beschuldiging moet worden uitgelegd aan de hand van de door de heer William F. Sinnott tot staving van het uitleveringsverzoek afgelegde verklaring waaraan de vervangende akte van beschuldiging is gehecht, alsook aan de hand van de door Daniël Dehorty tot staving van het uitleveringsverzoek afgelegde verklaring, die eveneens bij de verklaring van William F. Sinnott is gevoegd; uit zijn verklaringen blijkt dat de akte van beschuldiging betrekking heeft op dezelfde feiten als die waarvoor het Belgisch gerecht een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd; uit die stukken immers blijkt dat de in de vervangende akte van beschuldiging aangewezen feiten betrekking hebben op een vereniging die in België is gevormd om vanuit België heroïne in te voeren in de verenigde Staten (verklaring van William F. Sinnott, blz. 2 en 7); ongeacht de omschrijvingen die in de verschillende betrokken landen aan de feiten zijn gegeven, de feiten zelf waarop de Belgische rechtspleging betrekking heeft dezelfde zijn als die welke vermeld zijn in de stukken tot staving van het uitleveringsverzoek; het bestreden arrest derhalve, door te beslissen dat het hier niet om dezelfde feiten gaat, de bewijskracht schendt, enerzijds, van de akte houdende het op 23 oktober 1993 door onderzoeksrechter Brasseur volgens het Belgische recht uitgevaardigde aanhoudingsbevel, anderzijds, van de vervangende akte van beschuldiging dd. 15 februari 1995 van de districtsrechtbank van Massachusetts (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) :
Overwegende dat de bij de Uitleveringswet van 15 maart 1874 voorgeschreven regels enkel bedoeld zijn om de tenuitvoerlegging mogelijk te maken van de beslissing van een buitenlandse rechter. dat behandeling van de zaak zelf niet mogelijk is op grond van die regels;
Overwegende dat de beslissing om uit te leveren in geen geval toekomt aan de rechterlijke macht en het uitgesloten is dat de rechter, die van de Staat, vertegenwoordigd door de uitvoerende macht, in de bij de wet en het toepasselijke verdrag bepaalde voorwaarden een bevel tot aanhouding ontvangt van een buitenlandse overheid, de uitvoerbaarverklaring ervan zou weigeren om redenen die met de zaak zelf te maken hebben;
Dat derhalve het middel, nu het kritiek oefent op ten overvloede gegeven beschouwingen van het arrest, niet ontvankelijk is;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.