Wanneer de onder het stelsel van gemeenschap van aanwinsten gehuwde echtgenoten spaargelden hebben verzameld, die aldus een gemeenschappelijk vermogen uitmaken waarvan de wet van 14 juli 1976 het beheer regelt, en die spaargelden in feite verdeeld zijn terwijl ieder van hen een deel van het vermogen beheert, moet de rechter bij het onderzoek naar de bijdrage van iedere echtgenoot in de lasten van het huwelijk naar zijn mogelijkheden, de rente van het door elke echtgenoot beheerde deel van het kapitaal in aanmerking nemen; hij kan niet wettig afleiden dat een van de echtgenoten aan zijn verplichting in de lasten van de huishouding bij te dragen, voldoet, uit de enkele omstandigheid dat het gemeenschappelijk vermogen, dat is verdeeld, uit de beroepswerkzaamheden voortkomt en dat een deel van dat vermogen door de andere echtgenoot wordt beheerd. (Art. 221 B.W.)
Arrêt :
The full and consolidated version of this text is not available.