Hof van Cassatie: Arrest van 29 Oktober 1991 (België). RG 3185

Date :
29-10-1991
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19911029-1
Role number :
3185

Summary :

De vormvoorschriften van de artt. 877 en 878 Gerechtelijk Wetboek zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 22 december 1988 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Overwegende dat uit het arrest blijkt dat verweerster tegen de eiseres Weyne, die haar als geneesheer had behandeld, voor de burgerlijke rechtbank een geding had ingespannen strekkende tot het bekomen van schadevergoeding op grond van medische aansprakelijkheid; dat de burgerlijke rechtbank het nodig achtte, ten einde de gegrondheid van de door verweerster ingestelde vordering te kunnen beoordelen, inzake te krijgen van het medisch dossier met betrekking tot de behandeling van verweerster dat werd samengesteld, niet enkel door de eiseres Weyne zelf tegen wie de vordering was ingesteld, maar ook door de eiser Bekaert die bij die medische behandeling was betrokken; dat de burgerlijke rechtbank bij tussenvonnis van 27 oktober 1980 de overlegging van de medische dossier had bevolen; dat, toen de eisers bleven weigeren daaraan gevolg te geven, verweerster klacht deed met stelling van burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter;
Overwegende dat het hof van beroep, bij het bestreden arrest, de eisers veroordeelt wegens overtreding van artikel 495bis van het Strafwetboek;
I. Op de voorziening van André Bekaert :
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen eiser :
Over het middel, gesteld als volgt : 1. schending van art. 458 van het Strafwetboek, waar het bestreden arrest stelt dat het de zieke alleen is die bepaalt welke het lot zal zijn van de geheimen die toevertrouwd worden aan de geneesheer, dan wanneer het beroepsgeheim de openbare orde raakt en de ziekte daarover dus niet kan beschikken, zodat zelfs diens instemming met het verspreiden van de door hem aan de geneesheer toevertrouwde confidenties laatstgenoemde niet ontheft van het beroepsgeheim (Cass., 30 okt. 1978, R.W., 1978-79, 2604); 2. schending van art. 882 en art. 929 van het Gerechtelijk Wetboek, waar het bestreden arrest het inroepen van het beroepsgeheim door konluant om zijn medisch dossier betreffende de door hem uitgevoerde gynecologische ingreep niet over te leggen verwerpt, dan wanneer overeenkomstig voormelde wetsartikelen het inroepen van het beroepsgeheim een wettige reden voor het niet-overleggen uitmaakt (Lambert P., Le secret professionnel, blz. 65); 3. schending van artt. 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek, waar het bestreden arrest stelt dat de niet-naleving van art. 878 Ger.W. door geen enkele bevolen nietigheid gesanctioneerd is, dan wanneer deze wetsbepalingen van dwingend recht de regelmatigheid van het bevel aan derden tot overlegging van stukken betreffen; de vaststelling dat de voorschriften van art. 878 Ger.W. door de burgerlijke rechter niet werden nageleefd, beroofde konluant van de mogelijkheid om vooraf zijn opmerkingen te formuleren, zodat er te zijnen opzichte, als derde, geen rechtsgeldig bevel voorhanden was, en dat er geen strafbare overleggingsplicht van stukken bestond; 4. schending van art. 495bis van het Strafwetboek en van art. 97 van de Grondwet, waar het bestreden arrest de in conclusies aangevoerde gegevens betreffende de afwezigheid van elk bedrieglijk inzicht in hoofde van konkluant onbesproken liet; daarop wordt geen antwoord gegeven door te suggereren dat konkluant, tegen wie geen burgerlijke vordering ingesteld was, de belangen van een collega heeft willen beschermen, hetgeen overigens door geen enkel bewijskrachtig gegeven gestaafd werd :
Wat het eerste en het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat in de regel, krachtens de beginselen die besloten zijn in de artikelen 882 en 929 van het Gerechtelijk Wetboek, de personen die uit hoofde van hun staat of beroep ingevolge artikel 458 van het Strafwetboek gehouden zijn door het beroepsgeheim, er niet toe kunnen worden verplicht feiten kenbaar te maken waarvan ze het geheim moeten bewaren - onder meer door het overleggen van stukken zoals bedoeld bij de artikelen 877 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek - ook niet wanneer de geheimgerechtigde daarin toestemt;
Overwegende dat die regel evenwel niet absoluut is en de rechter op grond van de specifieke gegevens van de zaak dient na te gaan of de weigering door een geneesheer, onder aanvoering van het beroepsgeheim, om overeenkomstig artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek de stukken die hij onder zich heeft - te dezen een medisch dossier - op de griffie van een rechtscollege bij een dossier van de rechtspleging te voegen het beroepsgeheim niet afwendt van de maatschappelijke noodzaak waarin het zijn verantwoording vindt;
Overwegende dat de appelrechters hun beslissing dat eiser zich niet op de plicht van geheimhouding kan beroepen om de overlegging van het medisch dossier dat hij had samengesteld te weigeren niet enkel laten steunen op het in het eerste onderdeel vermelde motief;
Overwegende dat het arrest immers releveert : "Het medisch geheim is niet tegenstelbaar aan de zieke en bestaat in het belang van de zieke. Het staat vast dat waar het medisch geheim in het belang van de zieke werd geformuleerd, dit aan de zieke zelf niet tegenstelbaar is wanneer aan de hand van de gegevens die opgespoord worden de eventuele rechten op vergoeding moeten bepaald worden";
Overwegende dat de appelrechters op grond van die niet bekritiseerde motivering wettig beslissen dat te dezen het beroepsgeheim geen wettige reden was om de overlegging van het medisch dossier die door de burgerlijke rechtbank was bevolen te weigeren;
Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen;
Wat het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat de vormvoorschriften bepaald bij de artikelen 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek niet zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid;
Overwegende dat de derde aan wie het bevel is tegen die beslissing cassatieberoep kan instellen; dat evenwel het bevel, zolang het niet is vernietigd, rechtsgeldig blijft;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat dit bevel vernietigd werd en eiser dit overigens niet beweert;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het vierde onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest releveert dat in de gegeven omstandigheden het aanvoeren van het beroepsgeheim "(uitsluitend) (getuigt) dan men de belangen van een confrater wil beschermen wat het niet voorbrengen van de bundel maakt tot een bedrieglijke verberging";
Overwegende dat de appelrechters aldus de conclusie van eiser beantwoorden en de beslissing dat hij heeft gehandeld met het bij artikel 495bis van het Strafwetboek vereiste opzet naar recht verantwoorden;
Dat het onderdeel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt de eisers in de kosten.