Hof van Cassatie: Arrest van 3 Mei 2018 (België). RG C.17.0121.N

Date :
03-05-2018
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-20180503-3
Role number :
C.17.0121.N

Summary :

Samenvatting 1

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. C.17.0121.N

1. E.V.,

2. K.S.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woon-plaats kiezen,

tegen

J.B.,

verweerder,

mede inzake

S.B.

tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, familiekamer, van 5 oktober 2016.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede onderdeel

1. Krachtens artikel 330, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, in de versie zoals hier toepasselijk, kan, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, de erkenning van het vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist.

Krachtens artikel 330, § 1, vierde lid, Burgerlijk Wetboek, in de versie zoals hier toepasselijk, moet de vordering van de persoon die het vaderschap opeist worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is. Bij arrest nr. 165/2013 van 5 december 2013 oordeelde het Grondwette-lijk Hof evenwel dat die wetsbepaling de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre de daarin bepaalde vervaltermijn voor de persoon die de afstamming op-eist, kan aanvangen vooraleer hij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de betwiste erkenning heeft plaatsgevonden.

Krachtens artikel 332bis Burgerlijk Wetboek, in de versie zoals hier toepasselijk, moeten de vorderingen tot betwisting van staat op zodanige wijze worden inge-steld dat het kind of zijn afstammelingen en degene van zijn ouders wiens vader-schap of moederschap niet wordt betwist in het geding worden geroepen, alsook de persoon wiens vaderschap of moederschap wordt betwist.

2. Overeenkomstig artikel 331decies, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, in de versie zoals hier toepasselijk, kan de rechtbank, in afwijking van artikel 811 Ge-rechtelijk Wetboek, zelfs ambtshalve, gelasten dat alle belanghebbenden jegens wie zij oordeelt dat de beslissing mede moet gelden, in het geding worden geroe-pen.

3. Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat het voor de persoon die het vaderschap opeist volstaat om één van de in artikel 332bis Burgerlijk Wetboek vermelde personen tijdig te dagvaarden opdat de vordering ontvankelijk zou zijn.

Het onderdeel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.076,02 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2018 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.

V. Van de Sijpe K. Moens G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix