Hof van Cassatie: Arrest van 3 November 2010 (België). RG P.10.0856.F

Date :
03-11-2010
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-20101103-3
Role number :
P.10.0856.F

Summary :

De terugwerkende kracht van de nieuwe, mildere wet, komt niet in het gedrang door het feit dat ná het plegen van het misdrijf en vóór de berechting ervan, de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de oude straf tot tijdelijke straffeloosheid van de dader heeft geleid (1). (1) Zie andersluidende schriftelijke concl. O.M. in Pas., nr. ...

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. P.10.0856.F

BELGISCHE STAAT, Financiën, vertegenwoordigd door de gewestelijk directeur douane en accijnzen van de provincie Luik,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. A. O.,

Mrs. Marie-Françoise Dubuffet en Philippe Erkès, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 22 april 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft op 5 oktober 2010 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 3 november 2010 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest zegt dat er geen grond is om de geldboeten toe te passen die zijn vastgesteld bij de artikelen 43 en 48 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, en 45, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.

Ter motivering van die weigering vermeldt het arrest dat de nieuwe bepalingen, ofschoon zij gunstiger uitvallen dan die welke ten tijde van het misdrijf van kracht waren, zijn uitgevaardigd ná een arrest van nietigverklaring van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008, waardoor geen enkele geldboete kan worden uitgesproken op grond van de nietigverklaarde bepaling.

Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat, indien de straf die ten tijde van het vonnis is bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast.

De terugwerkende kracht van de laatstgenoemde, mildere, wet komt niet in het gedrang door het feit dat ná het plegen van het misdrijf en vóór de berechting ervan, de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de oude straf tot tijdelijke straffeloosheid van de dader heeft geleid.

Het middel is gegrond.

Er is geen grond om de vernietiging uit te breiden tot de beslissing waarbij de appelrechters het misdrijf bewezen verklaren, wanneer, zoals te dezen, vernietigd wordt om een reden die geen betrekking heeft op de redenen welke die beslissing verantwoorden.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de hierna vernietigde onwettigheid, overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de straf en de bijdrage aan het Bijzonder Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder in de helft van de kosten van het cassatieberoep en de eiser in de andere helft.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 3 november 2010 uitgesproken door afdelings-voorzitter ridder de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,