Hof van Cassatie: Arrest van 3 Oktober 2017 (België). RG P.16.0988.N

Date :
03-10-2017
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20171003-3
Role number :
P.16.0988.N

Summary :

Samenvatting 1

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. P.16.0988.N

J S,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Vincent Andries, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 15 september 2016.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 37ter, § 3, eerste lid, thans artikel 37quinquies, § 3, eerste lid, Strafwetboek en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de eiser verzocht om een werkstraf, ter-wijl noch uit het arrest noch uit het proces-verbaal van rechtszitting blijkt dat aan de formaliteiten bepaald in artikel 37ter, § 3, eerste lid, thans artikel 37quinquies, § 3, eerste lid, Strafwetboek werd voldaan; uit geen enkel stuk blijkt dat de eiser vóór de sluiting van het debat werd ingelicht over de draagwijdte van een werk-straf en dat hij werd gehoord in zijn opmerkingen.

2. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering schendt.

In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk.

3. Artikel 37ter, § 3, eerste lid, thans artikel 37quinquies, § 3, eerste lid, eerste zin, Strafwetboek bepaalt: "Indien een werkstraf door de rechter wordt overwo-gen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf en hoort hem in zijn opmerkingen." Deze bepaling heeft tot doel de beklaagde in te lichten over de modaliteiten van de werkstraf zodat hij met kennis van zaken zijn instemming kan geven of weigeren.

4. Het arrest veroordeelt de eiser niet tot een werkstraf. Hij heeft dan ook geen belang bij het middel dat de schending van de vermelde bepaling aanvoert.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 37, § 3, tweede lid, thans artikel 37ter, § 3, tweede lid, thans artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet waarom het geen werkstraf oplegt; artikel 37ter, § 3, tweede lid, thans artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek legt een nega-tieve motiveringsverplichting op wanneer de rechter weigert een werkstraf als hoofdstraf op te leggen; het arrest geeft enkel aan waarom het geen autonome probatiestraf oplegt; met de reden dat een effectieve bestraffing moet worden op-gelegd, motiveert het arrest niet de weigering een werkstraf op te leggen.

6. Artikel 37ter, § 3, tweede lid, thans artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken, zijn beslissing met redenen moet omkleden.

Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvorde-ring vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.

Uit deze bepalingen volgt niet dat de strafrechter de weigering om een werkstraf uit te spreken met afzonderlijke redenen moet motiveren. Die weigering kan in overeenstemming met artikel 37ter, § 3, tweede lid, thans artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek regelmatig met redenen worden omkleed door opgave van de redenen om een andere straf of straffen op te leggen overeenkomstig arti-kel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser om een milde toepassing van de strafwet heeft verzocht, namelijk een werkstraf.

7. Het arrest oordeelt met betrekking tot de straftoemeting dat:

- de eiser over een zeer beladen strafregister beschikt en reeds ervaring heeft met gunstmaatregelen, zoals twee straffen met probatie-uitstel en drie werkstraffen;

- hij daarnaast ook meermaals werd veroordeeld door de politierechtbank we-gens allerlei verkeersinbreuken;

- uit eisers strafregister blijkt dat hij een agressie- en drugsprobleem heeft;

- de eiser reeds werd veroordeeld voor slagen met ziekte of arbeidsongeschikt-heid aan zijn moeder en voor partnergeweld, weerspannigheid en bedreigingen door gebaren en zinnebeelden;

- aan de eiser in het verleden een straf met probatie-uitstel werd verleend om aan deze problematiek te werken, maar dat een voorstel tot herroeping werd gefor-muleerd door de probatiecommissie;

- uit het evolutieverslag dat in het kader van de huidige feiten werd opgesteld, blijkt dat hij zich niet aan deze voorwaarden houdt;

- de begeleidster van de Sleutel melding maakt van het feit dat de eiser wegens ernstige overtreding van de regels in time out werd gezet;

- ook eisers engagement om deel te nemen aan het project CO3, gericht op part-nergeweld waarbij de noodzaak om inzicht te krijgen in het probleem en de ontwikkeling van de hulpvraag naar agressiebehandeling essentieel is vooraleer een behandeling kan worden opgestart, niet werd nagekomen;

- bijgevolg aan de eiser een ernstig signaal moet worden gegeven;

- zijn kansen zijn opgebruikt door het volharden in de boosheid, zodat enkel een effectieve bestraffing passend en geboden is;

- het feit dat de eiser vast werk heeft en een nieuwe relatie, hieraan geen afbreuk doet.

Met deze redenen omkleden de appelrechters regelmatig de strafkeuze en dus de weigering om aan de eiser een werkstraf op te leggen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 74,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 3 oktober 2017 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

I. Couwenberg S. Berneman

P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem