Hof van Cassatie: Arrest van 31 Januari 1995 (België). RG P931138N

Date :
31-01-1995
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19950131-2
Role number :
P931138N

Summary :

De termijn bepaald door het gerecht voor de herstelmaatregelen inzake stedebouw gaat in op het ogenblik dat het vonnis of arrest in kracht van gewijsde gaat.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 24 juni 1993 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1385bis, 1385ter en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd door artikel 2 van de wet van 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, en van de bijlage,
doordat het bestreden arrest het vonnis a quo op burgerrechtelijk gebied bevestigt "mits deze enkele wijziging dat beklaagdes veroordeling tot betaling van een dwangsom van 5.000 frank per dag vertraging bij niet uitvoering van het arrest binnen de termijn van 1 jaar, geldt gedurende een termijn van 3 maanden"; de beperking van de looptijd van de dwangsom tot 3 maanden in het bestreden arrest wordt verantwoord op grond dat "dit in billijkheid en in redelijkheid volstaat om de rechten van de burgerlijke partij te vrijwaren",
terwijl overeenkomstig artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerd door artikel 2 van de wet van 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de eenvormige wet betreffende de dwangsom, de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan; de rechter, overeenkomstig het laatste lid van dit artikel, kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren; wat de modaliteiten van de dwangsom betreft, artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd door artikel 2 van de wet van 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de eenvormige wet betreffende de dwangsom, de rechter de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding kan vaststellen; wanneer het - zoals in het geval van het bestreden arrest - gaat om een bedrag per tijdseenheid of per overtreding, de rechter eveneens een maximaal bedrag kan vaststellen, waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt; overeenkomstig artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd door artikel 2 van de wet van 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de eenvormige wet betreffende de dwangsom, de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, de dwangsom op vordering van de veroordeelde kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn, of de dwangsom kan verminderen, in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen;
en terwijl de rechter, overeenkomstig de voornoemde wetsbepalingen, behalve in het geval van een vordering tot herziening van de veroordeling tot het betalen van een dwangsom, voorzien in artikel 1385quinquies, niet wettig kan beslissen om het verbeuren van de dwangsom in de tijd te beperken, ook niet wanneer dit "in billijkheid en in redelijkheid volstaat om de rechten van de (belanghebbende) te vrijwaren"; zodat het bestreden arrest dat de veroordeling tot de betaling van een dwangsom beperkt tot een termijn van drie maanden, hoewel niet moest worden geoordeeld over een vordering tot herziening van de veroordeling van de dwangsom overeenkomstig artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, schending inhoudt van de in het middel vermelde wetsbepalingen :
Overwegende dat, luidens artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter die de dwangsom vaststelt op een bedrag per tijdseenheid, eveneens een bedrag kan bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt;
Overwegende dat de appelrechters, na te hebben overwogen dat de veroordeling van verweerder tot een dwangsom van vijfduizend frank per dag "in de tijd beperkt wordt tot 3 maanden nu dit in billijkheid en in redelijkheid volstaat om de rechten van (eiser) te vrijwaren", het beroepen vonnis bevestigen mits de "veroordeling tot betaling van een dwangsom (...) geldt gedurende een termijn van 3 maanden";
Dat de appelrechters aldus een dwangsom vaststellen op een bedrag per tijdseenheid; dat zij door dit bedrag van vijfduizend frank per dag te beperken tot drie maanden, met toepassing van artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek, een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van artikel 65, alinéa 1, eerste en tweede lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, waarvan het eerste lid, voor wat betreft het punt a) werd aangevuld door artikel 82 van de voornoemde wet, ingevoerd door artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de Stedebouwwet,
doordat het bestreden arrest, door de (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis a quo op burgerlijk gebied, de verwerende partij heeft bevolen om de plaats in de vorige staat te herstellen, "hetgeen impliceert het tenietdoen van de reliëfwijziging, binnen het jaar van het in kracht van gewijsde gaan van huidig (arrest)", waarna het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar, ingeval het arrest niet wordt ten uitvoer gelegd, daarin op kosten van de verwerende partij kan voorzien,
terwijl overeenkomstig artikel 65, alinéa 1, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals aangevuld door artikel 82 van de voornoemde wet, ingevoerd door artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de Stedebouwwet, de rechtbank bij bouwmisdrijven, benevens de straf, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, beveelt de plaats in de vorige staat te herstellen; de rechter in dat geval, overeenkomstig artikel 65, alinéa 1, tweede lid, van de Stedebouwwet, daarvoor een termijn bepaalt die een jaar niet mag overschrijden; bij gebreke aan een wettelijke omschrijving van de aanvang van deze termijn van een jaar, aangenomen moet worden dat het herstel van de plaats in de vorige staat moet worden bevolen innen de termijn van één jaar vanaf de datum van het vonnis of arrest; zodat het bestreden arrest, dat het herstel van de plaats in de vorige staat enkel beveelt "binnen het jaar van het in kracht van gewijsde gaan van huidig (arrest)", schending inhoudt van de in het middel aangeduide wetsbepalingen :
Overwegende dat de termijn bedoeld in artikel 65, alinéa 1, eerste en tweede lid, van de Stedebouwwet wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.