Hof van Cassatie: Arrest van 31 Mei 1994 (België). RG P930458N
Summary :
Indien een cassatiemiddel een vraag opwerpt omtrent de schending door een wet van de artt. 6 en 6bis (thans artt. 10 en 11) Gw., is het Hof van Cassatie niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen als de voorziening niet ontvankelijk is op grond van een procedurereden die ontleend is aan een norm, welke zelf niet het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. (Art. 26, alinéa 2, Bijzondere Wet Arbitragehof).
Arrêt :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 11 februari 1993 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling;
I. Op de voorziening van Ronnie Potters, verdachte :
Gelet op de namens eiser ingediende memorie, waarvan een door de griffier van het Hof voor eensluidend verklaarde kopie aan dit arrest is gehecht en ervan deel uitmaakt;
Overwegende dat het bestreden arrest geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat bij toepassing van dit artikel een verdachte tegen een beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij zijn hoger beroep tegen een verwijzende beschikking van de raadkamer niet ontvankelijk wordt verklaard, slechts voor de eindbeslissing cassatieberoep kan instellen in zoverre uitspraak werd gedaan over een geschil inzake bevoegdheid in de zin van dit artikel 416;
Dat dit te dezen niet het geval is; dat eiser door aan te voeren dat een verdachte een ontvankelijk hoger beroep kan instellen tegen de beslissing van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, geen bevoegdheidsgeschil aanvoerde, doch zich enkel beriep op een hem tegen die beslissing toekomend verhaalrecht en op de rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling om over dit rechtsmiddel uitspraak te doen;
Dat de voorziening niet ontvankelijk is;
Overwegende dat eiser het Hof verzoekt aan het Arbitragehof de in zijn memorie vermelde prejudiciële vraag te stellen omtrent de door hem beweerde discriminatie wat betreft de rechtsmiddelen tegen de beslissingen van de onderzoeksgerechten over de regeling van de procedure, tussen, enerzijds, de verdachte, anderzijds, het openbaar ministerie of de burgerlijke partij;
Overwegende dat een buitenvervolgingstelling van een verdachte door het onderzoeksgerecht, niettegenstaande de mogelijkheid van heropening van het onderzoek wegens nieuwe bezwaren, een definitief karakter heeft; dat daarentegen een beslissing tot verwijzing van de verdachte naar het vonnisgerecht, afgezien dat ze inderdaad definitief de verdere rechtspleging regelt, naar luid van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering geen eindbeslissing over de strafvordering is en, behoudens wanneer ze beslist over een geschil inzake bevoegdheid, slechts vatbaar is voor voorziening in cassatie na de eindbeslissing over de strafvordering;
Dat de door eiser aangevoerde discriminatie hieraan geen afbreuk doet;
Overwegende dat het Hof, nu de voorziening niet ontvankelijk is om een procedurereden, die ontleend is aan een norm, die zelf niet het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag, inzonderheid dat de bestreden beslissing geen eindbeslissing is over de strafvordering, mitsdien niet gehouden is aan het Arbitragehof de door eiser voorgestelde prejudiciële vraag te stellen;
II. Op de voorziening van de N.V. Cosmina Detergents, civielrechtelijk aansprakelijke partij :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat de voorziening werd betekend aan het openbaar ministerie;
Dat de voorziening mitsdien niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 11 februari 1993 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling;
I. Op de voorziening van Ronnie Potters, verdachte :
Gelet op de namens eiser ingediende memorie, waarvan een door de griffier van het Hof voor eensluidend verklaarde kopie aan dit arrest is gehecht en ervan deel uitmaakt;
Overwegende dat het bestreden arrest geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat bij toepassing van dit artikel een verdachte tegen een beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij zijn hoger beroep tegen een verwijzende beschikking van de raadkamer niet ontvankelijk wordt verklaard, slechts voor de eindbeslissing cassatieberoep kan instellen in zoverre uitspraak werd gedaan over een geschil inzake bevoegdheid in de zin van dit artikel 416;
Dat dit te dezen niet het geval is; dat eiser door aan te voeren dat een verdachte een ontvankelijk hoger beroep kan instellen tegen de beslissing van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, geen bevoegdheidsgeschil aanvoerde, doch zich enkel beriep op een hem tegen die beslissing toekomend verhaalrecht en op de rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling om over dit rechtsmiddel uitspraak te doen;
Dat de voorziening niet ontvankelijk is;
Overwegende dat eiser het Hof verzoekt aan het Arbitragehof de in zijn memorie vermelde prejudiciële vraag te stellen omtrent de door hem beweerde discriminatie wat betreft de rechtsmiddelen tegen de beslissingen van de onderzoeksgerechten over de regeling van de procedure, tussen, enerzijds, de verdachte, anderzijds, het openbaar ministerie of de burgerlijke partij;
Overwegende dat een buitenvervolgingstelling van een verdachte door het onderzoeksgerecht, niettegenstaande de mogelijkheid van heropening van het onderzoek wegens nieuwe bezwaren, een definitief karakter heeft; dat daarentegen een beslissing tot verwijzing van de verdachte naar het vonnisgerecht, afgezien dat ze inderdaad definitief de verdere rechtspleging regelt, naar luid van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering geen eindbeslissing over de strafvordering is en, behoudens wanneer ze beslist over een geschil inzake bevoegdheid, slechts vatbaar is voor voorziening in cassatie na de eindbeslissing over de strafvordering;
Dat de door eiser aangevoerde discriminatie hieraan geen afbreuk doet;
Overwegende dat het Hof, nu de voorziening niet ontvankelijk is om een procedurereden, die ontleend is aan een norm, die zelf niet het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag, inzonderheid dat de bestreden beslissing geen eindbeslissing is over de strafvordering, mitsdien niet gehouden is aan het Arbitragehof de door eiser voorgestelde prejudiciële vraag te stellen;
II. Op de voorziening van de N.V. Cosmina Detergents, civielrechtelijk aansprakelijke partij :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat de voorziening werd betekend aan het openbaar ministerie;
Dat de voorziening mitsdien niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt de eisers in de kosten.