Hof van Cassatie: Arrest van 4 Maart 2015 (België). RG P.14.1873.F
Summary :
De aansprakelijkheid van de ouders voor de schade die door hun minderjarig kind is veroorzaakt, komt in het gedrang behoudens indien de vader en moeder bewijzen dat zij de daad die daartoe aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten; het vermoeden van aansprakelijkheid dat daarbij wordt ingevoerd is op een persoonlijke fout gegrond en kan dus, naar de geest van de wet, door het bewijs van het tegendeel worden weerlegd (1). (1) Zie uittreksel concl. OM in Pas. 2015, nr. .
Arrêt :
Nr. P.14.1873.F
I. N. O.,
Mr. Jonathan de Taye, advocaat bij de balie te Brussel,
II. G. O.,
III. L. O.,
Mr. Irida Pango-Vermeersch, advocaat bij de balie te Brussel,
cassatieberoepen tegen
1. M.-A. M.,
2. S. A.,
3. M. M.,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 4 november 2014.
De eerste eiser voert twee middelen aan in een memorie en de twee anderen voe-ren drie middelen aan, eveneens in een memorie. Een eensluidend verklaard af-schrift van die memories is aan dit arrest gehecht.
Advocaat-generaal Raymond Loop heeft op 25 februari 2015 een conclusie neer-gelegd op de griffie.
Op de rechtszitting van 4 maart 2015 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
(...)
B. Cassatieberoepen van G. en L. O.
(...)
2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen de eisers
Derde middel
De eisers voeren aan dat het arrest artikel 1384 Burgerlijk Wetboek schendt door te beslissen dat enkel het bewijs van een vreemde oorzaak een ouder kan ontslaan van de aansprakelijkheid voor de schade die door hun minderjarige kinderen is veroorzaakt.
Krachtens het vijfde lid van dat artikel houdt de daarin geregelde aansprakelijk-heid op indien de vader en moeder bewijzen dat zij de daad die daartoe aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten.
De door het middel aangevoerde bepaling legt niet het beginsel van een objectieve aansprakelijkheid van de ouders vast. Het vermoeden van aansprakelijkheid dat daarbij wordt ingevoerd is daarentegen op een persoonlijke fout gegrond. Het vermoeden kan dus, naar de geest van de wet, worden weerlegd door het bewijs van het tegendeel.
Om van de ouderlijke aansprakelijkheid te worden ontslagen, dient bijgevolg niet aangetoond te worden dat het schadelijke feit een externe oorzaak heeft die geen verband houdt met de invloed waarover de ouders beschikken door het vervullen van hun opdrachten van bewaking en opvoeding.
Om dat vermoeden te weerleggen moet worden aangetoond dat de daad waardoor de aansprakelijkheid in het gedrang komt, niet het gevolg is van een gebrek aan bewaking noch van een tekortkoming van de vader en moeder in de opvoeding van hun minderjarig kind, dat hen kan worden verweten.
Om de eisers burgerrechtelijk aansprakelijk te verklaren, wijst het arrest erop dat de minderjarige een goede opvoeding heeft genoten en niet onder de bewaking van zijn ouders stond op het ogenblik van de feiten, maar dat dezen niet aantonen dat zij alle beschikbare middelen hebben aangewend ter voorkoming van de han-delingen die hun aansprakelijkheid in het gedrang brengt en evenmin het bestaan aantonen van een oorzaak die geen verband houdt met het door hun zoon gepleeg-de en als misdrijf omschreven feit.
Het arrest, dat aan artikel 1384, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek een draagwijdte toekent die het niet heeft, is niet naar recht verantwoord.
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het G. en L. O. burgerrechtelijk aanspra-kelijk stelt en hen veroordeelt om de verweerders te vergoeden.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt N. O. tot de kosten van zijn cassatieberoep.
Veroordeelt de verweerders tot een derde van de kosten van de cassatieberoepen van G. en L. O.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de jeugdkamer van het hof van beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raads-heren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 4 maart 2015 uitgesproken door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,