Hof van Cassatie: Arrest van 4 Mei 1995 (België). RG F940019F

Date :
04-05-1995
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19950504-11
Role number :
F940019F

Summary :

Wanneer de belasting is ingekohierd en de bedrijfsvoorheffing met, die belasting is verrekend, heeft de voorheffing het karakter van een belasting en vormt zij, als zij geheven is van en verrekend met een volkomen onverschuldigde belasting, geen overschot van voorheffing in de zin van art. 309, 2°, WIB (1964); daaruit volgt dat de belastingplichtige naast de teruggave van de voorheffing ook recht heeft op moratoire interest.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 22 december 1993 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 180 tot 185, 203, 204, 211, alinéa 2, 308, 309, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, volgend uit artikel 89, alinéa 3, van de wet van 20 november 1962, houdende hervorming van de inkomstenbelastingen en uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 februari 1964 houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de inkomstenbelastingen en, voor zoveel nodig, van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992,
doordat het hof van beroep erop wijst dat het bestuur terecht erkent dat de bedrijfsvoorheffing aan de belastingplichtingen moet worden terugbetaald, nu de litigieuze aanslag integraal werd vernietigd wegens schending van de artikelen 265 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 166 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en dat het bedrag van 264.685 frank dus moet worden terugbetaald onder aftrek van het reeds terugbetaalde bedrag van 85.655 frank, en vervolgens eraan herinnert dat de voorheffing op zichzelf geen belasting is maar slechts een wijze van heffing van de totale belasting die verschuldigd is op het totaal bedrag van de belastbare inkomsten en dat de belasting niet wordt vastgesteld door de heffing van de voorheffingen maar door de bij artikel 266 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen voorgeschreven inkohiering, en de daaropvolgende vereffening met verrekening van de geheven voorheffing, en in zijn arrest beslist dat het door het bestuur aangevoerde arrest van het Hof van Cassatie van 14 april 1989 in dit geval niet van toepassing is, aangezien de inkohiering niet laattijdig is; dat in dit geval de voorheffing werd verrekend vóór de vernietiging van de aanslag, dat het dus een belasting betreft en dat bijgevolg ten deze moratoriuminterest moet worden toegekend op de bedrijfsvoorheffing die aan de belastingplichtigen is terugbetaald,
terwijl, wanneer, zoals te dezen, het in beroep gewezen arrest inzake directe belastingen beslist dat de belasting nul frank bedraagt op grond dat, enerzijds, het recht van inkohiering in de personenbelasting van het bestuur vervallen was en, anderzijds, het gezag van gewijsde eraan in de weg stond dat een aanslag in de belasting van niet-verblijfhouders werd vastgesteld op grond van artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en besluit tot volledige teruggave van de bedrijfsvoorheffing, die teruggave geen belastingteruggave wordt in de zin van artikel 308, alleen omdat zij na de vaststelling en zelfs na de inkohiering van een aanslag en ten gevolge van een bezwaar wordt gedaan; immers, hoewel de vaststelling van de belasting binnen de wettelijke termijnen, door de bij artikel 266 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen voorgeschreven inkohiering en de desbetreffende vereffening door verrekening met de voorheffingen, die overeenkomstig de artikelen 186, 188, 191 en 203 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zijn geheven, een conditio sine qua non uitmaakt voor het bestaan van de belastingschuld van de belastingplichtige, uit die wettelijke bepalingen geenszins volgt dat de voorheffingen, ten gevolge van die gelijklopende verrichtingen van inkohiering en vereffening-betaling van de belasting, het karakter van voorheffing zouden verliezen; de bedrijfsvoorheffing, als bepaald bij de artikelen 180 tot 184, 203, 204 en 211, alinéa 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, die geen belasting is maar een wijze van betaling van een belasting die later moet worden vastgesteld, haar bijzonder karakter behoudt en nooit de belasting kan uitmaken die kan leiden tot betaling van moratoriuminterest, als bepaald bij artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen; artikel 309, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen daarentegen van toepassing is zowel bij gedeeltelijke teruggave van de voorheffingen als bij volledige teruggave wanneer de belastingplichtige, zoals ten deze, helemaal geen belasting verschuldigd is; het overschot van de in de artikel 211, alinéa 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bedoelde voorheffingen, dat wil zeggen het bedrag van de voorheffingen dat meer bedraagt dan de verschuldigde belasting, immers alle in aanmerking genomen voorheffingen dekt, aangezien de belastingplichtige uiteindelijk geen enkele belasting is verschuldigd; het arrest, door te beslissen dat de ten deze in aanmerking genomen bedrijfsvoorheffing een belasting uitmaakt en door bijgevolg op die voorheffing moratoriuminterest toe te kennen, het geheel van de in het middel aangewezen bepalingen schendt :
Overwegende dat uit de vermeldingen van het arrest blijkt dat het belastingbestuur voor de belastingjaren 1986 en 1987 aanslagen in de personenbelasting heeft ingekohierd, dat de aan de bron afgehouden bedrijfsvoorheffing met die belasting is verrekend en dat het bestuur achteraf die aanslagen volledig heeft vernietigd;
Overwegende dat ingevolge artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), bij terugbetaling van belastingen moratoriuminterest wordt toegekend;
Dat de bedrijfsvoorheffing in de regel geen belasting is, maar een wijze van heffing van de belasting, die de belastingplichtige verschuldigd is op het totaalbedrag van zijn inkomsten en waarmee zij moet worden verrekend;
Dat de toestand evenwel anders is wanneer de belasting is ingekohierd en de bedrijfsvoorheffing met die belasting is verrekend; dat de bedrijfsvoorheffing in dat geval het karakter van een belasting heeft;
Overwegende dat een geheven bedrijfsvoorheffing die verrekend is met een volkomen onverschuldigde belasting geen overschot van bedrijfsvoorheffing is, in de zin van artikel 309, 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964);
Dat het arrest, bijgevolg, naar recht beslist dat moratoriuminterest verschuldigd is op de bedrijfsvoorheffing waarvan het de teruggave beveelt, en zulks overeenkomstig genoemd artikel 308;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.