Hof van Cassatie: Arrest van 5 Februari 1991 (België). RG 5299

Date :
05-02-1991
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19910205-16
Role number :
5299

Summary :

Wanneer een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling tot handhaving van de voorlopige hechtenis, is vernietigd omdat het niet naar recht verantwoordde dat in het dossier bepaalde stukken ontbraken, kan de kamer van inbeschuldigingstelling waarnaar de zaak wordt verwezen, de onregelmatigheid herstellen en uitspraak doen over de handhaving van de hechtenis. ( Artt. 30, alinéa 4, en 31, alinéa 4, Wet Voorlopige Hechtenis van 20 juli 1990. )

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 22 januari 1991 op verwijzing gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling;
Gelet op het arrest van het Hof van 8 januari 1991 (1);
Over het eerste middel, gesteld als volgt : "doordat het arrest stelt : "dat het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, vaststelt dat de stukken die sedert de behandeling voor de raadkamer te Antwerpen nog werden opgesteld, thans bij het dossier werden gevoegd, zodat het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, rekening heeft kunnen houden met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak; dat de verdachte en/of zijn raadsman vooraf inzage heeft kunnen nemen van deze gevoegde stukken zodat de verdedigingsrechten thans hersteld werden",
terwijl het Hof van Cassatie in zijn arrest van 31 december 1990 heeft gesteld : "De kamer van inbeschuldigingstelling moet nagaan of de voorlopige hechtenis nog gerechtvaardigd is op het ogenblik van haar uitspraak en/of de ernstige en uitzonderlijke omstandigheden om iemand in hechtenis te houden voor de behandeling van zijn proces nog aanwezig zijn; het (hof van beroep) kan dit slechts doen indien het over alle gegevens beschikt. Het betreft hier ondermeer een verklaring van de verdachte waardoor het (hof van beroep) in ieder geval via de besluiten van zijn raadsman in kennis was gesteld, ondervraging waarvan een proces-verbaal zes dagen op voorhand was opgemaakt. Bijgevolg werd terzake het recht van verdediging wel degelijk geschonden en de bepaling van artikel 30 (wet 20 juli 1990) miskend",
terwijl het Hof van Beroep te Antwerpen in het bestreden arrest had moeten vaststellen dat op 26 december 1990 de rechten van de verdediging waren geschonden, het (hof van beroep) op dat ogenblik niet op een wettelijke basis het hoger beroep van huidige eiser heeft kunnen ongegrond verklaren en hem in vrijheid had moeten stellen,
terwijl bijgevolg het Hof deze schending van de rechten van verdediging thans niet kon herstellen en het hoger beroep alsnog ongegrond verklaren" :
Overwegende dat het middel, in zoverre het steunt op de miskenning van het recht van verdediging door het bij arrest van 8 januari 1991 van het Hof vernietigde arrest van 26 december 1990 van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, geen betrekking heeft op de bestreden beslissing en mitsdien niet ontvankelijk is;
Dat het naar recht faalt in zoverre het aanvoert dat in het bestreden arrest de vroeger begane onregelmatigheid niet kon worden hersteld;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : "doordat het Hof van Beroep te Antwerpen in het bestreden arrest artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 schendt, door te stellen : "dat in conclusies gesteld wordt dat de raadsman van verdachte bij schrijven van 9 januari 1991 de gelaste onderzoeksrechter verzocht om, bij toepassing van de artikelen 22, tweede lid, en artikel 31, paragraaf 4, van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis over te gaan tot een samenvattende ondervraging; dat de stukken nopens een dergelijke samenvattende ondervraging niet in het dossier aanwezig zijn, zodat redelijkerwijze dient aanvaard te worden dat deze ondervraging niet gehouden werd; dat luidens artikel 22, tweede lid, van voormelde wet de onderzoeksrechter dit verhoor dient te houden binnen de 10 dagen die de verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling, die overeenkomstig artikel 31, paragraaf 4, uitspraak doet na verwijzing, voorafgaan; dat de onderzoeksrechter die deze samenvattende ondervraging dient te houden binnen de termijn van 10 dagen, krachtens zijn discretionaire macht zelf bepaalt op welk ogenblik hij binnen de gestelde termijn tot deze ondervraging zal overgaan; evenwel dat, gelet, enerzijds, op de datum van de brief inhoudende voormeld onderzoek en, anderzijds, op de datum waarop deze zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling voor behandeling werd vastgesteld, als laattijdig dient bestempeld te worden en dat eventueel de volgende verschijning als aanknopingspunt kan dienen voor de termijn van 10 dagen; dat de rechten van verdediging derhalve hierdoor niet werden geschonden",
terwijl het wetsartikel niet vermeldt wanneer de verdachte of zijn raadsman zijn verzoek aan de onderzoeksrechter dient over te maken, en het arrest niet motiveert waarom de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat dit verzoek "laattijdig" zou zijn ingediend; het verzoek werd ingediend op 9 januari 1991, daags na het arrest van het Hof van Cassatie, waarbij de zaak werd verzonden naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen, zodat slechts vanaf dat ogenblik bij toepassing van artikel 31, paragrafen 3 en 4, een samenvattend verhoor kon worden aangevraagd; eiser vaststelt dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen slechts gewezen werd op 22 januari 1991, zodat de onderzoeksrechter binnen de wettelijke voorziene termijn van 10 dagen voor de verschijning een samenvattend verhoor had kunnen houden; daarenboven de onderzoeksrechter op 11 januari 1991 de raadsman van eiser schriftelijk heeft verwittigd dat deze ondervraging zou plaatsvinden op 16 januari 1991, te 9 u. 30 m., maar deze ondervraging niet heeft laten plaatsvinden en hierdoor uiteraard de stukken nopens een dergelijke samenvattende ondervraging niet in het dossier aanwezig zijn, zoals wordt vastgesteld door het bestreden arrest; eiser meent dat hierdoor zijn rechten van verdediging geschonden zijn en dit verzuim niet kan worden hersteld, door bij een latere verschijning voor de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling een samenvattend verhoor te houden; het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dan ook dient vernietigd zonder verwijzing en eiser in vrijheid dient gesteld, vermits de vastgestelde schending van de rechten van de verdediging niet kan worden hersteld en een vernietiging met verwijzing niet tot een andere beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling kan leiden" :
Overwegende dat ingevolge de bepalingen van artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman, de onderzoeksrechter, binnen tien dagen die aan elke verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 31, alinéa 4, uitspraak doet na verwijzing, de verdachte oproept voor een samenvattende ondervraging;
Overwegende dat, nu de onderzoeksrechter over tien dagen moet kunnen beschikken voor het houden van de samenvattende ondervraging, het verzoek voor een dergelijke ondervraging moet worden gedaan meer dan tien dagen voor de verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 31, alinéa 4, uitspraak doet na verwijzing;
Overwegende dat het verzoek voor een dergelijke ondervraging dat is gedaan binnen de tien dagen voor de verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 31, alinéa 4, uitspraak doet na verwijzing, geldt als verzoek voor samenvattende ondervraging voor de eerste verschijning voor één van die onderzoeksgerechten na het verstrijken van meer dan tien dagen na het verzoek;
Overwegende dat eiser op 9 januari 1991 een verzoek tot samenvattende ondervraging heeft gedaan; dat hij op 18 januari 1991 voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 31, alinéa 4, uitspraak doet na verwijzing, is verschenen en dat op die terechtzitting de zaak in beraad werd gehouden en voor uitspraak gesteld op 22 januari 1991; dat de appelrechters derhalve, met de in het middel weergegeven consideransen, wettig beslissen dat het verzoek tot samenvattende ondervraging "als laattijdig dient bestempeld te worden";
Dat het middel faalt naar recht;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.
(1) Niet gepubliceerd arrest; een soortgelijk arrest, d.d. 8 januari 1991, inzake Uytgeerts, werd gepubliceerd in A.C., 1990-91, nr. 232.
AR nr. 5199.