Hof van Cassatie: Arrest van 5 September 2002 (België). RG D990018F
Summary :
Wanneer een gemeenschapsonderdaan bij de Raad van de Orde van architecten een verzoek indient om te worden toegelaten tot het beroep, moet de Raad van de Orde rekening houden met alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene, door de uit deze titels en ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en kwalificaties, ook al is voor het betrokken beroep een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's vastgesteld, maar de toepassing van die richtlijn niet kan leiden tot automatische erkenning van de titel(s) van de verzoeker (1).
Arrêt :
NATIONALE RAAD van de ORDE van ARCHITECTEN,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
D. N.,
Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing die op 16 juni 1999 is gewezen door de raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Procedurevoorgaanden
Bij het onderzoek van het eerste cassatiemiddel heeft het Hof, in zijn arrest van 21 januari 2000, geoordeeld dat een prejudiciële vraag diende te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen die door het arrest van 22 januari 2002 van dat hof wordt beantwoord.
IV. Middelen
Eiser voert twee middelen aan.
Zij zijn als volgt gesteld :
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 159 van de Grondwet ;
- de artikelen 5, 52, 57, 173 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957, goedgekeurd bij de Belgische wet van 2 december 1957 (voornoemde artikelen 57 en 173 zoals ze van kracht waren vóór hun wijziging door het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992, goedgekeurd bij de Belgische wet van 26 november 1993, en zoals ze van kracht waren sinds hun wijziging door dat verdrag) ;
- artikel 11 van de richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten ;
- voor zover nodig, artikel 1, inzonderheid §2, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, en de bijlage bij die wet, zoals ze voortvloeien uit de koninklijke besluiten van 6 juli 1990 en 29 maart 1995 die vastgesteld zijn met toepassing van artikel 1 van de wet van 4 juli 1989 betreffende overdracht van bevoegdheden voor de uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985 ;
- voor zover nodig, de artikelen 4, 5 en 38 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten.
Aangevochten beslissingen en redenen De bestreden beslissing heeft vastgesteld dat "(verweerder) in het bezit is van een diploma van ingenieur op 16 februari 1966 uitgereikt door de 'Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen' te Aken (BRD), afdeling 'Algemeiner Hochbau' ; (dat) (verweerder) van 1966 tot 1991 in loondienst bij verschillende Luikse architectenbureaus heeft gewerkt en, ten gevolge van de vereffening in 1991 van de vennootschap waar hij toen werkte, (...) verzocht om inschrijving op de tabel van de Orde van architecten van de provincie Luik ; (dat) dit verzoek is afgewezen bij beslissing van 29 april 1993 op grond dat zijn diploma, uitgereikt door een afdeling 'Algemeiner Hochbau', niet bedoeld was in artikel 11, a), vierde streepje, van de richtlijn 85/384 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, bepalingen waarop artikel 3, 2, a), vierde streepje, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect betrekking hebben ; (dat) de raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal, op hoger beroep (van verweerder), bij beslissing van 17 november 1993 aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag gesteld heeft over de gelijkstelling van (verweerders) diploma met de diploma's, certificaten en andere titels bedoeld in de voornoemde bepaling van de wet van 20 februari 1939 ; (dat) het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in een arrest van 9 augustus 1994 tot het besluit komt dat (verweerders) diploma niet gelijkwaardig is aan de diploma's, certificaten en andere titels waarvan een limitatieve opsomming vermeld staat in artikel 11, a), vierde streepje, van de richtlijn 85/384 ; (dat) de raad van beroep bij beslissing van 15 februari 1995, en op grond van het voornoemde arrest van 9 augustus 1994, afwijzend heeft beschikt op het beroep van verweerder die een nieuw middel aanvoerde dat afgeleid was uit artikel 52 van het EEG-Verdrag en het arrest van 7 mei 1991 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (V.) ; (dat) het door (verweerder) ingestelde cassatieberoep tegen de beslissing van 15 februari 1995 werd verworpen in het arrest van 25 (lees : 24) november 1995 ; (dat) (verweerder) bij brief van 25 oktober 1997 de Raad van de Orde van architecten van de provincie Luik opnieuw verzocht om inschrijving op de tabel van de Orde en (dat) zijn verzoek afgewezen werd bij een door de voorzitter en de secretaris van die raad ondertekende brief van 5 februari 1998, op grond dat 'de raad van de Orde geen rekening hoefde te houden met zijn kennis en kwalificaties en ze evenmin hoefde te beoordelen ; (dat de raad) enkel dient na te gaan of zijn diploma gelijkwaardig is en dat zulks niet het geval is' ; dat zijn op artikel 52 gegrond verzoek al door de raad van beroep en het Hof van Cassatie was onderzocht en dat er geen enkel nieuw argument of gegeven voorhanden was ; (dat eiser) tegen die beslissing hoger beroep instelt ; (...) dat (eiser en verweerder), die partij zijn in het huidige geding, vragen om opnieuw het probleem te onderzoeken van de inschrijving van laatstgenoemde op de lijst van de Orde van architecten van de provincie Luik op grond van artikel 52 van het EEG-Verdrag, zoals de draagwijdte ervan wordt toegelicht door de rechtspraak van het Hof van de Europese Gemeenschappen, met name van het arrest V., aangezien vaststaat dat betrokkene zich niet kan beroepen op d
e overgangsbepalingen vervat in artikel 11, a), vierde streepje, van de richtlijn 384/85, evenmin als op het bepaalde in artikel 12 van die richtlijn", de bestreden beslissing "doet de beslissing van 5 februari 1998 van de voorzitter en van de secretaris van de Raad van de Orde van architecten van de provincie Luik teniet, stelt vast dat (verweerder) de door de Belgische wet vereiste kwalificaties en kennis heeft om op de tabel van de Orde van architecten te worden ingeschreven (en) beveelt dat (verweerder) wordt ingeschreven op de tabel van de Orde van architecten van de provincie Luik", op grond "dat hoofdstuk II van het Verdrag van Rome het recht van vestiging invoert en artikel 52 bepaalt dat in het kader van de bepalingen van dat hoofdstuk de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat tijdens de overgangsperiode geleidelijk worden opgeheven ; dat, luidens het tweede lid van dat artikel, de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst omvat ; dat die bepaling ongetwijfeld een directe werking heeft en kan worden aangevoerd door elke onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap die in een andere Staat van de Gemeenschap een werkzaamheid, anders dan in loondienst, wil uitoefenen ; dat artikel 57, dat deel uitmaakt van hetzelfde hoofdstuk van het Verdrag, de Raad van de Gemeenschappen, volgens de in genoemde bepaling omschreven procedure, ermee gelast richtlijnen vast te stellen inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels 'teneinde de toegang tot de werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken' (...) ; dat luidens de conclusie van advocaat-generaal v. G. voor het arrest V., 'de richtlijnen (die vastgesteld zijn met toepassing van artikel 57) bestemd zijn om de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging te vergemakkelijken maar haar niet conditioneren' ; (...) dat uit de hierboven uiteengezette motivering volgt dat (verweerder) zich op de directe werking van artikel 52 kan beroepen, ook al is zijn diploma niet uitdrukkelijk bedoeld in de bepalingen van de richtlijn 384/85 ; (...) dat de bevoegde nationale overheid, in het raam van artikel 52 van het Verdrag, rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene heeft behaald met de bedoeling zijn beroep in een andere lidstaat uit te oefenen en de uit die stukken blijkende bekwaamheid moet vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en kwalificaties ; dat de provinciale raad van architecten van de provincie Luik zulks moest onderzoeken in het kader van het verzoek van (verweerder), houder van een in de Bondsrepubliek Duitsland behaald diploma, om inschrijving op de tabel van de Orde van architecten ; dat die bevoegdheid, in het raam van het geding in hoger beroep, door de raad van beroep moet uitgeoefend worden ; dat (verweerder) zonder twijfel met zijn in Duitsland behaalde diploma van bouwkundig ingenieur in zijn land het beroep van architect mocht uitoefenen, wat blijkt uit een attest van de Orde van architecten van het 'Land Nordrhein-Westfalen' d.d. 6 mei 1992 ; dat de theoretische opleiding (van verweerder) blijkens dat attest aangevuld is met twee jaar praktijk als architect ; dat vaststaat dat (verweerder) in België ongeveer 25 jaar lang, in een verhouding van ondergeschiktheid, een activiteit van architect heeft uitgeoefend ; dat uit de talrijke door hem overgelegde attesten, zowel van voormalige werkgevers als van firma's waarmee hij op beroepsvlak samenwerkte, gewag maken van belangrijke projecten die hij voor zijn werkgevers heeft ontworpen en van het volste vertrouwen dat zij in hem hadden ; dat uit die attesten volgt dat (verweerde
r) 25 jaar lang alle taken die een architect moet vervullen tot tevredenheid van zijn medecontractanten heeft uitgevoerd ; dat uit de hierboven uiteengezette motivering volgt dat (verweerder) niet alleen in het bezit is van een diploma, aangevuld met een praktijk als architect in Duitsland, op grond waarvan hij in dat land als architect ingeschreven kon worden, maar dat zijn vijfentwintigjarige beroepsactiviteit in België een waarborg is voor zijn beroepsbekwaamheid ; dat (verweerder) erop wijst dat artikel 12, a), van de Belgische wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel van architect bepaalt dat de ingenieurs die werden gediplomeerd overeenkomstig de wetten op het toekennen van academische graden mogen optreden in de hoedanigheid van architect, en daaruit terecht afleidt dat de Belgische wet toestaat dat de houder van diploma's van hetzelfde type als het zijne, in België wettig het beroep van architect mag uitoefenen ; dat de door (verweerder) opgedane kennis en kwalificaties die worden verlangd, zowel op academisch vlak als door de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, in de hierboven uiteengezette omstandigheden, gelijkwaardig zijn aan die welke in België vereist zijn om op de tabel van een provinciale Orde als architect te worden ingeschreven".
Grieven (1) Artikel 52, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957, luidt als volgt : "de vrijheid van vestiging omvat de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld" ; artikel 57, eerste en tweede lid, van dat verdrag luidt als volgt : "1) teneinde de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, stelt de Raad (...) richtlijnen vast inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ; 2) met hetzelfde doel stelt de Raad vóór de afloop van de overgangsperiode richtlijnen vast inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan" ; uit die bepalingen volgt dat wanneer (a) de bevoegde overheid van een lidstaat die moet beslissen op een verzoek tot toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, welk verzoek is ingediend door een gemeenschapsonderdaan die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaald diploma, en wanneer (b) geen enkele door de Raad op grond van artikel 57, eerste lid, van het Verdrag vastgestelde richtlijn de voorwaarden bepaalt inzake de onderlinge erkenning van de diploma's die voor de uitoefening van dat beroep vereist zijn, de aldus aangezochte overheid rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere lidstaat heeft behaald, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde bekwaamheid en kwalificaties ; de nationale overheid daarentegen, wanneer het een beroep betreft waarvoor wel een op grond van artikel 57, eerste lid, vastgestelde richtlijn bestaat, geen vergelijking mag en kan maken en enkel de richtlijn mag toepassen ; die nationale overheid derhalve niet verplicht is de uitoefening van het bewuste beroep toe te staan, wanneer het diploma van de verzoeker, ingevolge de bepalingen van de ri
chtlijn, niet gelijkwaardig is aan de diploma's die naar nationaal recht voor de uitoefening van dat beroep vereist zijn.
(2) De voorwaarden voor de onderlinge erkenning van de diploma's, voor wat het beroep van architect betreft, zijn vervat in de richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten ; artikel 11 van de richtlijn geeft een limitatieve opsomming van de tijdens een overgangsperiode uitgereikte diploma's, waarvan elke lidstaat moet erkennen dat ze recht geven op de uitoefening van het beroep van architect ; de nationale overheid die moet beslissen op een verzoek tot uitoefening van het beroep van architect enkel mag nagaan of het diploma waarop de betrokkene zich beroept, voorkomt in de opsomming in artikel 11 van de richtlijn ; de nationale overheid mag, als zulks niet het geval is, de exhaustieve opsomming in artikel 11 niet aanvullen door een vergelijkend onderzoek te doen dat als doel zou hebben te bepalen of uit het niet in dat artikel vermelde diploma al dan niet blijkt dat de houder ervan evenwaardige kennis en kwalificaties heeft als die welke blijken uit de nationale diploma's en titels die voor de uitoefening van het beroep vereist zijn ; de bestreden beslissing heeft derhalve, nadat ze had vastgesteld dat verweerder een diploma bezit dat op 16 februari 1966 - dus tijdens de overgangsperiode bedoeld in de richtlijn - uitgereikt is door de "Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen" te Aken (BRD), afdeling "Algemeiner Hochbau", welk diploma niet bedoeld is in artikel 11 van de richtlijn, niet wettig kunnen beslissen dat de Raad van de Orde van architecten van de provincie Luik en, in hoger beroep, de raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal, een vergelijking diende te maken tussen de bekwaamheden die bleken uit het door verweerder aangevoerde diploma, enerzijds, en de in de nationale regeling verlangde bekwaamheid en kwalificaties, anderzijds ; de raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal heeft met die beslissing zijn beoordeling in de plaats gesteld van de auteurs van de richtlijn en heeft aldus de limitatieve aard van de opsomming in artikel 11 van die richtlijn miskend (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen nationaalrechtelijke en gemeenschaps-rechtelijke bepalingen) .
2. Tweede middel (aanvullend) Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 149 en 159 van de Grondwet ;
- de artikelen 5, 52, 57 en 173 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957, goedgekeurd bij de Belgische wet van 2 december 1957 (voornoemde artikelen 57 en 173 zoals ze van kracht waren vóór hun wijziging door het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992, goedgekeurd bij de Belgische wet van 26 november 1993, en zoals ze van kracht waren sinds hun wijziging door dat verdrag) ;
- de artikelen 11 en 12 van de richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten ;
- de artikelen 1, inzonderheid § 2, en 12, inzonderheid a) en b), van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, en de bijlage bij die wet (artikel 1, §2, en de bijlage zoals ze voortvloeien uit de koninklijke besluiten van 6 juli 1990 en 29 maart 1995 die vastgesteld zijn met toepassing van artikel 1 van de wet van 4 juli 1989 betreffende overdracht van bevoegdheden voor de uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985) ;
- de artikelen 4, 5 en 38 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten.
Aangevochten beslissingen en redenen De bestreden beslissing heeft vastgesteld dat "(verweerder) in het bezit is van een diploma van ingenieur op 16 februari 1966 uitgereikt door de 'Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen' te Aken (BRD), afdeling 'Algemeiner Hochbau' ; (dat) (verweerder) van 1966 tot 1991 in loondienst bij verschillende Luikse architectenbureaus heeft gewerkt en, ten gevolge van de vereffening in 1991 van de vennootschap waar hij toen werkte, (...) verzocht om inschrijving op de tabel van de Orde van architecten van de provincie Luik ; (dat) dit verzoek is afgewezen bij beslissing van 29 april 1993 op grond dat zijn diploma, uitgereikt door een afdeling 'Algemeiner Hochbau', niet bedoeld was in artikel 11, a), vierde streepje, van de richtlijn 85/384 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, bepalingen waarop artikel 3, 2, a), vierde streepje, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect betrekking hebben ; (dat) de raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal, op hoger beroep (van verweerder), bij beslissing van 17 november 1993 aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag gesteld heeft over de gelijkstelling van (verweerders) diploma met de diploma's, certificaten en andere titels bedoeld in de voornoemde bepaling van de wet van 20 februari 1939 ; (dat) het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in een arrest van 9 augustus 1994 tot het besluit komt dat (verweerders) diploma niet gelijkwaardig is aan de diploma's, certificaten en andere titels waarvan een limitatieve opsomming vermeld staat in artikel 11, a), vierde streepje, van de richtlijn 85/384 ; (dat) de raad van beroep bij beslissing van 15 februari 1995, en op grond van het voornoemde arrest van 9 augustus 1994, afwijzend heeft beschikt op het beroep van verweerder die een nieuw middel aanvoerde dat afgeleid was uit artikel 52 van het EEG-Verdrag en het arrest van 7 mei 1991 van het Hof van Justitie van de Europ
ese Gemeenschappen (V.) ; (dat) het door (verweerder) ingestelde cassatieberoep tegen de beslissing van 15 februari 1995 werd verworpen in het arrest van 25 (lees : 24) november 1995 ; (dat) (verweerder) bij brief van 25 oktober 1997 de Raad van de Orde van architecten van de provincie Luik opnieuw verzocht om inschrijving op de tabel van Orde en (dat) zijn verzoek afgewezen werd bij een door de voorzitter en de secretaris van die raad ondertekende brief van 5 februari 1998, op grond dat 'de raad van de Orde geen rekening hoefde te houden met zijn kennis en kwalificaties en ze evenmin hoefde te beoordelen ; (dat de raad) enkel dient na te gaan of zijn diploma gelijkwaardig is en dat zulks niet het geval is' ; dat zijn op artikel 52 gegrond verzoek al door de raad van beroep en het Hof van Cassatie was onderzocht en dat er geen enkel nieuw argument of gegeven voorhanden was ; (dat eiser) tegen die beslissing hoger beroep instelt ; (...) dat (eiser en verweerder), die partij zijn in het huidige geding, vragen om opnieuw het probleem te onderzoeken van de inschrijving van laatstgenoemde op de lijst van de Orde van architecten van de provincie Luik op grond van artikel 52 van het EEG-Verdrag, zoals de draagwijdte ervan wordt toegelicht door de rechtspraak van het Hof van de Europese Gemeenschappen, met name van het arrest V., aangezien vaststaat dat betrokkene zich niet kan beroepen op de overgangsbepalingen vervat in artikel 11, a), vierde streepje, van de richtlijn 384/85, evenmin als op het bepaalde in artikel 12 van die richtlijn", de bestreden beslissing "doet de beslissing van 5 februari 1998 van de voorzitter en van de secretaris van de Raad van de Orde van architecten van de provincie Luik teniet, stelt vast dat (verweerder) de door de Belgische wet vereiste kwalificaties en kennis heeft om op de tabel van de Orde van architecten te worden ingeschreven (en) beveelt dat (verweerder) wordt ingeschreven op de tabel van de Orde van architecten van de provincie Luik", op grond "dat hoofdstuk II van het Verdrag van Rome het recht van vestiging invoert en artikel 52 bepaalt dat in het kader van de bepalingen van dat hoofdstuk de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat tijdens de overgangsperiode geleidelijk worden opgeheven ; dat, luidens het tweede lid van dat artikel, de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst omvat ; dat die bepaling ongetwijfeld een directe werking heeft en kan worden aangevoerd door elke onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap die in een andere Staat van de Gemeenschap een werkzaamheid, anders dan in loondienst, wil uitoefenen ; dat artikel 57, dat deel uitmaakt van hetzelfde hoofdstuk van het Verdrag, de Raad van de Gemeenschappen, volgens de in genoemde bepaling omschreven procedure, ermee gelast richtlijnen vast te stellen inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels 'teneinde de toegang tot de werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken' (...) ; dat luidens de conclusie van advocaat-generaal v. G. voor het arrest V., 'de richtlijnen (die vastgesteld zijn met toepassing van artikel 57) bestemd zijn om de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging te vergemakkelijken maar haar niet conditioneren' ; (...) dat uit de hierboven uiteengezette motivering volgt dat (verweerder) zich op de directe werking van artikel 52 kan beroepen, ook al is zijn diploma niet uitdrukkelijk bedoeld in de bepalingen van de richtlijn 384/85 ; (...) dat de bevoegde nationale overheid, in het raam van artikel 52 van het Verdrag, rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene heeft behaald met de bedo
eling zijn beroep in een andere lidstaat uit te oefenen en de uit die stukken blijkende bekwaamheid moet vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en kwalificaties ; dat de provinciale raad van architecten van de provincie Luik zulks moest onderzoeken in het kader van het verzoek van (verweerder), houder van een in de Bondsrepubliek Duitsland behaald diploma, om inschrijving op de tabel van de Orde van architecten ; dat die bevoegdheid, in het raam van het geding in hoger beroep, door de raad van beroep moet uitgeoefend worden ; dat (verweerder) zonder twijfel met zijn in Duitsland behaalde diploma van bouwkundig ingenieur in zijn land het beroep van architect mocht uitoefenen, wat blijkt uit een attest van de Orde van architecten van het 'Land Nordrhein-Westfalen' d.d. 6 mei 1992 ; dat de theoretische opleiding (van verweerder) blijkens dat attest aangevuld is met twee jaar praktijk als architect ; dat vaststaat dat (verweerder) in België ongeveer 25 jaar lang, in een verhouding van ondergeschiktheid, een activiteit van architect heeft uitgeoefend ; dat de talrijke door hem overgelegde attesten, zowel van voormalige werkgevers als van firma's waarmee hij op beroepsvlak samenwerkte, gewag maken van belangrijke projecten die hij voor zijn werkgevers heeft ontworpen en van het volste vertrouwen dat zij in hem hadden ; dat uit die attesten volgt dat (verweerder) 25 jaar lang alle taken die een architect moet vervullen tot tevredenheid van zijn medecontractanten heeft uitgevoerd ; dat uit de hierboven uiteengezette motivering volgt dat (verweerder) niet alleen in het bezit is van een diploma, aangevuld met een praktijk als architect in Duitsland, op grond waarvan hij in dat land als architect ingeschreven kon worden, maar dat zijn vijfentwintigjarige beroepsactiviteit in België een waarborg is voor zijn beroepsbekwaamheid ; dat (verweerder) erop wijst dat artikel 12, a), van de Belgische wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel van architect bepaalt dat de ingenieurs die werden gediplomeerd overeenkomstig de wetten op het toekennen van academische graden mogen optreden in de hoedanigheid van architect, en daaruit terecht afleidt dat de Belgische wet toestaat dat de houder van diploma's van hetzelfde type als het zijne, in België wettig het beroep van architect mag uitoefenen ; dat de door (verweerder) opgedane kennis en kwalificaties die worden verlangd, zowel op academisch vlak als door de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, in de hierboven uiteengezette omstandigheden, gelijkwaardig zijn aan die welke in België vereist zijn om op de tabel van een provinciale Orde als architect te worden ingeschreven".
Grieven 2.1. Eerste onderdeel Uit de samenlezing van de artikelen 52 en 57 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957, volgt dat een lidstaat op een verzoek tot toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere lidstaat heeft behaald, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde bekwaamheid en kwalificaties ; alleen de bekwaamheid en kwalificaties die respectievelijk blijken uit door de twee orden van diploma's of titels die worden afgewogen - te weten enerzijds, het of de diploma('s) die door verzoeker worden aangevoerd en, anderzijds, de diploma's en titels die door de nationale wetgeving worden vereist - het voorwerp van dat vergelijkend onderzoek kunnen en moeten uitmaken ; daarentegen is het zonder belang of het door de verzoeker aangevoerde diploma hem in staat zou stellen zijn beroep in een andere lidstaat uit te oefenen ; de bestreden beslissing is dus niet naar recht verantwoord door de overweging "dat (verweerder) zonder twijfel met zijn in Duitsland behaalde diploma van bouwkundig ingenieur in zijn land het beroep van architect mocht uitoefenen, wat blijkt uit een attest van de Orde van architecten van het 'Land Nordrhein-Westfalen' d.d. 10 mei 1992" (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen, met uitzondering van de artikelen 149 van de Grondwet en 6 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede onderdeel De bevoegde overheid van de Staat die een vergelijkend onderzoek moet uitvoeren van de bekwaamheid en kwalificaties die uit beide orden van titels en diploma's blijken - te weten, enerzijds, de of het diploma ('s) die door verzoeker worden aangevoerd en, anderzijds, de diploma's of titels die door de nationale wetgeving worden vereist ; in dit geval stelt de bestreden beslissing vast, enerzijds, dat verweerder in het bezit is van een diploma van ingenieur op 16 februari 1966 uitgereikt door de "Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen" te Aken (BRD), afdeling "Algemeiner Hochbau", en wijst de beslissing anderzijds erop dat artikel 12, a), van de Belgische wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel van architect bepaalt dat de ingenieurs die werden gediplomeerd overeenkomstig de wetten op het toekennen van academische graden mogen optreden in de hoedanigheid van architect ; de bestreden beslissing onderzoekt echter helemaal niet de bekwaamheid en kwalificaties zoals die blijken uit het diploma van ingenieur dat is afgeleverd door de afdeling "Algemeiner Hochbau" van de "Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen Aachen" en maakt evenmin een vergelijking tussen die bekwaamheid en de kwalificaties en die welke blijken uit het Belgisch ingenieursdiploma dat is bedoeld in artikel 12, a) en b), van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect ; de reden dat verweerder houder is van een diploma van ingenieur volstaat bijgevolg niet om de bestreden beslissing naar recht te verantwoorden (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen middelen, met uitzondering van de artikelen 149 van de Grondwet en 6 van het Burgerlijk Wetboek).
2.3. Derde onderdeel Ingevolge de publiekrechtelijke regel uit artikel 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten mag niemand in België het beroep van architect in welke hoedanigheid ook, als zelfstandige of ondergeschikte, uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde of op een lijst van stagiairs is ingeschreven ; de arbeidsovereenkomst die betrekking heeft op een architectonische opdracht is strijdig met de openbare orde als zij is gesloten met een werknemer die een dergelijke opdracht niet mag uitvoeren ; een dergelijke overeenkomst is bijgevolg volstrekt nietig ; zo uit de samenlezing van de artikelen 52 en 57 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap volgt dat een lidstaat, op een verzoek tot toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere lidstaat heeft behaald, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde bekwaamheid en kwalificaties, verplichten noch die artikelen 52 en 57 noch enige andere regel van het gemeenschapsrecht de bevoegde overheid van de aangezochte Staat ertoe rekening te houden met de beroepsbekwaamheid die eiser kan hebben verkregen door het onwettig uitoefenen van het betrokken beroep in de aangezochte Staat zelf ; in dit geval blijkt uit de vaststellingen van de raad van beroep dat verweerder voor de uitspraak van de bestreden beslissing in België nooit de toelating heeft gekregen om zich in te schrijven op een van de tabellen van de Orde of op een lijst van stagiairs ; de bestreden beslissing is dus bijgevolg niet naar recht verantwoord door de overweging dat verweerder gedurende vijfentwintig jaar in België een activiteit als architect in loondienst heeft uitgeoefend (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet) ; op zijn minst dient de vergelijking die door de bevoegde overheid van de aangezochte Staat moet worden gemaakt alleen te slaan op de bekwaamheid en kwalificaties die blijken, enerzijds, uit de diploma's van verzoeker en, anderzijds, uit de bekwaamheid en kwalificaties die door de nationale regels worden vereist ; de bevoegdheid die verworven wordt door de uitoefening van het beroep is alleen van belang als de betrokkene voldoet aan de in artikel 12 van de richtlijn gestelde voorwaarden ; de bestreden beslissing stelt vast dat verweerder niet voldoet aan de in artikel 12 van de richtlijn gestelde voorwaarden ; bijgevolg kan de reden dat "verweerder gedurende vijfentwintig jaar zijn beroep in België heeft uitgeoefend, wat zijn beroepsbekwaamheid bewijst" , niet volstaan om de bestreden beslissing naar recht te verantwoorden, zelfs niet als hij wettig een activiteit als architect heeft kunnen uitoefenen, zonder de titel te dragen, in het kader van een gezagsverhouding (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen, met uitzondering van de artikelen 149 van de Grondwet en 6 van het Burgerlijk Wetboek).
2.4 Vierde onderdeel De in de aanhef van het middel weergegeven redenen zijn op zijn minst dubbelzinnig ; de bestreden beslissing zegt immers dat "de door (verweerder) opgedane kennis en kwalificaties die worden verlangd, zowel op academisch vlak als door de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, in de hierboven uiteengezette omstandigheden, gelijkwaardig zijn aan die welke in België vereist zijn om op de tabel van een provinciale Orde als architect te worden ingeschreven" ; gelet op het geheel van de redenen van de beslissing die zijn weergegeven in de aanhef van het middel kan uit die considerans niet worden opgemaakt of de bodemrechters de bekwaamheid en kwalificaties hebben onderzocht die blijken uit een ingenieursdiploma dat in 1966 is afgeleverd door een afdeling "Algemeiner Hochbau" van een school voor ingenieursopleiding van de Duitse Bondsrepubliek en hebben vastgesteld dat die bekwaamheid en kwalificaties overeenstemmen met die welke de Belgische wet vereist (eerste uitlegging) dan wel of zij gesteund hebben op de omstandigheid dat verweerders diploma hem toeliet het beroep van architect in Duitsland uit te oefenen, dat hij in België gedurende vijfentwintig jaar in het kader van een gezagsverhouding een activiteit als architect had uitgeoefend, en dat het diploma dat hem door de "Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen" te Keulen was afgeleverd een ingenieursdiploma was, om daaruit af te leiden dat zijn kennis en kwalificaties als evenwaardig moesten worden beschouwd aan die welke de Belgische wet vereist, ongeacht de inhoud van de studie die leidt tot het diploma dat in 1966 door de afdeling "Algemeiner Hochbau" van de voornoemde Duitse school is afgeleverd (tweede uitlegging) ; de redenen van de bestreden beslissing lijden bijgevolg aan dubbelzinnigheid zodat het Hof de wettigheid ervan niet kan nagaan, wat een schending van artikel 149 van de Grondwet oplevert.
V. Beslissing van het Hof 1. Eerste middel Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn voornoemd arrest van 22 januari 2002 voor recht heeft gezegd dat artikel 43, vroeger artikel 52, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap "aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een gemeenschapsonderdaan bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om te worden toegelaten tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, die autoriteiten rekening moeten houden met alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene, door de uit deze titels en ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en kwalificaties, ook al is voor het betrokken beroep een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's vastgesteld, maar dat de toepassing van die richtlijn niet kan leiden tot automatische erkenning van de titel(s) van de verzoeker" ;
Dat het middel, dat betoogt dat het bestaan van een dergelijke richtlijn uitsluit dat die vergelijkende studie wordt uitgevoerd wanneer verzoeker een titel doet gelden die daarin niet is aangewezen, naar recht faalt ;
2. Tweede middel Wat betreft het vierde onderdeel :
Overwegende dat uit het geheel van de redenen van de bestreden beslissing, zonder de in dit onderdeel aangeklaagde dubbelzinnigheid, blijkt dat de raad van beroep om te beslissen dat verweerder "over de bij de Belgische wet vereiste kwalificaties en kennis beschikt om op de tabel van de Orde van architecten te worden ingeschreven", op grond van artikel 43 van het Verdrag in de uitlegging die in het antwoord op het eerste middel wordt verduidelijkt, die kennis en kwalificaties heeft vergeleken met de bevoegdheid die blijkt uit het diploma van eiser en met zijn ervaring ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
Wat betreft de eerste drie onderdelen samen :
Overwegende dat de bestreden beslissing zegt "dat (verweerder) zonder twijfel met zijn in Duitsland behaalde diploma van bouwkundig ingenieur, in zijn land het beroep van architect mocht uitoefenen, wat blijkt uit een attest van de Orde van architecten van het 'Land Nordrhein-Westfalen' d.d. 6 mei 1992"; en "dat de theoretische opleiding (van verweerder) blijkens dat attest aangevuld is met twee jaar praktijk als architect" ;
Dat de raad van beroep aldus helemaal niet overweegt dat verweerder moet ingeschreven zijn op de tabel van de Orde van architecten van de provincie Luik omdat zijn diploma hem in Duitsland toegang verleent tot het beroep van architect, maar op de aard van de theoretische vorming steunt die uitmondt in dat diploma en die met een praktische activiteit is aangevuld, om de bekwaamheid die uit dat diploma blijkt te vergelijken met die van de diploma's die de Belgische wet vereist ;
Overwegende dat de raad van beroep, door rekening te houden met die vorming en met de ervaring die verweerder nadien heeft verworven tijdens een vijfentwintigjarige activiteit "als werknemer in verschillende architecten-bureaus", op pertinente criteria heeft gesteund bij de vergelijking die is voorgeschreven door de correcte toepassing van artikel 43 van het Verdrag en waaruit zij, op grond van een feitelijke beoordeling, wettig heeft kunnen afleiden dat verweerder over de nodige kennis en kwalificaties beschikt zodat zijn aanvraag kan worden ingewilligd ;
Overwegende dat de raad van beroep, voor het overige, door de nuttige ervaring van verweerder als werknemer in aanmerking te nemen, geen uitwerking heeft verleend aan een arbeidsovereenkomst die hij zou hebben gesloten noch aan een activiteit die hij in ongeoorloofde omstandigheden zou hebben uitgeoefend, en aldus artikel 5 van de wet van 26 juni 1963 tot oprichting van een Orde van architecten niet schendt ;
Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN, HET HOF Verwerpt de voorziening ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Philippe Echement, Christian Storck, Didier Batselé en Daniel Plas, en in openbare terechtzitting van vijf september tweeduizend en twee uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmeniter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.