Hof van Cassatie: Arrest van 6 November 1991 (België). RG 9244

Date :
06-11-1991
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19911106-10
Role number :
9244

Summary :

Nu het orgaan van een rechtspersoon zich met deze vereenzelvigt en namens hem handelt, is het verplicht te zorgen voor de naleving van de wetsbepalingen, waarvan de overtreding een misdrijf oplevert; niet naar recht verantwoord is derhalve de beslissing van de rechter die, naar aanleiding van vervolgingen tegen het orgaan van een rechtspersoon wegens de exploitatie van een clandestiene slijterij van gegiste dranken zonder betaling van de openingsbelasting op die slijterij, beklaagde vrijspreekt, op grond, enerzijds dat "uit geen enkel gegeven van de zaak blijkt (dat hij) in het pand ofwel aan de verkoop van alcoholische dranken heeft deelgenomen, ofwel de verkoop ervan heeft mogelijk gemaakt", anderzijds, dat hij "nooit iets heeft afgeweten van de activiteiten" van een medebeklaagde, zonder daarbij te beslissen dat de dwaling van de vrijgesproken beklaagde onoverkomelijk was. ( Artt. 8; 9, alinéa 1; 17, alinéa 1; en 35, alinéa alinéa 1 en 2; van K.B. 3 april 1953. )

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 21 mei 1991 door het Hof van Beroep te Bergen gewezen;
I. In zoverre de voorziening gericht is tegen de op de strafvordering gewezen beslissing;
A. waarbij wordt vastgesteld dat de strafvordering wegens de telastleggingen a en b verjaard is;
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. waarbij verweerder van de telastlegging c wordt vrijgesproken :
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1, 1°, 8, 9, alinéa 1, 17, alinéa 1, 19, 1°, 28, 32, 35, alinéa alinéa 1 en 2, en 37, alinéa 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1967, en van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de beslissingen in strafzaken gezag van gewijsde hebben erga omnes,
doordat het bestreden arrest het beroepen vonnis, dat de Correctionele Rechtbank te Charleroi op 21 december 1988 ten aanzien van verweerder gewezen heeft, tenietdoet en verweerder vrijspreekt van de telastlegging van niet-betaling van de openingsbelasting van een slijterij van gegiste dranken, op grond : "... dat de bestuurders van een v.z.w. strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden verklaard, mits wordt aangetoond dat zij ofwel aan de verkoop van alcoholische dranken hebben deelgenomen, ofwel de verkoop ervan hebben mogelijk gemaakt en dat geen belasting op de exploitatie van een drankgelegenheid is betaald ...; ... dat te dezen uit geen enkel gegeven van de zaak blijkt dat (verweerder) ofwel aan de verkoop van alcoholische dranken heeft deelgenomen ofwel die verkoop heeft mogelijk gemaakt in het pand, gelegen in de rue de la Bruyère, nr. 399 te Marcinelle; dat integendeel het onderzoek ... ondubbelzinnig heeft uitgewezen dat dit pand alleen aan M... J... was verhuurd als drankgelegenheid en dat (verweerder) nooit weet heeft gehad van diens activiteiten ...; dat trouwens ... de beambten van de administratie van douane en accijnzen zelfs tot de slotsom waren gekomen dat niemand anders dan de heer M... op eigen risico en voor eigen rekening de op het bovengenoemde adres gelegen drankgelegenheid exploiteerde",
terwijl verweerder is gedagvaard als bestuurder en voorzitter van de vereniging zonder winstoogmerk La Bruyère met maatschappelijke zetel te Charleroi (Marcinelle), rue de la Bruyère 399, terwijl de heer M... J... is gedagvaard als bestuurder en werkelijke exploitant van die vereniging; uit het beroepen vonnis, uit de bij het dossier gevoegde statuten van de v.z.w., waarnaar het vonnis verwijst, alsook uit de conclusie van eiser blijkt dat verweerder was aangewezen als bestuurder en voorzitter van de v.z.w. met de bevoegdheden, die zijn omschreven in de statuten en meer bepaald in artikel 10, naar luid waarvan de raad van bestuur de zaken van de vereniging beheert en haar in de persoon van haar voorzitter (of van een te dezen niet aanwezige afgevaardigd bestuurder) vertegenwoordigt bij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen; verweerder dus als bestuurder en voorzitter van de vereniging moest toezien op de nakoming, door die vereniging, van de in geval van opening van een drankgelegenheid geldende verplichtingen; uit geen enkele wetsbepaling blijkt dat, wanneer een nieuwe slijter een rechtspersoon is, alleen het orgaan dat met de werkelijke exploitatie van de slijterij is belast en zelf aan de verkoop van alcoholische dranken heeft deelgenomen of die verkoop heeft mogelijk gemaakt, strafrechtelijk aansprakelijk is, met uitsluiting van de overige organen van die rechtspersoon; de omstandigheid dat verweerder niets afwijst van de exploitatie van de slijterij, verweerder niet kan ontslaan van alle strafrechtelijke aansprakelijkheid als orgaan van de v.z.w., nu het bestaan van een onoverkomelijke dwaling niet is vastgesteld; het hof van beroep uit de vaststellingen dat de heer M... het pand had gehuurd waar de slijterij werd geëxploiteerd en dat de beambten van de administratie hadden gezegd dat de heer M... de slijterij op eigen risico en voor eigen rekening exploiteerde, niet kon afleiden dat verweerder niet aansprakelijk was; aangezien noch vaststond dat de slijterij werd geëxploiteerd namens de v.z.w. met het beheer waarvan verweerder was belast; de heer M... trouwens in zijn hoedanigheid van bestuurder van de v.z.w. door de Correctionele Rechtbank te Charleroi bij vonnis van 21 december 1938 - dat ten aanzien van de beklaagde M... bij verstek was gewezen en aan hem op 2 februari 1989 was betekend, zonder gekende woon- of verblijfplaats - is veroordeeld wegens het clandestien houden van de drankgelegenheid die hij exploiteerde namens en voor rekening van de v.z.w.; het bestreden arrest dus niet zonder afbreuk te doen aan het gezag van gewijsde van de ten aanzien van de heer M... op 21 december 1988 gewezen beslissing en niet zonder aan de gecoördineerde wetten op de slijterijen van gegiste dranken een voorwaarde toe te voegen die daarin niet voorkwam, kon beslissen dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verweerder voor de niet-nakoming van de wettelijke verplichting ter zake van de betaling van de openingsbelasting uitgesloten was, op grond dat de slijterij in werkelijkheid door M... en niet door op grond dat de slijterij in werkelijkheid door M... en niet door verweerder geëxploiteerd werd, terwijl toch vaststond en reeds erga omnes was beslist dat de exploitatie gebeurde namens de v.z.w. en het ook vaststond dat verweerder krachtens de statuten als orgaan verantwoordelijk was voor het beheer van de zaken van de vereniging en dus voor de vervulling van de ter zake van de opening van de litigieuze slijterij geldende wettelijke verplichtingen (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag erga omnes van het rechterlijk gewijsde in strafzaken, alsook van de bovenaan in het middel aangehaalde wetsbepalingen) :
Overwegende dat verweerder onder meer werd vervolgd uit hoofde van het feit dat hij "als bestuurder en voorzitter van de vereniging zonder winstoogmerk La Bruyère" een clandestiene slijterij van gegiste dranken heeft geëxploiteerd zonder de daarop verschuldigde openingsbelasting te hebben betaald;
Overwegende dat hij als orgaan van die rechtspersoon zich met hem vereenzelvigde en namens hem moest handelen; dat hij aldus moest zorgen voor de naleving van de wetsbepalingen waarvan de overtreding het misdrijf oplevert;
Dat derhalve het hof van beroep, nu het verweerder vrijspreekt op grond, enerzijds, dat "uit geen enkel gegeven van de zaak blijkt (dat hij) in het pand ofwel aan de verkoop van alcoholische dranken heeft deelgenomen, ofwel de verkoop ervan heeft mogelijk gemaakt", anderzijds "dat hij nooit iets heeft afgeweten van de activiteiten" van een medebeklaagde, zonder te beslissen dat de dwaling van verweerder onoverkomelijk was, de beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
II. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de door eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering :
Over het tweede middel : schending van de artikelen 47bis van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1967, 283 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen, bekrachtigd door de wet van 6 juli 1978, artikel 1,
doordat het bestreden arrest, na verweerder te hebben vrijgesproken van de telastlegging van niet-betaling van de openingsbelasting op een slijterij van gegiste dranken, na hem te hebben ontslagen van de tegen hem ingestelde vervolgingen en na hem te hebben ontheven van alle door de eerste rechter tegen hem uitgesproken veroordelingen, verzuimt uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering van eiser tot betaling van die belasting en de kosten van beide instanties ten laste van eiser laat,
terwijl, ..........
tweede onderdeel, de beslissing waarbij verweerder ontheven wordt van "alle tegen hem uitgesproken veroordelingen", hoe dan ook, niet naar recht verantwoord is, in zoverre zij betrekking heeft op de civielrechtelijke veroordelingen, namelijk de door eerste rechter uitgesproken veroordelingen tot betaling van de openingsbelasting, de interesten en de kosten; de rechtsvordering tot inning van de ontdoken rechten of belastingen inzake douane en accijnzen immers volkomen los staat van de strafvordering, ook al wordt zij naar aanleiding daarvan ingesteld; de grondslag van die rechtsvordering niet het misdrijf is, maar de wet die de betaling van die rechten of belastingen oplegt; de beslissing waarbij verweerder was vrijgesproken op grond dat hij niet strafrechtelijk aansprakelijk was, de strafrechter dus niet verhinderde recht te doen op de burgerlijke rechtsvordering tot betaling van de openingsbelasting op de litigieuze slijterij; het bestreden arrest dus niet wettig zijn beslissing betreffende die burgerlijke rechtsvordering kon gronden op een motivering die verband hield met de strafvordering (schending van de in het middel vermelde wetsbepalingen) :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat krachtens artikel 283 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, dat door artikel 47bis van de bovengenoemde gecoördineerde wetten van toepassing is verklaard op de overtredingen van de gecoördineerde wetten op de slijterijen van gegiste dranken, de burgerlijke rechtsvordering tot inning van de ontdoken rechten weliswaar wordt ingesteld naar aanleiding van de strafvordering maar daarvan volkomen los staat; dat zij niet gegrond is op de overtreding, maar rechtstreeks op de wet die de betaling van die rechten voorschrijft;
Overwegende dat het arrest, nu het de beslissing waarbij verweerder ontheven wordt van de door de eerste rechter tegen hem uitgesproken civielrechtelijke veroordelingen enkel grondt op het verval van de strafvordering of op de omstandigheid dat verweerder niet strafrechtelijk aansprakelijk is, de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Om die redenen, zonder dat er grond bestaat tot onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing, vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de tegen verweerder wegens de tegelastleggingen a en b ingestelde strafvordering; verwerpt de voorziening voor het overige; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; veroordeelt eiser en verweerder, respectievelijk in twee derde en een derde van de kosten; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.