Hof van Cassatie: Arrest van 6 November 1995 (België). RG S950034N

Date :
06-11-1995
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19951106-1
Role number :
S950034N

Summary :

Niet naar recht verantwoord is het arrest dat oordeelt dat een arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd en er een recht op opzeggingsvergoeding is ontstaan, op grond van de enkele vaststelling dat de werkgever als lastgever gebonden is door het ontslag gegeven door een lasthebber aan wie hij daartoe geen macht had verleend.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 23 september 1994 door het Arbeidshof te Brussel gewezen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending, van de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet, 13, eerste lid, 53, 54, gewijzigd bij artikel 14 Wet 6 maart 1973, 61, 63, eerste lid, gewijzigd bij artikel 15 Wet 6 maart 1973, van de Vennootschappenwet, samengeordend bij koninklijk besluit van 30 november 1935, vormend titel IX van het boek I van het Wetboek van Koophandel, 32, 3°, 35, het vierde tot en met het achtste lid gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 18 juli 1985, 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 1338, i.h.b. derde lid, 1998, en, voor zoveel als nodig, 1984, 1987, 1988 en 1989 van het Burgerlijk Wetboek;
doordat, het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat het litigieuze ontslag "gegeven werd door een lasthebber van de werkgever die niet over de nodige of voldoende bevoegdheid beschikte", beslist dat "zodoende de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigd werd" en oordeelt dat er in hoofde van verweerder "een recht op een opzeggingsvergoeding (ontstaat)"; het bestreden arrest op voormelde gronden het hoger beroep van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond verklaard, dienvolgens, onder bevestiging van het vonnis a quo, eiseres veroordeelt tot betaling van een opzeggingsvergoeding en een vergoeding voor restauratiekosten, de zaak voor wat betreft de door de eerste rechter niet behandelde vorderingen aan zich trekt, en, vooraleer hierover ten gronde te beslissen, dit gedeelte van de vorderingen naar de bijzondere rol verwijst;
terwijl, overeenkomstig artikel 13 van de Vennootschappenwet, de vennootschappen door hun zaakvoerders of bestuurders handelen; artikel 63, eerste lid van diezelfde wet voor de naamloze vennootschap de mogelijkheid bepaalt om in de benoeming van een orgaan van dagelijks bestuur te voorzien; luidens voormelde wettelijke bepaling de bevoegdheden van het orgaan van dagelijks bestuur beperkt zijn tot het dagelijks bestuur en de vertegenwoordiging van de vennootschap wat dat bestuur aangaat; de bevoegdheid van dat orgaan om de vennootschap tegenover derden te verbinden derhalve beperkt is tot de omvang van het dagelijks bestuur; handelend binnen de grenzen van zijn wettelijke vertegenwoordigingsmacht, het orgaan van dagelijks bestuur de vennootschap rechtstreeks verbindt; de handelingen die daarentegen buiten de perken van het dagelijks bestuur verricht zijn, de vennootschap niet verbinden, onverminderd de bekrachtiging door de raad van beheer of de gebondenheid van de vennootschap krachtens toerekenbare schijn van bevoegdheid;
en terwijl, tweede onderdeel, luidens artikel 13 van de Vennootschappenwet, de vennootschappen door hun zaakvoerders of bestuurders handelen; uit de beslissing van het bestreden arrest dat het orgaan van dagelijks bestuur niet over de vereiste vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikte om eiseres bij het litigieuze ontslag te vertegenwoordigen noodzakelijk volgt dat de litigieuze rechtshandeling eiseres niet kan toegerekend worden; nu door het Arbeidshof niet werd vastgesteld dat het litigieuze ontslag door de raad van beheer bekrachtigd werd, en dit Hof evenmin het voorhanden zijn van een aan eiseres toerekenbare schijn van bevoegdheid heeft aangenomen, het bestreden arrest niet zonder miskenning van de bepalingen van de Vennootschappenwet, alsmede van de principes die de basis vormen van de vertegenwoordigingsfiguur,
de veroordeling van eiseres tot betaling aan verweerder van een opzeggingsvergoeding zoals uitgesproken door de eerste rechter heeft kunnen bevestigen, nu deze beslissing impliceert dat het Arbeidshof eiseres verbonden acht door het litigieuze ontslag; zodat, het bestreden arrest, door bij bevestiging van het vonnis a quo, te beslissen dat de arbeidsovereenkomst ingevolge het ontslag dat gegeven werd door een niet bevoegd orgaan onregelmatig beëindigd werd en eiseres uit dien hoofde tot betaling van een opzeggingsvergoeding te veroordelen, niet wettelijk gerechtvaardigd is (schending van de artikelen 13, eerste lid, 53, 54, 61 en 63 van de Vennootschappenwet, 1338, i.h.b. derde lid, 1998, en, voor zoveel als nodig, 1984, 1987, 1988, 1989 van het Burgerlijk Wetboek); het bestreden arrest bijgevolg niet wettig eiseres tot betaling van een opzeggingsvergoeding heeft kunnen veroordelen (schending van de artikelen 32, 3°, 35, 82 van de wet van 3 juli 1978);
Wat het tweede onderdeel betreft :
Over de grond van niet-ontvankelijkheid, opgeworpen door verweerder : het middel is nieuw :
Overwegende dat het arrest oordeelt dat het ontslag gegeven werd door een lasthebber van de werkgever die daartoe niet bevoegd was, dat aldus de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd en er een recht op een opzeggingsvergoeding is ontstaan;
Overwegende dat niet als nieuw valt aan te merken, het tot staving van een voorziening aangevoerde middel dat schending aanvoert van een wettelijke bepaling waarvan de rechters, volgens de redenen van hun beslissing, toepassing hebben gemaakt;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen;
Over het onderdeel zelf :
Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek, de lastgever niet gehouden is tot hetgeen buiten de door hem verleende macht is gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft;
Overwegende dat het arrest, door alleen op grond van de hiervoren vermelde redenen te oordelen dat eiseres als lastgever gebonden is door het ontslag, gegeven door een lasthebber aan wie zij daartoe geen macht had verleend, die beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat, buiten het geval dat de verweerder in cassatie een middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening heeft opgeworpen, geen wetsbepaling aan eiser tot cassatie de mogelijkheid biedt om te antwoorden op de memorie die een verweerder heeft ingediend;
OM DIE REDENEN,
zonder acht te slaan op de door eiseres ter griffie op 7 september 1995 neergelegde memorie,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen.