Hof van Cassatie: Arrest van 6 Oktober 2004 (België). RG P040862F
Summary :
Wanneer op de terechtzitting waarop de strafvordering bij het vonnisgerecht wordt ingeleid, de behandeling van de zaak wordt verdaagd, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, is de verjaring van de strafvordering niet geschorst voor de duur van één jaar zolang het vonnnisgerecht voormeld onderzoek niet heeft hervat; het is niet van belang of de behandeling van de zaak al dan niet naar een welbepaalde datum werd verdaagd en evenmin dat de beslissing volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting of het voorwerp uitmaakt van een vonnis.
Arrêt :
G. O.,
beklaagde,
Mrs. Olivier Bastyns en Cédric Roos, advocaten bij de balie te Brussel.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 april 2004 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Neufchâteau.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
Over het eerste middel :
Overwegende dat uit artikel 24, eerste lid, 1°, van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals dit door artikel 3 van de wet van 11 december 1998 was gewijzigd, blijkt dat, wanneer op de zitting waarop de strafvordering bij het vonnisgerecht wordt ingeleid, de behandeling van de zaak wordt verdaagd, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, de verjaring van de strafvordering niet is geschorst voor de duur van één jaar zolang het vonnisgerecht voormeld onderzoek niet heeft hervat ; dat het niet van belang is of de behandeling van de zaak al dan niet naar een welbepaalde datum werd verdaagd ; dat het evenmin belang heeft dat de beslissing volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting of het voorwerp uitmaakt van een vonnis ;
Overwegende dat het vonnis eiser veroordeelt uit hoofde van het feit dat hij, op 3 juni 2001, een zware overtreding van het Wegverkeersreglement heeft begaan, waarvoor, krachtens artikel 68 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, de verjaringstermijn van de strafvordering één jaar bedraagt ;
Overwegende dat eiser op 26 april 2002 werd gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechtbank van 7 juni 2002 ; dat, op die terechtzitting, de rechtbank "de zaak, op verzoek van het Parket om een ambtelijke opdracht, naar de openbare terechtzitting van 27 september 2002" heeft verdaagd, en vervolgens andere verdagingen heeft bevolen, op grond dat de stukken betreffende de uitvoering van die ambtelijke opdracht niet in het dossier waren neergelegd, naar de terechtzitting van 12 september 2003, waarop de rechtbank de zaak heeft onderzocht ;
Overwegende dat, aangezien meer dan één jaar is verlopen, zonder dat er grond was voor schorsing van de strafvordering, sedert de dagvaarding van 26 april 2002 die de daad van vervolging was die voor de laatste maal die verjaring binnen de eerste termijn heeft gestuit, de strafvordering, op datum van het bestreden vonnis, vervallen was door verjaring ; dat de appèlrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden ;
Dat het middel, wat dat betreft, gegrond is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden vonnis ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ;
Laat de kosten ten laste van de Staat ;
Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Frédéric Close, Paul Mathieu, Sylviane Velu en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,