Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Hof van Cassatie: Arrest van 7 Januari 1993 (België). RG F1217F

Date :
07-01-1993
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19930107-2
Role number :
F1217F

Summary :

Volgens art. 11 K.B. nr. 4 van 22 augustus 1934 moeten de aanslagbiljetten worden verzonden bij een ter post aangetekend schrijven, wanneer zij belastingen betreffen die minstens 1.000 fr. in hoofdsom bereiken, zonder inbegrip van de bij wijze van straf geëiste geldboeten en verhogingen; uit het feit dat die vormvereiste van aantekening per post op zichzelf geen wezenlijke vormvereiste voor de verzending van het aanslagbiljet uitmaakt, valt niet af te leiden dat het niet vervullen ervan helemaal geen gevolg heeft.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 14 februari 1992 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het eerste middel : schending van artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het hof (van beroep), dat uitspraak dient te doen over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de ten laste van verweerder voor het belastingjaar 1981 gevestigde belasting, erop wijst "dat de administratie uit de datum van de verzending van het bezwaarschrift afleidt dat het laattijdig is, op grond dat het te laat naar de bevoegde directeur zou zijn gestuurd", vervolgens vaststelt "dat hoewel op het aanslagbiljet wordt vermeld dat het op 4 januari 1984 naar (verweerder) werd verstuurd, uit het dossier evenwel helemaal niet blijkt dat het bij aangetekend schrijven zou zijn verstuurd", en beslist "dat bij ontstentenis van het bewijs geenszins is aangetoond dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verstuurd of op 4 januari 1984 bij (verweerder) is toegekomen" en "dat in die omstandigheden evenmin is aangetoond dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift reeds is beginnen lopen"; het hof stelt bijgevolg vast dat het bezwaarschrift dat op 17 juli 1984 bij de bevoegde directeur is toegekomen, ontvankelijk is,
terwijl, naar luid van artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, "de bezwaarschriften op straffe van verval moeten worden ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet (...)"; die termijn van zes maanden begint te lopen vanaf de datum op dat aanslagbiljet, zoals die blijkt uit de vermelding van de verzending ervan op het biljet, wanneer die verzending regelmatig is; de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen geen invloed heeft op de aanvang van die termijn; de regelmatigheid van de verzending van het aanslagbiljet vereist dat het is gestuurd naar de woonplaats waar de belastingplichtige in de bevolkingsregisters is ingeschreven, maar geenszins dat het bij ter post aangetekende brief is verstuurd met toepassing van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 4 van 22 augustus 1934; het arrest niet vaststelt dat het litigieuze aanslagbiljet niet naar verweerders woonplaats zou zijn gestuurd; daaruit volgt dat de overwegingen van het arrest de beslissing dat verweerders bezwaarschrift op grond van artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen ontvankelijk is, niet naar recht verantwoorden en dat het hof van beroep bijgevolg de in het middel aangewezen bepalingen schendt;
Overwegende dat het arrest beslist dat verweerders bezwaarschrift tegen de aanslag in de personenbelasting die voor een bedrag van 12.280 frank ten kohiere is gebracht onder artikel 340.238 van het belastingjaar 1981, ontvankelijk is;
Overwegende dat verweerder te dezen betoogde dat niet was aangetoond dat het aanslagbiljet op de op dat biljet vermelde datum was verstuurd;
Overwegende dat het arrest verweerders bezwaarschrift ontvankelijk verklaart op grond "dat (verweerder), nu hij voor het belastingjaar 1981 geen aangifte in de personenbelasting had ingevuld, op 2 september 1981 een bericht van aanslag ambtshalve heeft ontvangen; dat hem van die aanslag kennis is gegeven bij aangetekende brief van 18 november 1983; dat de administratie het netto-belastbaar inkomen op 378.910 frank heeft bepaald, waarop dan op 29 december 1983 de litigieuze aanslag werd gevestigd, die op 4 januari 1984 is verstuurd (...); dat de administratie uit de datum van de verzending van het bezwaarschrift tevergeefs afleidt dat het laattijdig is, op grond dat het te laat naar de bevoegde directeur zou zijn gestuurd; dat, hoewel op het aanslagbiljet wordt vermeld dat het op 4 januari 1984 naar verzoeker werd verstuurd, uit het dossier evenwel helemaal niet blijkt dat het bij aangetekend schrijven zou zijn verstuurd; dat bij ontstentenis van dat bewijs geenszins is aangetoond dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verstuurd of op 4 januari 1984 bij verzoeker is toegekomen; dat in die omstandigheden evenmin is aangetoond dat de verjaringstermijn van het bezwaarschrift reeds is beginnen lopen;
Overwegende dat de bij artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalde termijn waarbinnen het bezwaarschrift op straffe van verval moet worden ingediend, begint te lopen vanaf de dag na de werkelijke verzending van het aanslagbiljet, als die verzending regelmatig is; dat die datum, behoudens bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum is;
Overwegende dat volgens artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 4 van 22 augustus 1934, de aanslagbiljetten dan alleen bij ter post aangetekende brief dienen te worden verzonden, wanneer zij belastingen betreffen welke minstens 1.000 frank in hoofdsom bereiken, zonder inbegrip van de bij wijze van straf geëiste geldboeten en verhogingen;
Overwegende dat die vormvereiste van aangetekend schrijven op zichzelf zeker geen wezenlijke vormvereiste van de verzending van het aanslagbiljet uitmaakt; dat daaruit evenwel niet kan worden afgeleid dat het niet vervullen ervan helemaal geen gevolg heeft;
Overwegende dat dit bezwaarschrift, wanneer de verzending, die ingevolge voormeld artikel 11 bij aangetekende brief diende te gebeuren, bij gewone brief is gedaan of wanneer de administratie niet aantoont dat zij bij aangetekende brief is gedaan en de belastingplichtige aanvoert dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, alleen laattijdig kan worden verklaard als de administratie aantoont dat de belastingplichtige een aanslagbiljet heeft ontvangen; dat de belastingplichtige, overigens, wanneer hij erkent het aanslagbiljet te hebben ontvangen, zij het op een tijdstip dat zo lang na de op dat stuk vermelde verzendingsdatum komt, dat zijn recht om bezwaarschrift in te dienen niet binnen de bij artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalde termijn kon worden uitgeoefend, en als de administratie niet het tegendeel bewijst, recht heeft op een verlenging van die termijn, nu dat geval met het geval van overmacht kan worden gelijkgesteld;
Overwegende dat verweerder weliswaar aanvoerde dat niet was aangetoond dat het aanslagbiljet op de op dat biljet vermelde datum was verstuurd, maar niet betoogde dat hij dat biljet niet had ontvangen of had ontvangen op een tijdstip dat zo lang na de op dat stuk vermelde verzendingsdatum komt, dat zijn recht om bezwaarschrift in te dienen niet binnen de bij artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalde termijn kon worden uitgeoefend;
Dat het hof van beroep bijgevolg niet zonder schending van voornoemd artikel 272 kan beslissen dat verweerders bezwaarschrift, dat op 17 juli 1984 aan de bevoegde directeur is voorgelegd, ontvankelijk is;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.