Hof van Cassatie: Arrest van 8 December 2014 (België). RG S.13.0006.N-S.13.0079.N
Summary :
Wanneer de partijen geen concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen en zij na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een niet-concurrentieovereenkomst sluiten waarbij aan de vroegere werknemer, als tegenprestatie voor zijn verbintenis zijn vroegere werkgever geen concurrentie aan te doen, een vergoeding wordt toegekend, wordt het recht op deze vergoeding, in zoverre het geen verdoken vergoeding voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft, niet toegekend ingevolge de vroeger bestaande arbeidsovereenkomst of de beëindiging ervan, maar ingevolge de latere overeenkomst; deze vergoeding is, bij ontstentenis van uitbreiding van het begrip loon in dit verband, dienvolgens geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet, noch voor de sociale zekerheid; de vergoeding voor niet-concurrentie die de werkgever verschuldigd is krachtens het concurrentiebeding dat in of tijdens de arbeidsovereenkomst is aangegaan, wordt verworven ingevolge de dienstbetrekking en is derhalve loon in de zin van artikel 2 Loonbeschermingswet en aldus onderworpen aan rsz-bijdragen; de omstandigheid dat het concurrentiebeding werd aangegaan na het ontslag, in de loop van de opzeggingstermijn, doet daaraan niet af.
Arrêt :
Nr. S.13.0006.N
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
CARTAMUNDI nv, met zetel te 2300 Turnhout, Visbeekstraat 22,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kan-toor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweer-ster woonplaats kiest,
II
Nr. S.13.0079.N
CARTAMUNDI nv, met zetel te 2300 Turnhout, Visbeekstraat 22,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kan-toor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, van 9 december 2011.
Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
In de zaak S.13.0006.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
In de zaak S.13.0079.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. Voeging
1. De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest, zodat zij die-nen te worden gevoegd.
B. Zaak S.13.0006.N
Eerste middel
Ontvankelijkheid
2. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel komt in al zijn onderdelen op tegen overtollige redenen met betrekking tot de gel-digheid of de uitwerking van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst met L.K., terwijl de bestreden beslissing naar recht verantwoord is op grond van de niet-bekritiseerde of -bekritiseerbare reden dat de overeenkomst van niet-concurrentie van 5 maart 2003 rechtsgeldig is en gesitueerd is buiten de arbeids-overeenkomst.
3. Anders dan waarvan de verweerster uitgaat, is een vergoeding die aan een werknemer is toegekend als tegenprestatie voor de verbintenis zijn vroegere werkgever geen concurrentie aan te doen, slechts geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet en dus voor de toepassing van de RSZ-wet, op voorwaar-de, onder meer, dat de partijen geen geldig concurrentiebeding hebben opgeno-men in de arbeidsovereenkomst.
Het oordeel van de appelrechters dat het in de arbeidsovereenkomst van L.K. op-genomen concurrentiebeding nietig is, dan wel geen uitwerking heeft, draagt bij-gevolg de beslissing dat de vergoeding die is bepaald in de overeenkomst van niet-concurrentie van 5 maart 2003 vrij is van rsz-bijdragen.
De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
Gegrondheid
Eerste onderdeel
4. De rechter mag de door de partijen aangevoerde redenen ambtshalve aanvul-len, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij con-clusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd en dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en hierbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de gel-digheid van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van L.K. in het debat was.
6. Het arrest oordeelt dat het concurrentiebeding, opgenomen in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst van L.K., niet beantwoordt aan de voorschriften van arti-kel 65 Arbeidsovereenkomstenwet en derhalve nietig is en aldus voor niet-geschreven moet worden gehouden, zodat er juridisch in de arbeidsovereenkomst geen concurrentiebeding aanwezig was. Het beslist op die grond dat de overeen-komst van niet-concurrentie van 5 maart 2003 rechtsgeldig is en gesitueerd is bui-ten de arbeidsovereenkomst van 29 maart 2000, zodat de erin bepaalde compensa-toire vergoeding "RSZ-vrij" is.
7. Het arrest dat aldus zijn beslissing mede laat steunen op een ambtshalve aangevoerde grond, zonder die aan tegenspraak te onderwerpen, miskent het recht van verdediging.
Het onderdeel is gegrond.
Derde onderdeel
8. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat zowel de eiser als de verweer-ster in hun appelconclusies aanvoerden dat de arbeidsovereenkomst van L.K. tij-dens de opzeggingstermijn in onderling overleg onmiddellijk werd beëindigd, zo-dat het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding wel uitwerking heeft.
9. Het arrest oordeelt dat het concurrentiebeding, opgenomen in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst van L.K., geen uitwerking heeft omdat de arbeidsover-eenkomst hier door de werkgever werd beëindigd buiten de proefperiode en zon-der dringende reden. Het beslist op die grond dat de overeenkomst van niet-concurrentie van 5 maart 2003 rechtsgeldig is en gesitueerd is buiten de arbeids-overeenkomst van 29 maart 2000, zodat de erin bepaalde compensatoire vergoe-ding "RSZ-vrij" is.
10. Het arrest dat aldus zijn beslissing mede laat steunen op een ambtshalve aangevoerde grond waaromtrent de partijen het bestaan van betwisting hadden uitgesloten, zonder dit middel aan tegenspraak te onderwerpen, miskent het be-schikkingsbeginsel dat is uitgedrukt in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, evenals het recht van verdediging.
Het onderdeel is gegrond.
Overige grieven
11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.
C. Zaak S.13.0079.N
12. Krachtens artikel 14, § 1, RSZ-wet worden de bijdragen voor sociale zeker-heid berekend op grond van het loon van de werknemer.
Krachtens artikel 14, § 2, RSZ-wet wordt het begrip loon bepaald bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet, met dien verstande dat het in de laatstgenoemde wet bepaalde begrip bij koninklijk besluit kan worden verruimd of beperkt.
13. Het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen, waarop de werkne-mer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever, zijn overeenkomstig artikel 2 Loonbeschermingswet loon.
De in artikel 2 Loonbeschermingswet bedoelde voordelen betreffen niet alleen de voordelen die voortvloeien uit de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, maar ook die met betrekking tot de beëindiging of de schorsing van de dienstbetrek-king.
14. Wanneer de partijen geen concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen en zij na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een niet-concurrentieovereenkomst sluiten waarbij aan de vroegere werknemer, als tegen-prestatie voor zijn verbintenis zijn vroegere werkgever geen concurrentie aan te doen, een vergoeding wordt toegekend, wordt het recht op deze vergoeding, in zoverre het geen verdoken vergoeding voor de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst betreft, niet toegekend ingevolge de vroeger bestaande arbeidsovereen-komst of de beëindiging ervan, maar ingevolge de latere overeenkomst. Deze vergoeding is, bij ontstentenis van uitbreiding van het begrip loon in dit verband, dienvolgens geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet, noch voor de soci-ale zekerheid.
15. De vergoeding voor niet-concurrentie die de werkgever verschuldigd is krachtens het concurrentiebeding dat in of tijdens de arbeidsovereenkomst is aan-gegaan, wordt verworven ingevolge de dienstbetrekking en is derhalve loon in de zin van artikel 2 Loonbeschermingswet en aldus onderworpen aan rsz-bijdragen. De omstandigheid dat het concurrentiebeding werd aangegaan na het ontslag, in de loop van de opzeggingstermijn, doet daaraan niet af.
Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
Dictum
Het Hof,
Voegt de zaken S.13.0006.N en S.13.0079.N.
In de zaak S.13.0006.N:
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het hoger beroep van de eiser, hem veroordeelt tot terugbetaling aan de verweerster van 17.199,45 euro, vermeerderd met de verwijlintrest, en oordeelt over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent.
In de zaak S.13.0079.N:
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 193,48 euro en voor de verweerder op 109,05 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Antoine Lievens, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 8 december 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.
V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman
A. Lievens K. Mestdagh B. Deconinck