Arbeidshof: Arrest van 20 Februari 2009 (Brussel). RG 50.842/W

Date :
20-02-2009
Language :
Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20090220-3
Role number :
50.842/W

Summary :

Bij het bepalen van de opzeggingstermijn dient enkel rekening te worden gehouden met de kans van de werknemer om een gelijkwaardige betrekking te vinden, zodat de houding van de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet relevant is. Voor het bepalen van de hoegrootheid van de opzeggingsvergoeding mag, gelet op het forfaitair karakter ervan, evenmin rekening gehouden worden met omstandigheden die zich na de kennisgeving van het ontslag hebben voorgedaan.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 FEBRUARI 2009.

3de KAMER

Bediendecontract

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

DE V.Z.W. SENAATSFRACTIE V.L.D., met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Natieplein, 1,

Appellante, vertegenwoordigd door Mter J. Isenbaert, advocaat te 1050 Brussel;

Tegen :

Mevrouw D. Marie-Rose, wonende te [xxx],

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter V. Stroobants loco Mter V. Simeons, advocaat te

Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : 

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer) op de openbare terechtzitting van 22 februari 2002;

- het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 juli 2002;

- de besluiten en aanvullende tevens synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 28 april 2008 en 28 november 2008

- de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie op 15 oktober 2008;

- de bundels met stukken neergelegd ter griffie door geïntimeerde partij, respectievelijk op 28 november 2008 en 21 januari 2009.

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 23 januari 2009; appellante partij legde haar bundel neer, waarna de debatten gesloten werden.

1. FEITEN EN RECHTSPLEGING.

Mevrouw D. kwam in dienst van de V.Z.W. Senaatsfractie V.L.D. op 1 februari 1983 als secretaresse en werd op 24 juni 1996 ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 9 maanden.

Bij schrijven van de vakorganisatie van mevrouw D. van 11 maart 1997 vroeg deze een aanvullende opzeggingsvergoeding van 7 maanden, daar mevrouw D. volgens de vakorganisatie aanspraak kon maken op een opzeggingsvergoeding van 16 maanden.

De V.Z.W. verwees naar de berekeningen van haar sociaal secretariaat en partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming, zodat mevrouw D. op 23 juni 1997 overging tot dagvaarding van de V.Z.W. voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 23.366,05.

De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 22 februari 2002 deze vordering ontvankelijk en gegrond ten belope van euro 20.456,47.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 juli 2002 tekende de V.Z.W. hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk zou worden verklaard wegens verjaring, alleszins zou worden afgewezen als zijnde ongegrond; in ondergeschikte orde vroeg zij een getuigenverhoor en voorlegging van stukken en in nog meer ondergeschikte orde, herleiding van de intresten wegens het aanslepen van de procedure.

2. BEOORDELING.

Appellante maakt melding van de betekening van het vonnis van de eerste rechter op 18 juni 2002, zodat kan worden aangenomen dat het hoger beroep van 17 juli 2002 tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

1. De verjaring.

De V.Z.W. houdt voor dat de vordering van mevrouw D., ingesteld op 23 juni 1997, verjaard is, omdat zij reeds op 20 juni 1996 kennis zou gehad hebben van de ontslagbeslissing door haar aanwezigheid op de fractievergadering.

Mevrouw D. betwist thans haar aanwezigheid en zij komt inderdaad niet voor in de aanwezigheidslijst van het verslag van 25 juni 1996 van deze fractievergadering, waarin nochtans ook de namen zijn vermeld van de aanwezige niet-senatoren.

Aan de andersluidende vermelding van de eerste rechter kan geen belang worden gehecht, gelet op het beroep tegen dit vonnis.

Bovendien zegt het verslag enkel dat het ontslag van mevrouw D. aangetekend zal worden betekend, zodat op de fractievergadering slechts een voornemen werd geuit, dat nog diende te worden gematerialiseerd.

Het ontslag werd gegeven op 24 juni 1996, zoals ook bevestigd wordt in het C4-formulier.

Er is dus geen reden om in te gaan op het getuigenaanbod van de V.Z.W., dat overigens betrekking heeft op feiten die niet in overeenstemming zijn met de geschreven stukken (cfr. art. 12 arbeidsovereenkomstenwet).

Gelet op het ontslag op 24 juni 1996, was de dagvaarding van 23 juni 1997 tijdig en is er geen verjaring.

2. De opzeggingsvergoeding.

De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

De partij die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder inachtneming van de normale opzeggingstermijn, is gehouden aan de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met het resterend gedeelte van de duur van de opzeggingstermijn; deze opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

Bij het bepalen van de opzeggingstermijn dient enkel rekening te worden gehouden met de kans van de werknemer om een gelijkwaardige betrekking te vinden, zodat de houding van de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet relevant is ( Cass., 23 februari 1987, J.T.T. 1987, 265).

Aldus zijn de discussies van partijen omtrent de wijze van uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet ter zake dienend.

Voor het bepalen van de hoegrootheid van de opzeggingsvergoeding mag, gelet op het forfaitair karakter ervan, evenmin rekening gehouden worden met omstandigheden die zich na de kennisgeving van het ontslag hebben voorgedaan ( Cass., 5 januari 2009, S.08.0086. N., www.juridat.be). Het is dan ook overbodig om de voorlegging van bijkomende stukken te bevelen betreffende het verloop van de beroepsloopbaan van mevrouw D. sedert haar ontslag.

Mits een juiste evaluatie te geven aan de anciënniteit ( 13 jaar en 4 maanden), de leeftijd ( 48,5 jaar, ° 22 december 1947), de uitgeoefende functie van secretaresse en het jaarloon van euro 34.914,76 kan een passende opzeggingsvergoeding worden begroot op 14 maanden, zodat mevrouw D. aanspraak kan maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 5 maanden of euro 34.914,76/12 x 14 = euro 40.733,19 - euro 26.096,54 = euro 14.637,35.

Het hoger beroep is in die mate gedeeltelijk gegrond.

3. De intresten.

Geen van de partijen nam een nuttig initiatief om de verderzetting van de procedure te benaarstigen totdat geïntimeerde de zaak terug op rol liet brengen, beroepsconclusies neerlegde en op 9 juni 2008 een verzoekschrift neerlegde op grond van artikel 747 §2 Ger. Wb.

Gelet op haar initiatieven (dd. 10 april 2008, 28 april 2008 en 28 november 2008) kan het aanslepen van de procedure niet toegeschreven worden aan een fout van geïntimeerde, zodat er geen reden is om aan geïntimeerde het voordeel van de intresten te ontzeggen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en gedeeltelijk gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond;

Veroordeelt de V.Z.W. Senaatsfractie V.L.D. tot betaling aan mevrouw D. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 14.637,35, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf 24 juni 1996;

Wijst al het meergevorderde af.

Veroordeelt de V.Z.W. tot de gerechtskosten, deze begroot aan de zijde van mevrouw D. op dagvaardingskosten euro 78,43

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 2.000,00

totaal euro 2.078,43

en aan de zijde van de V.Z.W. voor zover als nodig begroot op euro 2.000.

Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

De heer L. LENAERTS, Raadsheer,

De heer E. VAN LAER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever,

De heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. LENAERTS, L. HERREGODTS,

E. VAN LAER. H. ENGELEN.

Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 februari 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. LENAERTS L. HERREGODTS.