Hof van Beroep: Arrest van 11 Juni 1987 (Brussel)

Date :
11-06-1987
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19870611-1
Role number :

Summary :

1) De aannemer T.R.T. die op 24 mei 1974 inschreef kon redelijkerwijze verwachten dat hij voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden gebruik kon maken van een viadukt dat diende gebouwd te worden door een andere aannemer gedurende een termijn van 1 kalenderjaar welke aanving op 1 oktober 1973. Hierbij is het van weinig belang te weten dat op het ogenblik van de inschrijving de uitvoering van het viadukt reeds een grote vertraging had opgelopen en is het evenmin relevant te weten dat het gebruik van het viadukt nooit werd beloofd noch dat het bestuur, tegen alle goede trouw in, het gebruik van het viadukt had kunnen weigeren vooraleer dit werd opengesteld voor het openbaar gebruik. Het bestuur beweert vergeefs dat T.R.T. zelf een risico nam wetend dat uitvoeringstermijnen van openbare werken zelden of nooit nageleefd worden : immers in casu overtrof de vertraging die werd opgelopen bij de bouw van het viadukt (dertien maanden) zelfs de meest pessimistische voorspellingen. Het bestuur beweert ook vergeefs dat bij ontstentenis van enige verwijzing inzake het gebruik van het betwiste viadukt in de dokumenten van de aanbesteding, T.R.T. minstens zo voorzichtig had moeten zijn dat zij zich hieromtrent had kunnen bevragen. Het onvoorspelbaar karakter van een bepaalde omstandigheid die invloed heeft op de uitvoering van een opdracht moet beoordeeld worden in funktie van enerzijds de inlichtingen die ter beschikking worden gesteld van de aannemer op het ogenblik van zijn inschrijving en anderzijds van de inlichtingen en verduidelijkingen die de aannemer zelf moet trachten te verkrijgen als goed beheerder van zijn zaken. In casu kon men, op basis van de dokumenten die door het bestuur ter beschikking werden gesteld voor de inschrijving, redelijkerwijs stellen dat het viadukt tijdig zou zijn afgewerkt. De inlichtingen die T.R.T. hieromtrent bekwam waren evenmin van aard om het tegendeel te veronderstellen. 2) Het Wegenfonds gekonfronteerd met het verzoek tot schadevergoeding op basis van artikel 16 B van de algemene aannemingsvoorwaarden vanwege de aannemer van de wegeniswerken die door het kwestieuze viadukt werden onderbroken stelt ten onrechte dat de rechter niet vrij de omvang van deze schade kan beoordelen. Volgens het bestuur moet deze schade volgens mathematische kriteria worden vastgesteld. Artikel 16 B wijkt echter niet af van het gemeenrecht : namelijk het principe van het forfait en het feit dat door artikel 16 B de imprevisie een kontraktueel element wordt. De stelling van het bestuur wordt trouwens uitdrukkelijk verworpen door het Hof van Cassatie (9 mei 1980, Pas., p. 1120). 3) Beweren dat het evenwicht gewild door artikel 3 van de wet verbroken zou worden indien de aannemer de herziening van de overeenkomst kan eisen in omstandigheden en voorwaarden die niet bepaald werden door de herzieningsformule is onjuist. Het vaststellen van een herzieningsformule doet absoluut geen afbreuk, op welke manier dan ook aan de draagwijdte van artikel 16 B. Men moet immers het onderscheid maken tussen de herziening in funktie van de kontraktuele bepalingen en de herziening die toegepast wordt met de bedoeling het evenwicht te herstellen dat in het gedrang kwam door een onvoorspelbare omstandigheid. 4) Het Wegenfonds eist ten onrechte voor het Hof dat van het toegekende bedrag van de schadevergoeding een franchise van 2,5 % van het oorspronkelijk bedrag van de inschrijving wordt afgetrokken conform de rechtspraak van het Rekenhof en een richtlijn van 20 januari 1983 van het M.C.E.C.S. Het Hof kan immers niet ingaan op deze thesis die in feite aan de wet een beperking toevoegt aan het recht van de aannemer om bij toepassing van artikel 16 B de integrale herziening van de prijs te verkrijgen. 5) Het Wegenfonds voert - om het toewijzen van een verhoging voor muntontwaarding te kunnen betwisten - ten onrechte aan dat het geschil in feite geen betrekking had op het herstel van de schade veroorzaakt door een fout van de opdrachtgever met het gevolg dat er enkel compensatoire intresten verschuldigd zijn tegen de wettelijke rentevoet. Immers, de vergoeding voor muntontwaarding heeft tot doel de schade te vergoeden van het verlies aan koopkracht ten gevolge van de onrechtvaardige weigering van het Wegenfonds in te gaan op het verzoek tot prijsherziening bij toepassing van artikel 16 B van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964; het gaat in deze optiek wel degelijk om de vergoeding van een fout begaan door dit bestuur, fout die dient te worden vergoed rekening houdend met de tijdsgebondenheid van de vraag (30 juli 1986).

Arrêt :

The full and consolidated version of this text is not available.