Hof van Beroep: Arrest van 3 September 2002 (Brussel). RG 2000;AR;2657

Date :
03-09-2002
Language :
French Dutch
Size :
7 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20020903-1
Role number :
2000;AR;2657

Summary :

Samenvatting 1

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Gelet op het vonnis dat, na tegenspraak, werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 mei 2000, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd.
Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep dat op 5 oktober 2000 werd neergelegd op de griffie van het hof.
OVERZICHT VAN DE FEITEN.
Eerste appellante is titularis van het Europees octrooi EP 420.358 dat op 12 mei 1999 werd verleend voor de landen België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.
In elk van deze landen werd een corresponderend nationaal octrooi neergelegd, zodat het Europees octrooi daadwerkelijk van kracht is in al de in dit octrooi aangeduide landen.
Dit octrooi heem betrekking op een werkwijze voor het klonen van microbiologische phytase.
Sedert 14 januari 2000 is eerste appellante tevens titularis van een Fins octrooi met het nummer 104.380, dat vrijwel hetzelfde voorwerp heeft als het Europees octrooi EP 420.358.
Eerste appellante heeft licenties verleend op de respectievelijke nationale octrooien waaruit haar Europees octrooi is samengesteld, voor de commercialisering van producten onder de benaming Natuphos. Deze licenties werden verleend aan de BASF vennootschappen (de overige appellanten), die de producten Natuphos vervaardigen dan wel verdelen in de verschillende genoemde landen. Tweede appellante is als enige gerechtigd om genoemde producten op de Belgische markt te commercialiseren en te verkopen en de appellanten 3 tot en met 14 doen hetzelfde voor hun respectievelijke landen. Zij zijn alle titularis van de verkoopvergunning voor de Natuphos-producten in hun respectievelijke landen.
Appellanten stellen dat derde geïntimeerde in Finland enzyme preparaten vervaardigt die een genetisch gemanipuleerd micro-organisme bevatten, namelijk Trichoderma reesei, met hoofdcomponent phytase, die in het verkeer worden gebracht onder de namen Finase L, Finase P en Finase Pc, en dat geïntimeerden deze preparaten zouden verdelen of kunnen verdelen in de toekomst in onder meer België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Zwitserland en Finland.
Geïntimeerden preciseren dat deze preparaten inderdaad door derde geïntimeerde worden vervaardigd, dat zij vóór maart 1999 door vierde geïntimeerde werden verkocht, dat eerste geïntimeerde deze preparaten commercialiseert en verkoopt en dat tweede geïntimeerde in november 1999 de activa van eerste geïntimeerde heeft verworven en de verkoop en commercialisering van deze producten zal verder zetten.
Geïntimeerden stellen dat zij verschillende redenen hebben om aan te nemen dat appellanten de vervaardiging, commercialisering en verkoop van hun producten willen doen stopzetten op grond van de bewering dat deze producten onder de beschermingsomvang van het Europees octrooi EP 420.358 zouden vallen en derhalve een inbreuk zouden uitmaken op dit octrooi.
Zij leiden dit onder meer af uit procedures die door eerste appellante in Nederland en in Duitsland werden ingesteld tegen een andere vennootschap.
Zij zijn echter van oordeel dat zij geen octrooi-inbreuk plegen zowel op het Europees octrooi EP 420.358 als op het Fins octrooi 104.380. Zij roepen in dat deze octrooien nietig zijn en dat zij een gemotiveerde oppositie hebben ingediend tegen beide octrooien op grond van het feit dat de " uitvinding " van eerste appellante uitvinderswerkzaamheid mist in de zin van artikel 54 van het Europees Octrooiverdrag. Zij menen bovendien dat hun producten niet vallen onder de beschermingsomvang van deze octrooien.
PROCEDUREVOORGAANDEN EN VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP.
Op 9 december 1999 hebben geïntimeerden dagvaarding laten betekenen aan alle appellanten.
Hun vordering voor de eerste rechter strekte ertoe :
- het Europees octrooi EP 420.358 van eerste appellante nietig te horen verklaren voor wat het Belgische grondgebied betreft;
- voor recht te horen verklaren dat geïntimeerden geen inbreuk plegen op het Europees octrooi EP 420.358, meer bepaald voor wat de producten Finase L, Finase P en Finase Pc betreft, en bijgevolg voor recht te horen verklaren dat geïntimeerden aldus vrij zijn om deze producten te vervaardigen, te commercialiseren en te verkopen in Oostenrijk, België, Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Zweden, Zwitserland, Nederland en Finland;
- akte te horen verlenen aan geïntimeerden van hun voorbehoud om bijkomende partijen in deze procedure te betrekken, indien zou blijken dat deze partijen rechten kunnen putten uit of (nieuwe) titularis worden van het Europees octrooi EP 420.358;
- appellanten te horen veroordelen in de kosten.
Appellanten hebben aan de eerste rechter gevraagd uitspraak te doen over zijn bevoegdheid alvorens de grond van de zaak te beslechten.
In hoofdorde hebben zij gevraagd :
- dat hij zich onbevoegd,,zou verklaren wat betreft de vordering van geïntimeerden voor zover deze het bekomen van een declaratoir vonnis van niet-inbreuk nastreefden inzake het Oostenrijkse, Deense, Duitse, Spaanse, Franse, Engelse, Italiaanse, Liechtensteinse, Luxemburgse, Griekse, Nederlandse, Zweedse of Zwitserse octrooi uit het Europese bundeloctrooi EP 420.358, waarvan eerste appellante titularis is;
- dat hij zich tevens onbevoegd zou verklaren wat betreft de vordering van geïntimeerden voor zover deze betrekking had op het bekomen van een declaratoir vonnis van niet-inbreuk inzake de Finse octrooiaanvraag, waarvan eerste appellante titularis was (dit octrooi was nog niet verleend);
- dat hij zich daarom onbevoegd zou verklaren om voor recht te zeggen dat geïntimeerden vrij zijn de producten Finase L, Finase P en Finase Pc te vervaardigen, te commercialiseren en te verkopen in Oostenrijk, Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Zweden, Zwitserland, Nederland en Finland;
- dat hij de zaak voor het overige naar de rol zou verzenden.
In bijkomende orde hebben zij gevraagd dat de eerste rechter alle extraterritoriale vorderingen onontvankelijk zou verklaren en de zaak voor het overige naar de rol zou verwijzen.
In hun aanvullende conclusies hebben appellanten een tegenvordering ingesteld en hebben zij gevraagd dat geïntimeerden hoofdelijk zouden worden veroordeeld tot het betalen aan elk van de appellanten van een bedrag van 20.000 euro ten titel van schadevergoeding wegens tergende en roekeloze procesvoering.
Geïntimeerden hebben gevraagd dat de eerste rechter alle procedurele excepties van appellanten en hun tegeneis als ongegrond zou afwijzen en de zaak naar de rol zou verwijzen voor verdere instaatstelling.
In het bestreden vonnis d.d. 12 mei 2000 heeft de eerste rechter :
- zowel de hoofdeisen als de tegeneis ontvankelijk verklaard, en alvorens recht te doen ten gronde wat de hoofdvordering betreft, zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering van geïntimeerden voor zover deze het bekomen van een declaratoir vonnis van niet-inbreuk nastreefden inzake het Oostenrijkse, Deense, Duitse, Spaanse, Franse, Engelse, Italiaanse, Liechtensteinse, Luxemburgse, Griekse, Nederlandse, Zweedse of Zwitserse octrooi uit het Europese bundeloctrooi EP 420.358 waarvan eerste appellante titularis is;
- zich eveneens onbevoegd verklaard wat betreft de vordering van geïntimeerden voor zover deze betrekking heeft op het bekomen van een declaratoir vonnis van niet-inbreuk inzake de Finse octrooiaanvraag met nummer 912.530, waarvan eerste appellante titularis is;
- zich onbevoegd verklaard om voor recht te zeggen dat geïntimeerden vrij zijn om de producten Finase L, Finase P en Finase Pc te vervaardigen, te commercialiseren en te verkopen in Oostenrijk, Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Zweden, Zwitserland, Nederland en Finland;
- de tegenvordering gedeeltelijk gegrond verklaard en geïntimeerden in solidum veroordeeld tot het betalen aan het geheel van de appellanten 3 tot en met 14 van een bedrag van 20.000 euro en deze beslissing uitvoerbaar verklaard niettegenstaande hoger beroep;
- de zaak voor het overige naar de rol verwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
Appellanten hebben op 5 oktober 2000 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis in zoverre de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over hun tegenvordering.
Zij vragen dat dit vonnis teniet zou worden gedaan in zoverre deze vordering gedeeltelijk ongegrond. werd verklaard en vragen dat deze eis integraal zou worden ingewilligd en met andere woorden dat geïntimeerden hoofdelijk zouden worden veroordeeld tot het betalen aan elk van de appellanten van een schadevergoeding van telkens 20.000 euro.
Geïntimeerden vragen dat dit hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en stellen op hun beurt incidenteel beroep in, in zoverre de eerste rechter de oorspronkelijke tegeneis van appellanten deels gegrond heeft verklaard. Zij vragen dat deze vordering als ongegrond zou worden afgewezen.
Bovendien vragen zij dat hen akte zou worden verleend van hun voorbehoud om samen met het eindvonnis hoger beroep aan te tekenen tegen het tussenvonnis voorzover dit de onbevoegdheid heeft vastgesteld van de Belgische rechtbank om kennis te nemen van de grensoverschrijdende vorderingen, dat de zaak terug zou worden verwezen naar de eerste rechter met het oog op de behandeling van het bodemgeschil en dat de beslissing over de kosten zou worden aangehouden.
Appellanten vragen dat dit incidenteel beroep ongegrond zou worden verklaard.
WAT DIE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL BEROEP BETREFT.
Partijen werden door het hof uitgenodigd hun standpunt uiteen te zetten in verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep, en dit in het licht van artikel 1050, tweede lid, Ger.W., dat bepaalt dat tegen een beslissing inzake de bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.
Met de invoering van dit voorschrift heeft de wetgever beoogd dilatoire hogere beroepen tegen beslissingen die uitsluitend uitspraak doen over de bevoegdheid te vermijden.
In casu heeft de eerste rechter alle eisen ontvankelijk verklaard en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van geïntimeerden in de mate deze ertoe strekten een declaratoir vonnis van niet-inbreuk te bekomen voor de in de dagvaarding opgesomde landen, met uitzondering van België.
Hij heeft zich daarentegen wel bevoegd verklaard in de mate de vordering ertoe strekte het Europees octrooi van eerste appellante nietig te horen verklaren voor het Belgische grondgebied en voor recht te horen verklaren dat de vervaardiging, de commercialisering en de verkoop van de producten Finase geen inbreuk uitmaken op het Europees octrooi EP 420.358 wat het Belgische grondgebied betreft.
Tenslotte heeft hij een schadevergoeding toegekend wegens misbruik van procesrecht.
Het hof stelt vast :
- dat de eerste rechter alle eisen ontvankelijk heeft verklaard terwijl hij zich wat een gedeelte van de vorderingen betreft onbevoegd heeft verklaard;
- dat, wat het gedeelte van de vorderingen betreft, waarvoor de eerste rechter zich bevoegd heeft verklaard, deze bevoegdheid nooit werd betwist;
- dat, wat het gedeelte van de vorderingen betreft, waarvoor de eerste rechter zich niet bevoegd heeft verklaard, hij door het afwijzen van zijn internationale bevoegdheid en derhalve van zijn rechtsmacht, ter zake een eindvonnis heeft uitgesproken;
- dat hij op grond van deze beslissing van onbevoegdheid de tegeneis van appellanten gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en ter zake eveneens een eindbeslissing heeft uitgesproken.
Dit heeft voor gevolg dat op grond van artikel 1050, tweede lid, Ger.W. hoger beroep kon worden ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter d.d. 12 mei 2000, en dit zowel in de mate de eerste rechter zich onbevoegd heeft verklaard - nadat hij alle vorderingen reeds ontvankelijk had verklaard - als in de mate hij de tegeneis van appellanten gedeeltelijk heeft ingewilligd.
Aangezien in casu enkel hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot deze tegeneis, dienen het hoger beroep en het incidenteel beroep dan ook ontvankelijk te worden verklaard.
BESPREKING.
1. Appellanten roepen in dat de door geïntimeerden voor de eerste rechter ingestelde extraterritoriale vorderingen kennelijk een misbruik van procesrechten inhouden, doordat zij, wetende dat zij de exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling niet moeten vrezen, met kennis van zaken kunnen speculeren " enerzijds op de eerbiediging van artikel 21 EEX-Verdrag door een gebeurlijk in het buitenland over een aldaar gepleegde octrooi-inbreuk geadieerde rechter en, anderzijds, op de (zeer) trage procesgang binnen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel die geen rechters telt die in octrooizaken zijn gespecialiseerd, zeker niet in octrooizaken van dit type. "
Artikel 21 van het EEX-Verdrag bepaalt immers dat wanneer voor gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht, waarbij de zaak het laatst is aangebracht, ambtshalve zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, en dat wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat; het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd verklaart.
Appellanten stellen dat dergelijke procesvoering bijzonder tergend en roekeloos is, nu het instellen in België van de vordering tot declaratie van niet-inbreuk buiten België op buitenlandse octrooien geen enkele logische verklaring kan kennen, tenzij in de poging de bevoegdheid van.rechters in het buitenland zo lang als mogelijk te frustreren, reden waarom dergelijke vorderingen in de literatuur de benaming van " torpedo-vorderingen " hebben gekregen.
Volgens appellanten hebben geïntimeerden bovendien een onverschoonbare lichtzinnigheid begaan, door deze vordering te steunen op het EEX-Verdrag, terwijl manifest geen enkele bepaling van dit Verdrag deze bevoegdheid ook maar enigszins in onderhavige zaak kan steunen, en zij minstens geacht waren te weten dat geen rechter ter wereld ooit dergelijke verklaringen van niet-inbreuk heeft uitgesproken.
Geïntimeerden roepen in dat, aangezien België de grootste afzetmarkt vormt voor hun producten en octrooi-inbreuken hier zeer vaak worden beteugeld via beslagmaatregelen verkregen bij eenzijdige procedures op verzoekschrift, waarbij de van inbreuk verdachte partij pas na het beslag de kans krijgt om zich te verdedigen, zij de Belgische rechter hebben gevat met een vordering tot nietigverklaring van het Belgische deel van het Europees octrooi van eerste appellante en met een grensoverschrijdende vordering van verklaring van niet-inbreuk op dit Europees octrooi, en dit om te beletten dat de verdere vervaardiging en commercialisering van hun producten in België en in het buitenland zouden worden verhinderd.
Zij verwijzen eveneens naar het belang om tegenstrijdige gerechtelijke beslissingen te vermijden die het vrije verkeer van hun producten in de Europese Unie zouden beletten en naar het feit :
- dat het bestreden vonnis het eerste Belgische vonnis is dat zich heeft uitgesproken over de vraag naar de bevoegdheid van de Belgische rechter met betrekking tot een grensoverschrijdende vordering van verklaring van niet-inbreuk in een procedure ten gronde;
- dat het EEX-Verdrag niet verbiedt declaratoire vorderingen van niet-inbreuk in te stellen;
- dat appellanten noch vóór, noch na de inleidende dagvaarding enige inbreukprocedure hebben ingeleid tegen geïntimeerden in België of in het buitenland;
- dat geïntimeerden hun medewerking hebben verleend om het bevoegdheidsgeschil afzonderlijk en zeer snel behandeld te zien voor de eerste rechter.
2. Het hof doet vooreerst opmerken dat, wat de appellanten betreft die hun maatschappelijke zetel hebben in Oostenrijk, Zweden, Zwitserland en Finland, rekening moet worden gehouden met de bepalingen van het EVEX-Verdrag van 16 september 1988.
Alle in dit arrest geciteerde artikelen zijn gelijkluidend in het EEX-Verdrag en in het EVEX-Verdrag.
3. Het hof is enkel gevat door het hoger beroep en het incidenteel beroep dat werd ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter inzake de tegeneis van appellanten.
Aangezien het zich moet uitspreken over de vraag of geïntimeerden al dan niet misbruik van procesrecht hebben gepleegd door een grensoverschrijdende vordering in te stellen waarvoor de eerste rechter zich niet bevoegd heeft verklaard, moet uiteraard worden onderzocht hetgeen de eerste rechter hierover heeft overwogen en beslist en of de geïntimeerden zich redelijkerwijze konden vergissen omtrent het welslagen van hun proces.
Het hof had zich overigens hierover op definitieve wijze kunnen uitspreken indien geïntimeerden tegen deze beslissing van onbevoegdheid reeds hoger beroep hadden ingesteld.
4. De eerste rechter heeft geoordeeld dat hij niet bevoegd was om kennis te nemen van de extraterritoriale vorderingen en dit op grond van volgende overwegingen :
- de Belgische rechter kan slechts extraterritoriale bevoegdheid putten uit een verdrag waartoe België is toegetreden;
- artikel 3 van het EEX-Verdrag bepaalt dat degenen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat hun woonplaats hebben, niet voor de rechter van een andere Verdragsluitende Staat kunnen worden opgeroepen dan krachtens de regels vermeld in de afdelingen 2 tot en met 6 van de titel inzake de bevoegdheid;
- artikel 16.4 van het EEX-Verdrag bepaalt dat ten aanzien van de registratie en de geldigheid van een octrooi bij uitsluiting bevoegd zijn de gerechten van de Staat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad in de zin van een internationale overeenkomst en krachtens artikel 19 van het EEX-Verdrag moet de rechter van een Verdragsluitende Staat, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 16 een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat bij uitsluiting bevoegd is, zich ambtshalve onbevoegd, verklaren; krachtens het Europees Octrooiverdrag moet het octrooi voor elk van de Verdragsluitende Staten waarin het gelding heeft worden aanzien als een afzonderlijk nationaal octrooi en elke vraag naar inbreuk of niet-inbreuk is verknocht met de vraag naar de geldigheid van het octrooi, tenzij uitdrukkelijk zou worden verklaard dat de geldigheid niet wordt betwist, zodat enkel de inbreuk het voorwerp van het geschil zou uitmaken; in werkelijkheid hebben geïntimeerden de bedoeling de vordering tot nietigverklaring ook in de andere Staten, waar het octrooi geldt, in te stellen; het is dan ook de rechter van de Staat, waar de geldigheid in vraag komt, die bevoegd zal zijn om over de vordering van verklaring van niet-inbreuk uitspraak te doen;
- geïntimeerden kunnen zich niet beroepen op artikel 6.1 van het EEX-Verdrag, dat bepaalt dat een verweerder die een woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat in een andere Verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen wanneer een medeverweerder daar zijn woonplaats heeft, aangezien er geen sprake is van een voldoende samenhang tussen de verschillende vorderingen;
- artikel 5.3. van het EEX-Verdrag, dat bepaalt dat dergelijke verweerder ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de Staat waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, kan evenmin worden toegepast, aangezien er zich geen dergelijk feit heeft voorgedaan.
5. De vaststelling dat de eerste rechter zich onbevoegd heeft verklaard om van de door geïntimeerden ingestelde extraterritoriale vorderingen kennis te nemen, impliceert op zich niet dat geïntimeerden misbruik van procesrecht hebben begaan.
Het hof moet bijgevolg nog nagaan of geïntimeerden al dan niet hebben gehandeld met de bedoeling schade te berokkenen, of zij al dan niet het procesrecht hebben afgewend van zijn doel, en of zij al dan niet hebben gehandeld op een wijze die de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van het recht om een vordering in te stellen door een voorzichtige en bedachtzame procespartij.
Geïntimeerden beweren dat zij met hun grensoverschrijdende vorderingen van verklaring van niet-inbreuk hebben willen beletten dat de verdere vervaardiging en commercialisering van hun producten in België en in het buitenland zouden worden verhinderd en dat zij tegenstrijdige gerechtelijke beslissingen hebben willen vermijden.
Het hof acht het niet bewezen dat geïntimeerden deze procedure hebben ingesteld om het verder zetten van inbreuken mogelijk te maken en inmiddels de procedure voor een buitenlandse rechter te dwarsbomen.
Het bestaan van dergelijke inbreuk wordt niet aannemelijk gemaakt en appellanten tonen niet aan dat zij vóór of na 9 december 1999, datum van de inleidende dagvaarding, enige inbreukprocedure hebben ingesteld of willen instellen tegen geïntimeerden, zodat de toepassing van artikel 21 van het EEX-Verdrag en van het EVEX-Verdrag nog niet aan de orde is geweest.
Appellanten tonen vervolgens niet aan dat, op het ogenblik dat geïntimeerden deze grensoverschrijdende vorderingen hebben ingesteld, een Belgische rechter zich reeds had uitgesproken over de bevoegdheidsproblemen die inherent zijn aan dergelijke vorderingen, laat staan dat er zich reeds in die mate een vaste rechtspraak zou hebben gevormd, dat geïntimeerden dienden te weten dat deze vorderingen geen kans op slagen meer zouden maken voor een Belgische rechtbank.
Dit geldt eveneens voor de discussie met betrekking tot de samenhang tussen een vordering van verklaring van niet-inbreuk en de nietigheidsvordering, hetgeen in ieder geval geen uitgemaakte zaak was op de datum van de dagvaarding. Men kan immers betwisten een inbreuk te hebben begaan zonder de geldigheid van het octrooi aan te vechten in alle landen waar dit octrooi geldt.
Tenslotte werd, dank zij het optreden van de eerste rechter en de medewerking van beide partijen, het bevoegdheidsgeschil losgekoppeld van de behandeling van de zaak ten gronde en snel in staat gesteld en gepleit, zodat het bestreden vonnis amper vijf maanden na de datum van de inleidende dagvaarding werd uitgesproken. Zelfs indien het ingeroepen misbruik van procesrecht in casu betrekking heeft op het instellen van de vorderingen en derhalve moet worden beoordeeld op het ogenblik van de dagvaarding, kan het hof met deze medewerking van geïntimeerden aan de snelle behandeling van de zaak rekening houden om hun houding bij het instellen van de vorderingen te beoordelen.
Dat het in casu gaat om een gespecialiseerde materie waarin geïntimeerden en hun raadslieden zeer bedreven zijn, doet hieraan geen afbreuk.
Uit dit alles volgt dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geïntimeerden misbruik van procesrecht hebben gepleegd, zodat hun veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding teniet moet worden gedaan.
OM DEZE REDENEN :
HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van.15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk maar enkel het incidenteel beroep gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet in de mate de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over de grond van de door appellanten ingestelde tegeneis, en opnieuw wijzende,
Verklaart deze tegeneis ongegrond en wijst appellanten ervan af.
Veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, begroot op 687,91 euro (EUR 185,92 + EUR 55,78 + EUR 446,21) in hoofde van appellanten en op 446,21 euro in hoofde van geïntimeerden.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke achtste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
03-09-2002.