Rechtbank van eerste aanleg: Vonnis van 6 Maart 1997 (Brussel). RG 97127C
Summary :
Samenvatting 1
Jugement :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
(De vordering, ingesteld met toepassing van artikel 584 Ger.W. en zoals uitgebreid in de conclusies neergelegd ter zitting van 30 januari 1997, strekt ertoe :
(1) te horen zeggen voor recht dat eiseres tijdelijk, in afwachting van een tussen te komen bodembeslissing, wordt gemachtigd deel te nemen aan alle door of onder de auspiciën van verweerster georganiseerde wedstrijden weze het competitie-, bekerwedstrijden of andere eventuele officiële wedstrijden;
(2) te horen zeggen " voor recht " dat verweerster zich dient te onthouden van elke daad die ertoe zou strekken of die ertoe zou leiden - weze het direct of indirect - financiële en/of sportieve schade te berokkenen aan eiseres, dit onder verbeurte van een dwangsom van 750 000 F per vastgestelde inbreuk en per maand tijdens de procedure alsook na uitspraak van de tussen te komen beschikking;
(3) te horen zeggen " voor recht " dat verweerster gehouden is, tijdelijk en in afwachting van de bodemprocedure en voor zover inmiddels publicatie zou geschied zijn, het " in aanleg van schrapping " zijn te schorsen met publicatie dienaangaande in het eerste nummer van " Sportleven " na uitspraak van de tussen te komen beschikking, dit onder verbeurte van een dwangsom van 750 000 F per vastgestelde inbreuk en per maand tijdens de procedure alsook na uitspraak van de tussen te komen beschikking;
(4) aan eiseres akte te verlenen van het voorbehoud tot het nader formuleren van haar eis tot schadevergoeding in acht genomen de feitelijke omstandigheden;
Wat betreft de vordering sub (4) dient onmiddellijk vastgesteld dat een vordering tot het horen akteren van één of ander voorbehoud geen voldoende belang vertoont in de zin van artikel 17 e.v. Ger.W.
NOPENS DE GEVRAAGDE HEROPENING VAN DE DEBATTEN.
Met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 februari 1997 vraagt eiseres de debatten te heropenen verwijzend naar een recent arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 17 februari 1997, dat volgens haar van overwegend belang is.
De rechtspleging van artikel 773 Ger.W. dient in kort geding slechts gevolgd voor zoveel zij verenigbaar is met het urgent karakter van de zaak en de rechten van de verdediging.
Een jurisprudentiële beslissing in een andere zaak tussen andere partijen is geen nieuw en ter zake dienend stuk of feit in de zin van artikel 772 Ger.W.
Er bestaat geen aanleiding tot het heropenen van de debatten.
DE FEITEN.
Eiseres is als voetbalclub evoluerend in tweede provinciale aangesloten bij verweerster en in die hoedanigheid neemt zij deel aan de door verweerster georganiseerde voetbalcompetitie.
Voor het seizoen 1996-97 trok eiseres 5 spelers aan bij middel van een S-transfer. Zij vroeg en kreeg voor deze spelers een jaarlicentie met het oog op hun opstelling in het eerste elftal. Overeenkomstig de reglementen van verweerster, zoals gewijzigd op 15 maart 1996, dient eiseres tengevolge van de afgifte van de hierboven vermelde licenties, bijdragen te betalen aan verweerster voor het Fonds voor Promotie van het Jeugdvoetbal. Eiseres weigert deze bijdragen te betalen, waarop eiseres door verweerster dreigt geschrapt te worden overeenkomstig art. III/23 van het bondsreglement.
Met een brief van 23 januari 1997 stelde verweerster voor om de procedure tot schrapping op te schorten op voorwaarde dat het betwiste bedrag wordt geconsigneerd. Eiseres gaat niet in op dit voorstel.
IN RECHTE.
Aangezien volgens de termen van het gedinginleidend exploot de vordering spoedeisend zou zijn,
is de voorzitter zetelend in kort geding principieel bevoegd om de grond ervan te onderzoeken (Cass. 11 mei 1990, Pas. 1990, I, 1045).
NOPENS HET BELANG.
Aangezien eiseres verwijst naar het " intussen " in voege getreden Decreet van 24 juli 1996 tot vaststelling van het statuut van de niet-professionele sportbeoefenaar, en vooral naar de strafbepalingen in dit decreet, kan niet worden gesteld - zoals verweerster doet - dat eiseres geen belang heeft te dezen omdat het kwestieuze reglement unaniem werd goedgekeurd.
Eiseres heeft er belang bij voorlopig niet te worden geschrapt.
NOPENS DE URGENTIE ALS GEGRONDHEIDSVEREISTE.
Er is urgentie in de zin van art. 584, eerste lid Ger.W. telkens wanneer de vrees voor een schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken het nemen van een onmiddellijke beslissing noodzakelijk maakt (Cass. 21 mei 1987, Pas. 1987, I, 1160; R.W., 1987-88, 1425). Te dezen dreigt verweerster eiseres te schrappen, waardoor een gebeurlijke interne procedure in de schoot van verweerster of een procedure ten gronde voor de rechtbank volkomen dreigt te verzanden door de (langdurige) schrapping van eiseres.
De vordering komt voor als urgent.
NOPENS DE GROND.
Ter inleiding weze opgemerkt dat de vordering in onderhavige zaak uitgaat van de club zelf en niet van de individuele sportbeoefenaar die stelt belemmerd te worden in zijn vrijheid om zijn geliefkoosde sport te beoefenen op zijn niveau.
Vervolgens kan worden herinnerd aan art. 2 van de Wet van 24 mei 1921 :
" Al wie, op zijne aanvraag, lid wordt van eene vereeniging, verbindt zich, door zijne toetreding, zich te onderwerpen aan het reglement dier vereeniging, alsmede aan de beslissingen en strafmaatregelen, krachtens dit reglement getroffen. "
In de mate dat eiseres duidelijk stelt dat de bijdrage die zij moet betalen onwettig is en dat zij overgaat tot betalen " onder voorbehoud ", lijkt er bezwaarlijk sprake te kunnen zijn van enig strafbaar feit in hoofde van de verantwoordelijheden van eiseres (zie art. 11 Decreet dd. 24 juli 1996). De problematiek die geschapen werd door het Decreet van 24 juli 1996 is relatief complex en het " strafbaar gedrag " wordt beoordeeld in functie van de toetsing van de reglementen van de sportfederatie aan de bepalingen van het Decreet, wat wellicht aanleiding zal geven tot interpretatieproblemen van teksten en reglementen (waarbij de vraag rijst of de strafrechter de ideale oplossing vormt voor dit soort conflicten).
De betrachting van verweerster om de jeugdopleiding te stimuleren, minstens niet te ontmoedigen, komt prima facie voor als gewettigd. Er kan niet voorbij gegaan worden aan het vaststaande feit dat naast een deel idealisme en vrijblijvende inzet, de jeugdwerking ook kosten meebrengt die men niet kan laten dekken door het lidgeld van de aangesloten jeugdspelers op gevaar deze jeugdwerking en het wervingspotentieel te zien in mekaar stuiken, wegens een te hoge financiële instapdrempel. Hierdoor zou de sport een groot deel van haar sociale functie kunnen verliezen.
Er kan evenmin aan getwijfeld worden dat de zogenaamd grote of professionele clubs belang hebben bij een goede algemene jeugdwerking. Hierdoor vergroot immers hun recruteringsgebied, wat onrechtstreeks ook een invloed heeft op de kwaliteit van het spel.
Prima facie lijkt niets er zich tegen te verzetten dat de zogenaamd rijkere clubs, die in principe uitkomen in de hogere reeksen en die spelers opstellen die soms buiten de club werden opgeleid en gevormd,
in een hogere mate een bijdrage leveren in een fonds dat op een eerlijke en correcte wijze voor de verdeling instaat van de geglobaliseerde bijdragen.
Het lijkt niet onredelijk om de berekening van de bijdragen van een club in een promotiefonds te koppelen aan de hoeveelheid spelers die voor deze of gene ploeg uitkomen. De berekening dient evenwel zo forfaitair als mogelijk te worden uitgevoerd om te vermijden dat er een rechtstreekse band zou bestaan met de overgang van deze of gene speler, laat staan met zijn opstelling (cf. Decreet dd. 24 juli 1996, art. 3, alinéa 2).
Wat onderhavige zaak kenmerkt is dat eiseres weigert de opgelegde bijdrage voor het Fonds voor Promotie van het Jeugdvoetbal te betalen, maar anderzijds wel de sommen aanvaardt die haar worden gestort vanuit datzelfde fonds.
Niet ten onrechte pleit verweerster dan ook competitievervalsing in hoofde van eiseres, minstens van deloyaal gedrag ten aanzien van de andere leden van de vereniging, die samen met eiseres het nu aangevochten reglement hebben goedgekeurd.
Tegenover het belang van eiseres staat de bezorgdheid voor een coherente algemene werking van de federatie, waarbij iedereen gelijk is voor " de wet ", wat evenwel niet belet dat deze haar reglementen aanpast - voor zoveel als nodig - aan de bepalingen van het voornoemde Decreet binnen een aanvaardbare termijn.
Dit is ongetwijfeld de ratio legis van art. 10 van het Decreet.
In wezen is onderhavige zaak van zuiver pecuniaire aard. De situatie van de zijdelings betrokken spelers wijzigt niet direct door de tussen te komen beslissing.
Niets belet eiseres om ten gronde de wettelijkheid van het vigerende reglement aan te vechten en om ondertussen de verschuldigde bedragen te betalen onder voorbehoud. Nergens stelt eiseres overigens dat zij deze bedragen niet kan betalen. Evenmin heeft zij tot nu toe een vordering ten gronde ingesteld en dit terwijl het seizoen 1996-97 over halfweg is. Consignatie van de betwiste bedragen wordt al evenmin voorgesteld. Eiseres kan haar democratische rechten als lid van verweerster aanwenden tot het wijzigen van het bestaande reglement.
Te dezen komt de tussenkomst van de rechter in kort geding niet opportuun voor.
Gelet op het bovenstaande bestaat er geen aanleiding tot het stellen van enige prejudiciële vraag.
OM DEZE REDENEN;
Wij, BOON J., rechter aangesteld om de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelende te Brussel te vervangen;
Gezien de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Rechtsprekende over het voorlopige, na tegenspraak;
Alle andere of strijdige besluiten verwerpend;
Zeggen dat er geen aanleiding bestaat tot het heropenen van de debatten.
Verklaren de vordering ontvankelijk doch ongegrond in kort geding.
Veroordelen eiseres tot de kosten, voor haarzelf begroot op 7 869 + 4 100 frank en voor verweerster op 4 100 frank.)
(1) te horen zeggen voor recht dat eiseres tijdelijk, in afwachting van een tussen te komen bodembeslissing, wordt gemachtigd deel te nemen aan alle door of onder de auspiciën van verweerster georganiseerde wedstrijden weze het competitie-, bekerwedstrijden of andere eventuele officiële wedstrijden;
(2) te horen zeggen " voor recht " dat verweerster zich dient te onthouden van elke daad die ertoe zou strekken of die ertoe zou leiden - weze het direct of indirect - financiële en/of sportieve schade te berokkenen aan eiseres, dit onder verbeurte van een dwangsom van 750 000 F per vastgestelde inbreuk en per maand tijdens de procedure alsook na uitspraak van de tussen te komen beschikking;
(3) te horen zeggen " voor recht " dat verweerster gehouden is, tijdelijk en in afwachting van de bodemprocedure en voor zover inmiddels publicatie zou geschied zijn, het " in aanleg van schrapping " zijn te schorsen met publicatie dienaangaande in het eerste nummer van " Sportleven " na uitspraak van de tussen te komen beschikking, dit onder verbeurte van een dwangsom van 750 000 F per vastgestelde inbreuk en per maand tijdens de procedure alsook na uitspraak van de tussen te komen beschikking;
(4) aan eiseres akte te verlenen van het voorbehoud tot het nader formuleren van haar eis tot schadevergoeding in acht genomen de feitelijke omstandigheden;
Wat betreft de vordering sub (4) dient onmiddellijk vastgesteld dat een vordering tot het horen akteren van één of ander voorbehoud geen voldoende belang vertoont in de zin van artikel 17 e.v. Ger.W.
NOPENS DE GEVRAAGDE HEROPENING VAN DE DEBATTEN.
Met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 februari 1997 vraagt eiseres de debatten te heropenen verwijzend naar een recent arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 17 februari 1997, dat volgens haar van overwegend belang is.
De rechtspleging van artikel 773 Ger.W. dient in kort geding slechts gevolgd voor zoveel zij verenigbaar is met het urgent karakter van de zaak en de rechten van de verdediging.
Een jurisprudentiële beslissing in een andere zaak tussen andere partijen is geen nieuw en ter zake dienend stuk of feit in de zin van artikel 772 Ger.W.
Er bestaat geen aanleiding tot het heropenen van de debatten.
DE FEITEN.
Eiseres is als voetbalclub evoluerend in tweede provinciale aangesloten bij verweerster en in die hoedanigheid neemt zij deel aan de door verweerster georganiseerde voetbalcompetitie.
Voor het seizoen 1996-97 trok eiseres 5 spelers aan bij middel van een S-transfer. Zij vroeg en kreeg voor deze spelers een jaarlicentie met het oog op hun opstelling in het eerste elftal. Overeenkomstig de reglementen van verweerster, zoals gewijzigd op 15 maart 1996, dient eiseres tengevolge van de afgifte van de hierboven vermelde licenties, bijdragen te betalen aan verweerster voor het Fonds voor Promotie van het Jeugdvoetbal. Eiseres weigert deze bijdragen te betalen, waarop eiseres door verweerster dreigt geschrapt te worden overeenkomstig art. III/23 van het bondsreglement.
Met een brief van 23 januari 1997 stelde verweerster voor om de procedure tot schrapping op te schorten op voorwaarde dat het betwiste bedrag wordt geconsigneerd. Eiseres gaat niet in op dit voorstel.
IN RECHTE.
Aangezien volgens de termen van het gedinginleidend exploot de vordering spoedeisend zou zijn,
is de voorzitter zetelend in kort geding principieel bevoegd om de grond ervan te onderzoeken (Cass. 11 mei 1990, Pas. 1990, I, 1045).
NOPENS HET BELANG.
Aangezien eiseres verwijst naar het " intussen " in voege getreden Decreet van 24 juli 1996 tot vaststelling van het statuut van de niet-professionele sportbeoefenaar, en vooral naar de strafbepalingen in dit decreet, kan niet worden gesteld - zoals verweerster doet - dat eiseres geen belang heeft te dezen omdat het kwestieuze reglement unaniem werd goedgekeurd.
Eiseres heeft er belang bij voorlopig niet te worden geschrapt.
NOPENS DE URGENTIE ALS GEGRONDHEIDSVEREISTE.
Er is urgentie in de zin van art. 584, eerste lid Ger.W. telkens wanneer de vrees voor een schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken het nemen van een onmiddellijke beslissing noodzakelijk maakt (Cass. 21 mei 1987, Pas. 1987, I, 1160; R.W., 1987-88, 1425). Te dezen dreigt verweerster eiseres te schrappen, waardoor een gebeurlijke interne procedure in de schoot van verweerster of een procedure ten gronde voor de rechtbank volkomen dreigt te verzanden door de (langdurige) schrapping van eiseres.
De vordering komt voor als urgent.
NOPENS DE GROND.
Ter inleiding weze opgemerkt dat de vordering in onderhavige zaak uitgaat van de club zelf en niet van de individuele sportbeoefenaar die stelt belemmerd te worden in zijn vrijheid om zijn geliefkoosde sport te beoefenen op zijn niveau.
Vervolgens kan worden herinnerd aan art. 2 van de Wet van 24 mei 1921 :
" Al wie, op zijne aanvraag, lid wordt van eene vereeniging, verbindt zich, door zijne toetreding, zich te onderwerpen aan het reglement dier vereeniging, alsmede aan de beslissingen en strafmaatregelen, krachtens dit reglement getroffen. "
In de mate dat eiseres duidelijk stelt dat de bijdrage die zij moet betalen onwettig is en dat zij overgaat tot betalen " onder voorbehoud ", lijkt er bezwaarlijk sprake te kunnen zijn van enig strafbaar feit in hoofde van de verantwoordelijheden van eiseres (zie art. 11 Decreet dd. 24 juli 1996). De problematiek die geschapen werd door het Decreet van 24 juli 1996 is relatief complex en het " strafbaar gedrag " wordt beoordeeld in functie van de toetsing van de reglementen van de sportfederatie aan de bepalingen van het Decreet, wat wellicht aanleiding zal geven tot interpretatieproblemen van teksten en reglementen (waarbij de vraag rijst of de strafrechter de ideale oplossing vormt voor dit soort conflicten).
De betrachting van verweerster om de jeugdopleiding te stimuleren, minstens niet te ontmoedigen, komt prima facie voor als gewettigd. Er kan niet voorbij gegaan worden aan het vaststaande feit dat naast een deel idealisme en vrijblijvende inzet, de jeugdwerking ook kosten meebrengt die men niet kan laten dekken door het lidgeld van de aangesloten jeugdspelers op gevaar deze jeugdwerking en het wervingspotentieel te zien in mekaar stuiken, wegens een te hoge financiële instapdrempel. Hierdoor zou de sport een groot deel van haar sociale functie kunnen verliezen.
Er kan evenmin aan getwijfeld worden dat de zogenaamd grote of professionele clubs belang hebben bij een goede algemene jeugdwerking. Hierdoor vergroot immers hun recruteringsgebied, wat onrechtstreeks ook een invloed heeft op de kwaliteit van het spel.
Prima facie lijkt niets er zich tegen te verzetten dat de zogenaamd rijkere clubs, die in principe uitkomen in de hogere reeksen en die spelers opstellen die soms buiten de club werden opgeleid en gevormd,
in een hogere mate een bijdrage leveren in een fonds dat op een eerlijke en correcte wijze voor de verdeling instaat van de geglobaliseerde bijdragen.
Het lijkt niet onredelijk om de berekening van de bijdragen van een club in een promotiefonds te koppelen aan de hoeveelheid spelers die voor deze of gene ploeg uitkomen. De berekening dient evenwel zo forfaitair als mogelijk te worden uitgevoerd om te vermijden dat er een rechtstreekse band zou bestaan met de overgang van deze of gene speler, laat staan met zijn opstelling (cf. Decreet dd. 24 juli 1996, art. 3, alinéa 2).
Wat onderhavige zaak kenmerkt is dat eiseres weigert de opgelegde bijdrage voor het Fonds voor Promotie van het Jeugdvoetbal te betalen, maar anderzijds wel de sommen aanvaardt die haar worden gestort vanuit datzelfde fonds.
Niet ten onrechte pleit verweerster dan ook competitievervalsing in hoofde van eiseres, minstens van deloyaal gedrag ten aanzien van de andere leden van de vereniging, die samen met eiseres het nu aangevochten reglement hebben goedgekeurd.
Tegenover het belang van eiseres staat de bezorgdheid voor een coherente algemene werking van de federatie, waarbij iedereen gelijk is voor " de wet ", wat evenwel niet belet dat deze haar reglementen aanpast - voor zoveel als nodig - aan de bepalingen van het voornoemde Decreet binnen een aanvaardbare termijn.
Dit is ongetwijfeld de ratio legis van art. 10 van het Decreet.
In wezen is onderhavige zaak van zuiver pecuniaire aard. De situatie van de zijdelings betrokken spelers wijzigt niet direct door de tussen te komen beslissing.
Niets belet eiseres om ten gronde de wettelijkheid van het vigerende reglement aan te vechten en om ondertussen de verschuldigde bedragen te betalen onder voorbehoud. Nergens stelt eiseres overigens dat zij deze bedragen niet kan betalen. Evenmin heeft zij tot nu toe een vordering ten gronde ingesteld en dit terwijl het seizoen 1996-97 over halfweg is. Consignatie van de betwiste bedragen wordt al evenmin voorgesteld. Eiseres kan haar democratische rechten als lid van verweerster aanwenden tot het wijzigen van het bestaande reglement.
Te dezen komt de tussenkomst van de rechter in kort geding niet opportuun voor.
Gelet op het bovenstaande bestaat er geen aanleiding tot het stellen van enige prejudiciële vraag.
OM DEZE REDENEN;
Wij, BOON J., rechter aangesteld om de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelende te Brussel te vervangen;
Gezien de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Rechtsprekende over het voorlopige, na tegenspraak;
Alle andere of strijdige besluiten verwerpend;
Zeggen dat er geen aanleiding bestaat tot het heropenen van de debatten.
Verklaren de vordering ontvankelijk doch ongegrond in kort geding.
Veroordelen eiseres tot de kosten, voor haarzelf begroot op 7 869 + 4 100 frank en voor verweerster op 4 100 frank.)