Hof van Beroep: Arrest van 26 Februari 2003 (Gent). RG 2002/AR/0927

Date :
26-02-2003
Language :
Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20030226-7
Role number :
2002/AR/0927

Summary :

Samenvatting 1

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

in de zaak van :

V.Z.W. ROYAL RACING CLUB GENT ZEEHAVEN, voordien genaamd VZW Royal Racing Club Heirnis Gent, met maatschappelijke zetel te 9050 Gent (Gentbrugge), Emmanuel Hielstraat 106,

appellante, hebbende als raadsman mr. Koen Meirlaen, advocaat met kantoor te 9800 Deinze, Gentsesteenweg 104,

tegen

N.V. GENT GAS, voorheen N.V. Horecfood, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Ham 41 en ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nr. 118.436,

geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Patrick De Groote, advocaat te 9000 Gent, Ottogracht 28,

velt het Hof volgend arrest :

Het Hof heeft in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies gehoord, alsmede de stukken ingezien.

Het tijdig en op rechtsgeldige wijze ingesteld hoger beroep betreft het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zeventiende kamer, van 22 februari 2002.

I. Voorgaanden.

1. De met dagvaarding van 7 januari 1999 door geïntimeerde ingestelde vordering strekt tot de betaling van 472.162 frank (= _ 11.704,59), uit hoofde van openstaande facturen voor de levering van horecabenodigdheden ten bedrage van 407.036 frank (= _ 10.090,16), meer 40.704 frank (= _ 1.009,03) conventionele verhoging en 24.422 frank (= _ 605,41) intresten.

Bij tegeneis vordert appellante betaling van 1.488.160 frank (= _ 36.890,52), eveneens wegens onbetaalde facturen (sponsoring) ten bedrage van 1.104.120 frank (= _ 27.370,42), meer 110.412 frank (= _ 2.737,04) schadebeding en 273.638 frank (= _ 6.783,31) intresten.

2. De door appellante opgeworpen exceptie van verjaring verwerpend, verklaart de eerste rechter de vordering van geïntimeerde integraal gegrond. De beoordeling van de tegeneis wordt geschorst tot na de behandeling van de door geïntimeerde neergelegde klacht met burgerlijke partijstelling.

3. Appellante volhardt in het standpunt dat geïntimeerde's vordering verjaard is op grond van artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek (verjaringstermijn van één jaar). Bovendien meent zij dat het strafonderzoek ook met betrekking tot geïntimeerde's facturen relevante zaken aan het licht zou kunnen brengen.

Zij besluit tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerde en de gegrondheid van haar tegenvordering. Subsidiair betwist appellante de toepasselijkheid van geïntimeerde's factuurvoorwaarden.

4. Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. Ondergeschikt vraagt zij dat aan appellante de gedingbeslissende eed wordt opgelegd.

II. Bespreking.

1. De exceptie van verjaring werd door de eerste rechter verworpen op oordeelkundige gronden, die het Hof bijtreedt en hier als hernomen beschouwd worden.

De korte verjaringstermijnen, die uitgaan van het idee dat het gaat om gevallen, waarbij de schuld onmiddellijk werd betaald en partijen om die reden geen schriften opstelden, kunnen niet worden ingeroepen, wanneer de verbintenis in een geschrift vastgelegd werd (artikel 2274, alinea 2 van het Burgerlijk Wetboek).

De uitreiking van een factuur aan een niet-handelaar volstaat echter niet om de bevrijdende verjaring, overeenkomstig artikel 2272, alinea 2 van het Burgerlijk Wetboek, buiten werking te stellen.

Ten deze staat het evenwel vast dat appellante de litigieuze facturen heeft aanvaard, nu zij steeds heeft voorgehouden dat deze facturen werden voldaan, hetgeen impliceert dat zij deze regelmatige facturen, die nimmer het voorwerp waren van enig protest, in haar boekhouding heeft opgenomen. In deze omstandigheden dient in hoofde van appellante een erkenning van schuld te worden weerhouden, die beantwoordt aan de stuitingsgrond van artikel 2274, alinea 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Er is geen enkele aanwijzing dat het strafonderzoek, gevoerd naar aanleiding van de klacht van geïntimeerde, enig relevant gegeven met betrekking tot geïntimeerde's facturen aan het licht kan brengen.

3. Het is niet bewezen dat partijen hebben gecontracteerd op basis van de factuurvoorwaarden van geïntimeerde, terwijl deze eenzijdige voorwaarden appellante, als niet-handelaar, niet binden.

Dienvolgens komt geïntimeerde's vordering gegrond voor tot beloop van de hoofdsom van de facturen, hetzij 407.036 frank (= _ 10.090,16), meer de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de aanmaning van 11 februari 1998.

4. Het hoger beroep maakt het geschil in zijn geheel aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Nu het strafonderzoek niet is afgesloten, dient de beoordeling van de tegenvordering van appellante te worden aangehouden en dient de zaak, in afwachting van de in staat stelling van deze vordering, te worden verwezen naar de bijzondere rol van deze kamer.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Melding makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch slechts deels gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.

Veroordeelt appellante om aan geïntimeerde te betalen de som van _ 10.090,16 (407.036 frank), meer de verwijlintresten vanaf 11 februari 1998 tot 7 januari 1999, datum van dagvaarding, en de gerechtelijke intresten van dan af.

Houdt de beslissing over de vordering van appellante en de gedingskosten aan, en verwijst de zaak naar bijzondere rol van deze kamer.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer twaalf bis, recht doende in burgerlijke zaken op zesentwintig februari tweeduizend en drie.

Aanwezig :

Dirk Floren, raadsheer, alleenrechtsprekend,

Achiel Ferdinande, griffier.

Repertorium

nr. 2003/

A. Ferdinande D. Floren