Arbeidsrechtbank: Vonnis van 26 November 1973 (Hasselt). RG 241

Date :
26-11-1973
Language :
Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19731126-3
Role number :
241

Summary :

Verweerster, werkgeefster, betaalde op 29 maart 1973 aan eiseres haar loon voor april uit met de mededeling dat zij in april niet meer moest komen werken. Eiseres beweert, dat haar drie maanden opzeggingsvergoeding moest worden uitgekeerd, waarop verweerster antwoordt, dat zij eiseres op 26 januari 1973 bij ter post aangetekende brief met een termijn lopend van 1 februari tot 30 april 1973 opgezegd heeft. Eiseres geeft toe, dat zij een aangetekende brief ontvangen heeft, maar houdt staande, dat de omslag slechts een wit blad met haar adres op bevatte. Over dit probleem zegt de rechtbank: "Het door eiseres ingenomen standpunt werd herhaaldelijk ontwikkeld in pachtzaken en gaf aanleiding tot een vaststaande jurisprudentie, die als volgt kan samengevat worden. Diegene die beweert, dat hij een abnormaal aangetekend schrijven ontving van iemand met wie hij in relatie is in een materie waar het gebruik van aangetekende correspondentie voorzien is, is ongeloofwaardig in zijn bewering dat de correspondentie abnormaal was, wanneer hij niet onmiddellijk op deze abnormaliteit reageerde door om uitleg te vragen (Cass. fr., 11 juni 1964, J.T., 1965, 120, met noot VAN REEPINGHEN; Rb. Brussel, 8 april 1960, onuitg.). "Bovendien wordt aanvaard, dat wanneer de wetgever het aangetekend schrijven als voldoende bewijs beschouwt, de aantekening voldoende is om de beweerde inhoud van het aangetekend schrijven aan te tonen tenzij het tegendeel op afdoende wijze bewezen (A.P.R., Landpacht, nr. 97). "En in casu blijkt de inhoud van de aangetekende mededeling van verweerster uit de door verweerster overgelegde doorslag van het opzeggingsschrijven dat voorkomt als zijnde regelmatig naar de vorm."

Jugement :

The full and consolidated version of this text is not available.