Arbeidsrechtbank: Vonnis van 13 Februari 2004 (Tongeren). RG 8372003

Date :
13-02-2004
Language :
Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20040213-5
Role number :
8372003

Summary :

Blijkens een onderzoek van de Sociale Inspectie is gebleken dat 36 personen in 9 pornofilms speelden en hiervoor in totaal 1.576.000 BEF aan loon ontvingen. Evenwel deed verweerster geen enkele aangifte van de lonen of prestaties bij de R.S.Z. De R.S.Z. dagvaardt verweerster in betaling van achterstallige bijdragen gezien de bewuste personen onder het toepassingsgebied van de R.S.Z.-wetgeving vallen. In artikel 3, 2° K.B. 28/11/1969 wordt de toepassing van de wet d.d. 27/06/1969 verruimd tot de schouwspelartiesten. Het begrip schouwspelartiest wordt door de rechtspraak ruim en zonder veel bekommernis om de artistieke waarde van het gebrachte spektakel geïnterpreteerd. Het feit dat men spreekt van artiest wijst er niet op dat de bedrijvigheid artistieke pretenties moet hebben of effectief een kunstzinnig karakter moet vertonen. De rechtbank oordeelde dat betrokken acteurs, door verweerster aangeworven, dan ook schouwspelartiesten zijn en bijgevolg vallen onder de toepassing van de R.S.Z.-wet. De eis tot uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis werd afgewezen bij gebreke aan argumenten en gezien de omstandigheden van de zaak.

Jugement :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Rolnr. 837/2003
DE TWEEDE KAMER VAN DE ARBEIDSRECHTBANK
VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN
heeft het volgende vonnis uitgesproken
INZAKE
De R.S.Z. 'Rijksdienst voor Sociale zekerheid, Openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL (SINT-GILLIS), Victor Hortaplein, 11,
eisende partij, verschijnend door /
TEGEN
Gezien de inleidende dagvaarding dd. 5.3.2003 betekend door het ambt van Gerechtsdeurwaarder Guy GEMIS met standplaats te Genk, om te verschijnen op de openbare terechtzitting van 8.4.2003.
Gezien de op 15.5.2003 aan partijen verstuurde oproeping voor de openbare terechtzitting van 14.11.2003, volgens artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek. Op de zitting van 14.11.2003 werd de zaak uitgesteld naar de zitting van 9.1.2004.
Gezien de conclusies voor verwerende partij, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 8.9.2003.
Gezien de aanvullende conclusies voor verwerende partij, ontvangen ter griffie van 10.12.2003.
Gezien de aanvullende conclusies voor eisende partij, ontvangen ter griffie op 26.12.2003.
Verwerende partij verschijnt niet ter zitting van 9.1.2004, noch iemand voor haar.
Eisende partij vordert vonnis in toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek, op welk verzoek de rechtbank kan ingaan.
Gehoord eisende partij in haar middelen en gezegden.
Gehoord de Heer / Substituut Arbeidsauditeur in de lezing van het schriftelijk advies.
Eisende partij verklaart geen opmerkingen te hebben over dit advies en wenst niet te repliceren.
Men sprak de Nederlandse taal.
VOORWERP
De dagvaarding strekt ertoe verwerende partij te horen veroordelen om te betalen aan eisende partij, de som van 26.175,54 EUR, meer de wettelijke intresten op de som van 18.654,29 EUR vanaf 25.1.2003, hoofdens achterstallige bijdragen in toepassing van artikel 3,2? van het KB van 28.11.1969, waarbij de toepassing van de wet van 27.6.1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verruimd werd tot de schouwspelartiesten zoals de dramatische, lyrische, choreografische en variétéartiesten, alsmede de musici, de orkestleiders, de balletmeesters, de aanvullingsartiesten, die tegen betaling van een loon aangeworven worden om op te treden tijdens voorstellingen, repetities, radio en televisie-uitzendingen, film, plaatof bandopnamen, alsook tot de personen die deze artiesten aanwerven.
Eisende partij vordert tevens de veroordeling van verwerende partij in betaling van de kosten van het geding.
Tevens wordt de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis gevorderd.
ONTVANKELIJKHEID
De vordering werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. Er zijn derhalve geen redenen voorhanden tot de ambtshalve inroeping van een grond van onontvankelijkheid.
FEITEN
Verweerster heeft sinds januari 1998 een eenmanszaak, die volgens het handelsregister een publiciteitsonderneming is.
Zij wordt bijgestaan door haar zoon /, beter bekend als /.
De activiteit van de eenmanszaak bestaat in werkelijkheid uit het zoeken van locaties en modellen/acteurs en het maken van beeldmateriaal voor een volwassen publiek.
Uit een onderzoek van de Sociale Inspectie is gebleken dat 36 verschillende personen in negen pornofilms en hiervoor in totaal 1.576.000 BEF aan loon ontvingen.
Verweersrter deed geen enkele aangifte van de lonen of prestaties bij de RSZ.
Met elk van de acteurs werd een contract opgemaakt, waarin zij hun toestemming gaven om gefilmd/gefotografeerd te worden voor een pornografische productie en waarmee ze afzien van hun rechten opzichtens de publiciteitsonderneming van verweerster.
In het aanvankelijk P.V. van verhoor door de RVA, verklaart / op 4.4.2001 :
Ik kan geen bewijzen voorleggen dat ik deze vergoedingen uitbetaalde. Ik heb de meisjes cash uitbetaald.
Ik heb er wel degelijk bij stilgestaan of de acteurs al dan niet werknemers zijn en heb mij bevraagd :
men heeft mij nergens sluitende antwoorden kunnen geven.
Ik heb derhalve uitsluitend overeenkomsten met modellen gemaakt, vergoedingen betaald, doch geen RSZ aangiften gedaan. De uitbetaalde bedragen worden in de boekhouding geboekt als artiestennota's (onkosten)."
Gezien de bewuste personen onder het toepassingsgebied van de RSZ-wetgeving vielen, diende de sociale inspectie conform haar wettelijke opdracht de aangifte voor de 36 tewerkgestelde personen op te stellen, waarna de R.S.Z. tot regularisatie overging.
TEN GRONDE
1.
In artikel 3.2? van het K.B. van 28.11.1969 wordt de toepassing van de wet van 27.6.1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid van arbeiders verruimd tot de tot de schouwspelartiesten zoals de dramatische, lyrische, choreografische en variétéartiesten, alsmede de musici, de orkestleiders, de balletmeesters, de aanvullingsartiesten, die tegen betaling van een loon aangeworven worden om op te treden tijdens voorstellingen, repetities, radio en televisie-uitzendingen, film, plaat- of bandopnamen, alsook tot de personen die deze artiesten aanwerven.
Het is vaststaande cassatierechtspraak dat de feitenrechter enkel moet onderzoeken of de betrokken personen schouwspelartiesten zijn en zo ja, of zij aangeworven worden om tegen betaling van een loon, op te treden tijdens voorstellingen.
Een positief antwoord op deze vragen leidt noodzakelijk tot de toepassing van de R.S.Z.-wet, ook wanneer de artiest niet werkt in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst.
(zie PUT J. en SIMOENS D, Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1990-1996, blz. 113)
In casu staat het vast dat de 36 aangeworven personen loon ontvingen en optraden tijdens voorstellingen, andere dan familiefeesten.
Het is dus niet nodig dat de rechtbank nagaat of er sprake is van een gezagsverhouding.
Verweerster betwist aldus ten onrechte de vordering, stellende dat de bewuste personen niet werkten in ondergeschikt verband, doch wel op zelfstandige basis.
Er worden overigens geen elementen bijgebracht die erop zouden kunnen wijzen dat de bewuste personen zelfstandigen zijn.
2.
Het begrip schouwspelartiest wordt door de rechtspraak algemeen vrij ruim en zonder veel bekommernis om de artistieke waarde van het gebrachte spektakel geïnterpreteerd.
(zie PUT J. en SIMOENS D, Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1990-1996, blz. 113)
Het feit dat men spreekt van artiest wijst er niet op dat de bedrijvigheid arstistieke pretenties moet hebben of effectief een kunstzinnig karakter moet vertonen. Zo werden in de rechtspraak een stripper onder de noemer van een schouwspelartiest geplaatst en zelfs een disc-jockey, die dansavonden verzorgde in het hotel. Het feit dat deze voor zijn prestaties geen loon, maar een honorarium ontving, noch de taxatie hiervan als zelfstandige, had geen enkel impact op de toepassing van artikel 3,2?)
(zie PUT J. en SIMOENS D, Ontwikkelingen van de Sociale Zekerheid 1996-2001, blz. 256)
In casu kan dan ook niet anders dan besloten worden dat de acteurs, die door verweerster werden aangeworven, schouwspelartiesten zijn en bijgevolg vallen onder de toepassing van de R.S.Z-wet.
3.
Verweerster betwist de cijfermatige begroting van de vordering in het algemeen, zonder enig concreet element naar voor te brengen.
De berekening van eisende partij, komt de rechtbank juist en gegrond voor.
4.
Eisende partij vraagt de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis.
Zij brengt desbetreffend geen argumenten bij, en de rechtbank meent dat uit de omstandigheden van de zaak, niet kan afgeleid worden dat op dit verzoek dient ingegaan te worden.
De uitvoerbaarheid bij voorraad mag inderdaad slechts in uitzonderlijke gevallen worden uitgesproken en met afweging van de belangen van de partijen.
- Antwerpen, 11.2.1987, R.W. 1986-1987, 2640 met noot LAENENS J.
- Arbh. Bergen, 7.4.1992, J.L.M.B., 1992, 1204
- Kh. Luik, 10.11.1983, T.B.H., 1985, 118, noot)
Daarenboven is een uitvoerbaarheid bij voorraad slechts aangewezen voor bedragen die als verschuldigd erkend zijn of als dusdanig moeten worden beschouwd, quod non in casu.
(LAENENS J. noot onder Arbh. Gent, 7.5.1990, R.W. 1990-1991, 301)
De rechtspraak aanvaardt verder de uitvoerbaarheid bij voorraad in zogenaamde bijzondere omstandigheden en preciseert dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden indien de verwerende partij ( schuldenaar) niet insolvabel is.
(Arbh. Bergen, 7.4.1992, J.L.M.B., 1992, 1204)
De uitvoerbaarheid bij voorraad is in huidige betwisting dan ook niet verantwoord.
De verdere argumenten van partijen, ontwikkeld in conclusies of ter zitting, en voor zover niet beantwoord in huidig vonnis, worden verworpen als irrelevant, minstens ongegrond.
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak, na toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek,
Na beraad,
Verklaart de vordering ONTVANKELIJK en GEDEELTELIJK GEGROND.
Veroordeelt verwerende partij te betalen aan eisende partij, de som van 26.175,54 EUR meer de wettelijke intresten op 18.654,29 EUR vanaf 25.1.2003 en de gerechtelijke intresten.
Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, deze in hoofde van eisende partij vastgesteld op 86,97 EUR dagvaardingskosten en 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verwerende partij vastgesteld op 200,79 EUR.
Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement.
Aldus gevonnist en uitgesproken door de Tweede Kamer van deze Rechtbank in openbare zitting de