No title
- Section :
- Regulation
- Type :
- Sub-domain :
- Fiscal Discipline
Summary :
art. 2692. art. 2692. Nummer G 269 2 /01-01 01. - In te schrijven vorderingen Beginselen. 01. - Het Gerechtelijk Wetboek onderscheidt dienaangaande drie types van rechtspleging : 1° die
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||||||||||
|
Document
Search in text:
Nummer G 2692/01-01 01. - In te schrijven vorderingen Beginselen. 01. - Het Gerechtelijk Wetboek onderscheidt dienaangaande drie types van rechtspleging :
De vorderingen vermeld onder nr. 1° en 2° moeten worden ingeschreven op de algemene rol, behoudens de vorderingen in kort geding, zoals bedoeld bij de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek, welke ingeschreven worden in het register van de kort gedingen. De vorderingen onder nr. 3° worden ingeschreven in het register der verzoekschriften. Moeten niet in het register der verzoekschriften ingeschreven worden :
(Aanschr. van 20 maart 1968 en 10 december 1968, nr. 20 en 76.) ---------- JANUARI 1980 – 1386
Nummer G 2692/02-01 02. - Verzoek tot minnelijke schikking. 01. - De verzoeken tot minnelijke schikking die overeenkomstig het bepaalde in artikel 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek tot de rechter worden gericht, vóór de eigenlijke inleiding van het geschil, met het oog op het bewerken van een minnelijke oplossing van de betwisting, moeten noch op de algemene rol noch in het register der verzoekschriften worden ingeschreven. Als voorbeelden van dergelijke verzoeken tot minnelijke schikking kunnen worden vermeld de verzoeken tot minnelijke schikking die tot de rechter gericht worden:
Indien de poging tot minnelijke schikking mislukt en het geschil aan de rechter wordt onderworpen, is uiteraard een inschrijving op de algemene rol vereist. (Besl. 20 maart 1969, nr. E.E./81.137.) ----------
Nummer G 2692/03-01 03. - Voorbeelden van vorderingen op eenzijdig verzoekschrift. 01. - Als voorbeelden van gevallen waarin een inschrijving in het register der verzoekschriften moet plaatsvinden, kunnen worden vermeld de materies bedoeld in artikel 584, 585, 586, 588, 594 en 606 van het Gerechtelijk Wetboek, het verzoek tot vaststelling van overspel bij gerechtsdeurwaarder (art. 1061bis), de verzegeling en ontzegeling (art. 1149, 1168, 1171 en 1174), de boedelbeschrijving (art. 1177, 1178 en 1184), de openbare verkopingen van onroerende en roerende goederen (art. 1186, 1187, 1188, 1189, 1190, 1192 en 1195), de verkoping uit de hand van onroerende goederen die tot een failliete boedel behoren (art. 1193ter), de inbezitstelling van de goederen van een afwezige (art. 1226 en 1227), de homologatie van de beslissingen van de familieraad (art. 1234), de vordering tot onbekwaamverklaring (art. 1240), de middelen om uitgifte of afschrift van een akte te verkrijgen (art. 1374, 1377, 1378, 1379 en 1382), de verbetering van de akten van de burgerlijke stand (art. 1383), de verzoeken betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en hun huwelijksvermogensstelsel (art. 1253bis). (Aanschr. van 20 maart 1968, nr. 20, van 10 december 1968, nr. 24 en 76 en van 24 augustus 1987, nr. 8; besl. 30 mei 1988, nr. E.E./91.302.) ----------
Nummer G 2692/04-01 04. - Spoedeisend geval. Uitspraak bij voorraad. 01. - De bij eenzijdig verzoekschrift ingeleide vordering moet in het register der verzoekschriften ingeschreven worden ook al wordt de oplossing beoogd van een spoedeisend geval (b.v. het verzoekschrift tot verkorting van de termijnen van dagvaarding bedoeld in artikel 708 Ger. Wb.) of al wordt enkel een uitspraak bij voorraad gevraagd (b.v. Ger. Wb., art. 584, derde lid). (Aanschr. van 10 december 1968, nr. 76.) ----------
Nummer G 2692/05-01 05. - Verzoekschrift vervangen door een mondelinge verklaring. 01. - Het register der verzoekschriften, waarvan het houden door de griffiers wordt voorgeschreven bij artikel 712 van het Gerechtelijk Wetboek, is bestemd voor het inschrijven van de vorderingen op eenzijdig verzoekschrift, d.w.z. de vorderingen welke ingesteld worden bij een tot de rechter gericht verzoekschrift, waarvan geen kennis wordt gegeven aan een tegenpartij, ten minste vanaf de inleiding van de zaak of in het eerste stadium van de behandeling (Ger. Wb., artikel 1025 tot 1032). De eenzijdige verzoekschriften, in de zin zoals zo-even aangeduid, moeten worden ingeschreven in het register der verzoekschriften en maken het in artikel 2692 bepaalde recht opvorderbaar, ook al wordt, bij toepassing van een bepaalde wettekst, het geschreven verzoekschrift vervangen door een mondelinge verklaring waarvan de rechter of de griffier akte moet opmaken. Aldus moet, op het stuk van de rechtspleging van verzegeling, als verzoekschrift worden behandeld, het geschrift opgemaakt, hetzij door de rechter hetzij door de griffier, om de mondelinge vordering tot verzegeling vast te stellen (Ger. Wb., art. 1149). Indien de akte in kwestie opgemaakt wordt door de griffier is hierop het opstelrecht verschuldigd (Wetboek, art. 2701), onverminderd het rolrecht waartoe de inschrijving in het register der verzoekschriften aanleiding geeft. (Aanschr. van 20 maart 1968 en 10 december 1968, nr. 20 en 76.) ----------
Nummer G 2692/05-02 05. - Verzoekschrift vervangen door een proces-verbaal van vrijwillige verschijning in de procedure artikel 221-223 B.W. 02. - De eenzijdige verzoekschriften moeten worden ingeschreven in het register der verzoekschriften en maken het in artikel 2692 bepaalde recht opvorderbaar. Volgens artikel 594, 19° , Ger. Wb. doet de vrederechter op niet-tegensprekelijk verzoekschrift uitspraak over de vorderingen ingesteld bij toepassing van de artikelen 221-223 van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer in tegenstelling met de wet (zie Rouard, Traité élémentaire de droit judiciaire privé - La procédure civile, dl. II, nr. 562) dit verzoekschrift vervangen wordt door een proces-verbaal van vrijwillige verschijning (artikel 706 Ger. Wb.), moet dit proces-verbaal behandeld worden als een eenzijdig verzoekschrift en derhalve ingeschreven worden in het register der verzoekschriften. (Besl. 12 april 1990, nr. E.E./92.049.) ----------
Nummer G 2692/05-03 05. - Visum van de beslagrechter (Ger. Wb., art. 1544). 03. - Luidens artikel 1544 van het Gerechtelijk Wetboek is de derde beslagene slechts tot afgifte gehouden voor zover de schuldeiser die beslag legt vooraf het visum van de rechter heeft bekomen. Geen enkele tekst in het Ger. Wb. bepaalt op welke wijze dat visum gevraagd kan worden. Een arrest van het Hof van Cassatie van 20 januari 1989 bepaalt dat het visum, dat wil zeggen het eenvoudig voor gezien tekenen, op mondeling verzoek kan bekomen worden. De mondelinge aanvraag van het visum maakt geen griffierecht opeisbaar. Indien het visum daarentegen bij verzoekschrift of bij eenvoudige brief aangevraagd wordt is het recht verschuldigd bedoeld in artikel 2692 . Ingeval van aanvraag bij wijze van dagvaarding is er een inschrijving op de algemene rol met betaling van het recht bedoeld in artikel 2691. (Besl. 1 maart 1991, nr. E.E./92.591.) ------------
Nummer G 2692/06-01 06. - Verzoekschrift tot tussenkomst. 01. - Het verzoekschrift tot tussenkomst (Ger. Wb., art. 813) bij een rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift, is niet aan het recht onderworpen. (Aanschr. van 10 december 1968, nr. 76.) -----------
Nummer G 2692/07-01 07. - Hoger beroep. 01. - Het hoger beroep dat door de verzoeker of door de tussenkomende partij ingesteld wordt tegen de door de rechter op eenzijdig verzoekschrift genomen beschikking (Ger. Wb., art. 1031) moet ingeschreven worden in het register van de verzoekschriften dat gehouden wordt op de griffie van het gerecht in hoger beroep en geeft aanleiding tot de heffing van het recht. (Aanschr. van 10 december 1968, nr. 76.) ----------
Nummer G 2692/08-01 08. - Wijziging of intrekking van beschikking. 01. - Een nieuwe inschrijving, gepaard met de betaling van het recht, is vereist, wanneer de verzoeker of de tussenkomende partij, in geval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen, zoals bepaald in artikel 1032 van het Gerechtelijk Wetboek. (Aanschr. van 10 december 1968, nr. 76.) ----------
Nummer G 2692/09-01 09. - Derdenverzet. 01. - Het derdenverzet dat tegen de beschikking van de rechter kan ingesteld worden overeenkomstig artikel 1033, 1034 en 1125 van het Gerechtelijk Wetboek, doet een gewoon geding ontstaan; het moet ingeschreven worden op de algemene rol met betaling van het rolrecht bepaald in artikel 2691 . (Aanschr. van 20 maart 1968 en 10 december 1968, nr. 20 en 76.) ----------
Nummer G 2692/10-01 10. - Rechtspleging inzake jeugdbescherming. 01. - De vorderingen bedoeld in titel II, hoofdstuk II, van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming, die door middel van een verzoekschrift aanhangig worden gemaakt voor de jeugdrechtbanken, overeenkomstig artikel 45, 1, van die wet, moeten worden beschouwd als rechtsplegingen op eenzijdig verzoekschrift, zonder onderscheid of er tussen de betrokken partijen al dan niet verschil van mening bestaat. De desbetreffende verzoekschriften moeten dus worden ingeschreven in het register van de verzoekschriften en bij hun inschrijving maken zij, in de regel, het in het nieuw artikel 2692 bepaalde rolrecht opvorderbaar. Dat is meer in het bijzonder het geval voor de verzoekschriften in geval van geschil tussen de ouders omtrent het toestemmen in het huwelijk van hun minderjarige kinderen (B.W., art; 148), de verzoekschriften inzake het bestuur over de persoon en over de goederen van de kinderen na echtscheiding of na scheiding van tafel en bed (B.W., art. 302, 3de lid, en art. 311bis), de verzoekschriften van de moeder in geval van geschil, gedurende het huwelijk, tussen haar en haar man betreffende de uitoefening van hun gezag over hun kinderen (B.W., art; 373) of betreffende het toestemmen in het verlaten van het ouderlijk huis van hun kinderen (B.W., 374) of omtrent het beheer over de persoonlijke goederen van hun kinderen (B.W., art. 389, 1ste lid), de verzoeken tot ontvoogding of tot intrekking van de ontvoogding door de ouders gezamenlijk of door een hunner (B.W., art. 477 en 485), de verzoeken tot machtiging om handel te drijven (Wb. koophandel, art. 4) of tot intrekking van de machtiging om handel te drijven (Wb. koophandel, art. 5). Moeten eveneens ingeschreven worden in het register van de verzoekschriften : de vraag tot homologatie van de akte van aanneming die overgemaakt wordt aan de jeugdrechtbank of aan de rechtbank van eerste aanleg (B.W., art. 350); het hoger beroep tegen het vonnis waarbij beslist wordt dat de aanneming niet wordt gehomologeerd (B.W., art. 351); de vraag die bij de jeugdrechtbank of bij de rechtbank van eerste aanleg wordt ingediend door de persoon of de personen die voornemens zijn te adopteren, wanneer een van de vereiste toestemmingen wordt geweigerd, alsmede het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis (B.W., art. 353); de tot de jeugdrechtbank gerichte vraag tot bekrachtiging van de overeenkomst waarbij de pleegvoogdij tot stand komt (B.W., Boek I, titel X, hoofdstuk II bis, art; 2); de vraag tot ontvoogding of tot intrekking van de ontvoogding, die door de vrederechter op verzoek van de familieraad aan de jeugdrechtbank wordt toegezonden (B.W., art. 478, 479 en 485). (Aanschr. van 31 december 1968, nr. 88.) ---------- JANUARI 1980 - 1396
Nummer G 2692/11-01 11. - Verzoek aan de vrederechter tot bijeenroeping van een familieraad of tot vaststelling van de datum van een verkoop of van een verdeling waarin minderjarigen of andere onbekwamen zijn betrokken. 01. - De aan de vrederechter gerichte verzoeken tot bijeenroeping van een familieraad moeten niet in het register der verzoekschriften ingeschreven worden daar de vrederechter hierbij niet als een gerechtelijke autoriteit in de eigenlijke zin optreedt (vgl. besl. 11 december 1928, REC. GEN., nr.16.661). Hetzelfde geldt ook voor het eenvoudig door de notaris aan de vrederechter gericht verzoek om in onderlinge overeenstemming, zoals bepaald in artikel 1192 en 1206 van het Gerechtelijk Wetboek, de datum van de veiling of van de verdeling vast te stellen betreffende boedels waarin minderjarigen of andere onbekwamen zijn gerechtigd. In beide gevallen is evenwel een voorafgaande inschrijving in het register der verzoekschriften vereist wanneer de vrederechter weigert de familieraad samen te roepen (z. ALGEMENE PRACTISCHE RECHTSVERZAMELING, v° Familieraad, nr. 313) of wanneer hij zijn goedkeuring tot de verkoop of de verdeling weigert (z. Ger. Wb., art. 1192, laatste lid, en art. 1206, laatste lid). (Besl. 20 maart 1969, nr. E.E./81.137.) ----------
Nummer G 2692/12-01 12. - Verzoekschriften aan de rechter in uitvoering van de wet van 16 mei 1900 op de kleine nalatenschappen. 01. - 1° Vordering tot behoud der onverdeeldheid (wet 16 mei 1900, art. 3). De vordering tot behoud van de onverdeeldheid, waarin artikel 3 van de wet van 16 mei 1900 voorziet, vertoont al de kenmerken van de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift. Het desbetreffende verzoekschrift moet derhalve worden ingeschreven in het register der verzoekschriften met betaling van het rolrecht waarin artikel 2692 voorziet. 2° Vordering tot overname (wet 16 mei 1900, art. 4). Het verzoek tot overname dat aan de rechter wordt gericht om te doen overgaan tot de schatting waarin artikel 4 van de wet van 16 mei 1900 voorziet, ten einde de betwistingen te beslechten of om het recht van overname aan een bepaald persoon toe te kennen, leidt een gewone vordering in die moet worden ingeschreven op de algemene rol. Deze inschrijving geniet het verlaagde rolrecht bepaald in artikel 2691, voorlaatste lid, wanneer de vrederechter in laatste aanleg kan uitspraak doen, d.i. wanneer het kadastraal inkomen van de betreffende onroerende goederen 21 000 frank niet overschrijdt. (Besl. 20 maart 1969, nr. E.E./81.137.) ----------
Nummer G 2692/13-01 13. - Verzoekschrift tot homologatie inzake ongewilde buitenbezitstelling van titels aan toonder. 01. - Het verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 en 12 van de wet van 24 juli 1921 op de ongewilde buitenbezitstelling van titels aan toonder en strekkende tot homologatie van het verzet tegen de verhandeling van effecten dat werd betekend aan het Nationaal Kantoor van Roerende Waarden of, zo het gaat om vreemde waarden, aan de bevoegde dienst, leidt een rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift in en moet worden ingeschreven in het register der verzoekschriften. Dezelfde oplossing geldt voor het verzoekschrift tot herneming van een doorgehaald verzet (z. Ger. Wb., art. 588, 7°). (Besl. 20 maart 1969, nr. E.E./81.137.) ----------
Nummer G 2692/14-01 14. - Verzoekschriften tot verkorting van de termijnen van dagvaarding. 01. - 1° Vóór de inleiding van de vordering. De aan de vrederechter of de voorzitter van de rechtbank vóór de inleiding van de vordering gerichte verzoekschriften tot verkorting van de termijnen van dagvaarding hetzij in spoedeisende gevallen (Ger. Wb., art. 708, eerste lid), hetzij met betrekking tot vorderingen in kort geding (Ger. Wb., art. 1036) moeten ingeschreven worden in het register der verzoekschriften en maken het bijzonder rolrecht van artikel 2692 opvorderbaar. 2° Tijdens de behandeling van het geschil. De verzoekschriften tot verkorting van de termijnen van dagvaardiging die aan de rechter worden gericht in de loop van een op de algemene rol ingeschreven rechtspleging (z. Ger. Wb., art. 708, tweede lid) moeten niet in het register der verzoekschriften worden ingeschreven en maken geen enkel rolrecht opvorderbaar. (Besl. 20 maart 1969, nr. E.E./81.137.) ----------
Nummer G 2692/15-01 15. - Rechtsplegingen inzake gerechtelijk akkoord. 01. - Het gerechtelijk akkoord wordt aangevraagd bij een aan de rechter te richten verzoekschrift waarvan geen kennis wordt gegeven aan een tegenpartij, ten minste niet vanaf de inleiding van de zaak of in het eerste stadium van haar behandeling (samengeschakelde wetten op het gerechtelijk akkoord, art; 3 tot 9). Bijgevolg is die aanvraag onderworpen aan het in artikel 2692 bepaalde recht van 780 frank en moet zij worden ingeschreven in het register van de verzoekschriften, afgezien van de inschrijving in het bijzonder register die artikel 4 van de samengeschakelde wetten op het gerechtelijk akkoord voorschrijft. Geen nieuw rolrecht is verschuldigd wanneer de rechtbank, na oproeping of raadpleging van de schuldeisers, uitspraak moet doen over de homologatie (dezelfde samengeschakelde wetten, art. 8, 13 tot 23). Insgelijks moeten in het register van de verzoekschriften worden ingeschreven met betaling van het recht van 780 frank waarin artikel 2692 voorziet : 1° het hoger beroep dat de aanvrager van het akkoord instelt tegen het vonnis dat zijn aanvraag verwerpt (samengeschakelde wetten op het gerechtelijk akkoord, art. 7, 8 en 9); 2° het hoger beroep dat de aanvrager van het akkoord of een schuldeiser instelt tegen het vonnis dat uitspraak doet over de homologatie (dezelfde wetten, art. 21, 23 en 27). Het verzet, dat conform met artikel 26 van de samengeschakelde wetten op het gerechtelijk akkoord, tegen het vonnis, dat uitspraak doet over de homologatie, wordt gedaan door de schuldeisers die niet werden opgeroepen, die niet vrijwillig op de vergadering van de schuldeisers zijn verschenen of die geen gebruik hebben gemaakt van het recht bepaald in artikel 19, leidt een nieuwe vordering in die moet worden ingeschreven op de algemene rol, met betaling van het recht van 1 525 frank. Het hoger beroep tegen het vonnis, dat uitspraak doet over dat verzet, moet eveneens worden ingeschreven op de algemene rol en het is onderworpen aan het rolrecht van 3 415 frank. De vordering tot vernietiging of tot ontbinding van het akkoord, bedoeld in artikel 35 van de samengeschakelde wetten op het gerechtelijk akkoord, moet evenzo op de algemene rol worden ingeschreven met betaling van het recht van 1 525 frank. (Besl. 2 mei 1969, nr. E.E./74.178.) ---------- JULI 1983 - 1402
Nummer G 2692/16-01 16. - Inwilliging van keus van vaderland. 01. - Bij de rechtspleging tot inwilliging van keus van vaderland, moet de zaak in het register van de verzoekschriften (en niet op de algemene rol) worden ingeschreven en geeft ze aanleiding tot de heffing van het bijzonder rolrecht waarin artikel 2692 voorziet, zonder onderscheid of de zaak voor de rechtbank werd gebracht op verzoek van de optant dan wel op vordering van de procureur des Konings. Het rolrecht is nochtans niet verschuldigd wanneer het onvermogen van de optant afdoende is vastgesteld (art. 162, 44°, en 2791). Het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg, bij een aan het hof van beroep gericht verzoekschrift, wordt eveneens ingeschreven in het register van de verzoekschriften. Zo het hoger beroep wordt ingesteld door de optant is het bijzonder rolrecht verschuldigd waarin artikel 2692 voorziet (behoudens ingeval van afdoend vastgesteld onvermogen); de inschrijving van het hoger beroep, ingesteld door de procureur des Konings, is vrijgesteld van het recht bij gecombineerde toepassing van de artikelen 162, 5°bis, en 2791. (Aanschr. van 13 juni 1969, nr. 46.). ----------
Nummer G 2692/17-01 17. - Rechtspleging van onbekwaamverklaring (Ger. Wb., art. 1238 tot 1253). 01. - In de rechtspleging van onbekwaamverklaring, vervat in de artikelen 1238 tot 1253 van het Gerechtelijk Wetboek, leidt het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder na ondervraging (Ger. Wb., art. 1246) geen nieuwe vordering in. Dat verzoekschrift wettigt derhalve geen nieuwe inschrijving in het register van de verzoekschriften en geen nieuwe heffing van een griffierecht. (Antwoord op een vraag gesteld door de H. Volksvertegenwoordiger Baudson op 21 oktober 1969, BULLETIN DER VRAGEN EN ANTWOORDEN, K. van Volksv., nr. 2, van 12 november 1969, blz. 88.) ----------
Nummer G 2692/18-01 18. - Rechtsplegingen van echtscheiding en van scheiding van tafel en bed. 01.- Zowel in de huidige regeling (Burgerlijk Wetboek, art. 236 tot 239 en 307) als in de regeling bepaald door het gerechtelijk Wetboek (Ger. Wb., art. 1254 tot 1259 en 1306) komt de rechtspleging die aan de dagvaarding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed voorafgaat, voor als een verzoeningsrechtspleging (z. verslag van de koninklijke Commissaris, PARL. BESCH., Senaat, zitting 1963-1964, nr. 60, p. 158; DE PAGE, TRAITE ELEMENTAIRE DE DROIT CIVIL BELGE, d. I, nr. 916, A). Het verzoekschrift dat die verzoeningsrechtspleging inleidt, moet dus niet in het register van de verzoekschriften worden ingeschreven en geeft geen aanleiding tot het heffen van het bijzonder rolrecht. Indien de rechter de partijen niet heeft kunnen verzoenen, moet de zaak op de algemene rol worden ingeschreven bij de dagvaarding. Het rolrecht is bij die inschrijving verschuldigd. (Antwoord op een vraag gesteld door de H. Volksvertegenwoordiger Baudson op 6 november 1969, BULLETIN DER VRAGEN EN ANTWOORDEN, K. van Volksv., nr. 5, van 2 december 1969, blz. 254.) ----------
Nummer G 2692/18-02 18. - Rechtsplegingen van echtscheiding en van scheiding van tafel en bed. 02. - Sinds de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding (in werking op 1 september 2007) worden de vorderingen inzake de uitkering tot levensonderhoud waarvan sprake in art. 301 BW, het homologatieverzoek bedoeld in artikel 1256, eerste lid, Ger.W. en het verzoek tot bekrachtiging van de voorlopige maatregelen uit artikel 1257, Ger. W. als nevenvorderingen gedekt door de inschrijving op de algemene rol van de echtscheidingsvordering op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk. Er is bijgevolg geen nieuw rolrecht verschuldigd voor zover de rechtsmacht van de rechtbank niet uitgeput is door een eindbeslissing over de echtscheiding. Als door een eindbeslissing over de echtscheiding de rechtsmacht van de rechtbank uitgeput is, gaat het niet meer om een nevenvordering en dient de vordering ingeschreven te worden op de algemene rol (art. 2691, Reg. W.) of in het register van de verzoekschriften (art. 2692, Reg. W.) afhankelijk van het tegensprekelijk of eenzijdig karakter van de procedure. Het verzoek tot aanstelling van een beheerder ad hoc (art. 1255, § 7, Ger. W.) dient ingeschreven te worden in het register van de verzoekschriften mits betaling van het recht bepaald in artikel 2692, Reg. W. De inleidingsprocedure voor de echtscheiding bij onderlinge toestemming wordt niet gewijzigd : het verzoekschrift (art. 1288bis, Ger. W.) wordt ingeschreven in het register van de verzoekschriften mits betaling van het recht bepaald in artikel 2692, Reg. W. (Besl. 24 augustus 2007, nr. E.E./G 89.) ----------
Nummer G 2692/19-01 19. - Verzoek ten einde afgifte te verkrijgen van een eensluidend afschrift van een akte van de burgerlijke stand. 01. - Het schriftelijke of mondelinge verzoek dat aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg wordt gericht, overeenkomstig artikel 45, § 1, 2de en 3de lid, van het Burgerlijk Wetboek (wet van 21 maar 1969), ter verkrijging van de toelating tot het afgeven van een eensluidend afschrift van een akte van de burgerlijke stand die minder dan honderd jaar oud is wordt niet ingeschreven in het register van de verzoekschriften en geeft geen aanleiding tot het heffen van het in artikel 2692 bepaalde recht. (Besl. 28 januari 1970, nr. E.E./E.L. 464.) ----------
Nummer G 2692/20-01 20. - Onbekwaamverklaring. 01. - De vordering tot onbekwaamverklaring (Ger. Wb., art. 1238 tot 1253) wordt ingesteld bij verzoekschrift; in haar eerste stadia volgt de rechtspleging de loop voorgeschreven in de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger. Wb., art. 1240; verslag van de koninklijke Commissaris voor de gerechtelijke hervorming, PARL. BESCH., Senaat, zitting 1963-1964, nr. 60, blz. 280). Die vordering moet dus worden ingeschreven in het register van de verzoekschriften, met betaling van het in artikel 2692 bepaalde recht; het recht is niet verschuldigd wanneer de onbekwaamverklaring wordt uitgelokt door de procureur des Konings (art. 162, 5°bis, en 2791). De zieke krijgt kennis van de vordering, die zijn persoon betreft, na indiening van psychiatrisch verslag (Ger. Wb., art. 1244). In dat stadium verliest de rechtspleging haar eenzijdig karakter (voormeld verslag, blz. 280). Het gaat evenwel steeds om dezelfde vordering, zodat er geen aanleiding bestaat tot het heffen van het in artikel 2691 bepaalde algemeen rolrecht. De verzoeken die na indiening van de vordering tot onbekwaamverklaring aan de rechter worden gericht ten einde de familieraad bijeen te roepen, een of meer geneesheren-neuro-psychiaters aan te wijzen die de zieke zullen onderzoeken, tot een getuigenverhoor over te gaan en een voorlopig bewindvoerder aan te stellen na de ondervraging, leiden geen nieuwe vorderingen in en rechtvaardigen dus geen nieuwe heffing van het in artikel 2692 bepaalde recht. Beslist de rechtbank, na indiening van het verzoekschrift tot onbekwaamverklaring, dat de artikelsgewijs opgegeven feiten niet dienen ter zake en dat er geen grond tot het inwinnen van het advies van de familieraad bestaat, zodat zij de vordering in dat stadium van rechtspleging afwijst, dan kan de verzoeker tegen die beslissing de in artikel 1031 van het Gerechtelijk Wetboek aangegeven rechtsmiddelen aanwenden (voormeld verslag, blz. 280). Het hoger beroep, dat de verzoeker aldus instelt tegen de op eenzijdig verzoekschrift gewezen beschikking, wordt ingeschreven in het register van de verzoekschriften dat wordt gehouden ter griffie van het gerecht waarbij dat rechtsmiddel aanhangig is gemaakt en het geeft aanleiding tot het heffen van het in artikel 2692 bepaalde recht. Tegen het vonnis dat uitspraak doet over de vordering, nadat de partijen zijn gehoord of opgeroepen, kan hoger beroep worden ingesteld zowel door de eiser als door de verweerder (voormeld verslag, blz. 281). Dat beroep wordt overeenkomstig het gemeen recht uitgeoefend; het wordt ingeschreven op de algemene rol van het gerecht waarbij dat rechtsmiddel aanhangig is gemaakt en het geeft aanleiding tot het heffen van het in artikel 2691 bepaalde recht. De vordering tot opheffing van de onbekwaamverklaring, die wordt ingesteld bij eenzijdig verzoekschrift, wordt ingeschreven in het register van de verzoekschriften, met betaling van het in artikel 2692 bepaalde recht. (Besl. 11 februari 1970, nr. E.E./E.L. 464.) ---------- JANUARI 1980 – 1408
Nummer G 2692/21-01 21. - Faillissement. 01. - Het rolrecht, dat werd geheven of in debet werd vereffend bij de inschrijving van het faillissement op de algemene rol, dekt alle betwistingen en alle tussengeschillen die kunnen worden onderworpen aan de rechtbank die de faillietverklaring deed of aan de rechter-commissaris, in uitvoering en naar de vormen bepaald in de wet van 18 april 1851 op de faillissementen, voor zover die betwistingen en tussengeschillen de wederzijdse betrekkingen betreffen van de gefailleerde, de curator en de schuldeisers. Er bestaat meer bepaald geen aanleiding tot een nieuwe inschrijving op de algemene rol of tot een inschrijving in het register van de verzoekschriften :
De aanvraag om de verkoop van de onroerende goederen te machtigen, die de curator richt aan de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 1190 van het Gerechtelijk Wetboek, maakt een vordering op eenzijdig verzoekschrift uit, die in het register van de verzoekschriften moet worden ingeschreven, met betaling van het in artikel 2692 bepaalde recht. (Besl. 20 februari 1970, nr. E.E./E.L. 464.) Het verzoekschrift van de curator waarin deze overeenkomstig artikel 1193ter van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechtbank van koophandel de machtiging vraagt om onroerende goederen die tot een failliete boedel behoren uit de hand te verkopen eveneens een eenzijdig verzoekschrift dat in het register van de verzoekschriften dient te worden ingeschreven met betaling van het in artikel 2692 bepaalde recht. (Besl. 30 mei 1988, nr. E.E/91.302.) ---------- JULI 1988 - 1410
Nummer G 2692/22-01 22. - Aanvraag tot machtiging om een krankzinnige te vertegenwoordigen in akten. 01. - De aanvraag die bij verzoekschrift door de voorlopige bewindvoerder van een krankzinnige aan de vrederechter wordt gericht om toelating te verkrijgen de krankzinnige te vertegenwoordigen in bepaalde akten, zoals deze aangeduid zijn in artikel 31 van de wetten van 18 juni 1850 en van 28 december 1873, gewijzigd bij de wet van 7 april 1964, leidt een rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift in die onder de toepassing valt van de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek. Bedoeld verzoekschrift moet dus worden ingeschreven in het register der verzoekschriften, met heffing van het in artikel 2692 voorziene recht. (Besl. 20 juni 1970, nr. E.E./Parl. 133.) ----------
Nummer G 2692/23-01 23. - Summiere rechtspleging om betaling te bevelen. 01. - Het verzoekschrift aan de vrederechter dat de summiere rechtspleging om betaling te bevelen instelt (Ger. Wb., art. 1340 en 1341) wordt overeenkomstig artikel 1027 van het Gerechtelijk Wetboek ingeschreven tegen betaling van het bij artikel 2692 bepaald recht, in het register der verzoekschriften dat ter griffie gehouden wordt voor de vorderingen op eenzijdig verzoekschrift in het algemeen. (Besl. 23 december 1970, nr. E.E./82.049.) ----------
Nummer G 2692/24-01 24. - Bepaling van het bedrag van het ereloon van de deskundigen. 01. - Wanneer de rechtbank, in een op de algemene rol ingeschreven zaak, een deskundigenonderzoek heeft bevolen, moet het na de inlevering van het verslag, hetzij door de deskundige, hetzij door een partij ingediende verzoekschrift om een vonnis te bekomen dat het bedrag van het ereloon en van de kosten van de deskundige bepaalt (Ger. Wb., art. 984), niet in het register van de verzoekschriften worden ingeschreven en geeft dus geen aanleiding tot de heffing van het in artikel 2692 bepaalde recht. (Besl. 22 december 1971, nr. E.E./82.593.) ----------
Nummer G 2692/25-01 25. - Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken tussen de Bondsrepubliek Duitsland, België, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Oostenrijkse Republiek, de Finse Republiek en het Koninkrijk Zweden. 01. - Op 1 maart 2002 is de verordening (EG) nr. 44/2001 dd. 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van kracht geworden die, overeenkomstig artikel 68, tussen de lidstaten, met uitzondering van Denemarken, dat uitdrukkelijk uitgesloten is door het eerste artikel, en enkele territoriale uitzonderingen bedoeld in artikel 299 van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag van Brussel vervangt. Niettemin blijft het Verdrag van 27 september 1968, gewijzigd door het Verdrag van 9 oktober 1978, van toepassing sinds 1 november 1986 ten opzichte van Denemarken, dat uitdrukkelijk uitgesloten is door het eerste artikel van de verordening (EG) nr. 44/2001 dd. 22 december 2000. Het Verdrag van 27 september 1968 bepaalt onder meer dat voor alle burgerlijke en handelszaken, op enkele uitzonderingen na, de in een verdragsluitende Staat gegeven gerechtelijke beslissingen (z. art. 25) van rechtswege worden erkend in de overige verdragsluitende Staten; indien tegen de erkenning van dergelijke beslissingen bezwaar wordt gemaakt, is het mogelijk de erkenning ervan gerechtelijk te doen vaststellen (art. 26). Daarenboven kunnen die beslissingen alsook de authentieke akten en de gerechtelijke schikkingen (z. art. 50 en 51), voor zover zij uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst, in de andere verdragsluitende Staten worden ten uitvoer gelegd nadat zij aldaar van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien (z. art. 31, 50 en 51). De vordering tot erkenning of tot exequater, te richten aan de rechtbank van eerste aanleg bij wijze van verzoekschrift, geeft slechts aanleiding tot de heffing van het recht vastgesteld bij artikel 2692, 2° (z. art. 26, al. 2, 31, 32 en 34 van het Verdrag). (Aanschr. van 5 maart 1973, nr. 8, en beslissing van 6 juli 1990, nr. E.E./92.403.) ---------- APRIL 2006 - 1414/2
Nummer G 2692/25-02 25. - Verordening (EG) nr. 44/2001 dd. 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. 02. - Op 1 maart 2002 is de verordening (EG) nr. 44/2001 dd. 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van kracht geworden die, overeenkomstig artikel 68, tussen de lidstaten, met uitzondering van Denemarken, dat uitdrukkelijk uitgesloten is door het eerste artikel, en enkele territoriale uitzonderingen bedoeld in artikel 299 van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag van Brussel vervangt. De aktes met betrekking tot de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie werden getekend op 16 april 2003 en het verdrag tot toetreding, dat alle Lidstaten hebben bekrachtigd binnen de voorgeschreven tijd, is in werking getreden op 1 mei 2004. Op 1 mei 2004 werd de verordening verbindend in al haar onderdelen en onmiddellijk toepasbaar voor de nieuwe lidstaten, overeenkomstig artikel 249 van het EEG verdrag. De Verordening van 22 december 2000 bepaalt onder meer voor alle burgerlijke en handelszaken, op enkele uitzonderingen na, de in een verdragsluitende Staat gegeven gerechtelijke beslissingen (z. art. 32) van rechtswege worden erkend in de overige verdragsluitende Staten; indien tegen de erkenning van dergelijke beslissingen bezwaar wordt gemaakt, is het mogelijk de erkenning ervan gerechtelijk te doen vaststellen (art. 33). Daarenboven kunnen die beslissingen alsook de authentieke akten en de gerechtelijke schikkingen (z. art. 57 en 58), voor zover zij uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst, in de andere verdragsluitende Staten worden te uitvoer gelegd nadat zij aldaar van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien (z. art. 38, 57 en 58). De vordering tot erkenning of het verzoek tot een verklaring van uitvoerbaarheid, te richten aan de rechtbank van eerste aanleg bij wijze van verzoekschrift, geeft slechts aanleiding tot de heffing van het recht vastgesteld bij artikel 2692, 2° (z. art. 33.2, 38, 39.1, bijlage II en 41 van de verordening). (Aanschr. van 5 maart 1973, nr. 8, en beslissing van 6 juli 1990, nr. E.E./92.403.) ---------- APRIL 2006 - 1414/4
Nummer G 2692/26-01 26. - Verlengde minderjarigheid. 01. - A. de aanvraag om iemand in staat van verlengde minderjarigheid te verklaren (Burg. Wb., art. 487ter) wordt ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg bij eenzijdig verzoekschrift, dat moet worden ingeschreven in het register der verzoekschriften, met betaling van het in artikel 2692 bepaalde recht; het recht is niet verschuldigd wanneer de aanvraag uitgaat van de procureur des Konings (art. 162, 5°bis, en 2791). Na hun oproeping hoort de rechtbank bepaalde personen, eventueel bijgestaan door een advocaat, alsmede de persoon wie het verzoekschrift betreft, die steeds wordt bijgestaan door een advocaat (Burg. Wb., art. 487quinquies). In dat stadium verliest de rechtspleging haar eenzijdig karakter. Vermits het evenwel steeds om dezelfde vordering gaat, bestaat er geen aanleiding tot het heffen van het in artikel 2691 bepaalde algemeen rolrecht. Het hoger beroep tegen de gerechtelijke beslissing die uitspraak doet over de aanvraag om iemand in staat van verlengde minderjarigheid te verklaren (Burg. Wb., art. 487quinquies) wordt ingeschreven op de algemene rol van het gerecht waarbij dat rechtsmiddel aanhangig is gemaakt en geeft aanleiding tot het heffen van het in artikel 2691 bepaalde recht, behoudens toepassing van de artikelen 162, 5°bis, en 2791. B. De hierboven onder A uiteengezette regels (inschrijving van de aanvraag in het register der verzoekschriften met heffing van het recht bepaald in artikel 269², en inschrijving van et hoger beroep op de algemene rol met heffing van het recht bepaald in artikel 2691, behoudens toepassing van de artikelen 162, 5°bis, en 2791 . gelden eveneens voor de rechtspleging tot vervanging van de ouderlijke macht door de voogdij over een in staat van verlengde minderjarigheid verklaarde persoon (Burg. Wb., art. 487quater). Wanneer de aanvraag tot vervanging van de ouderlijke macht door de voogdij evenwel samen met de aanvraag tot verklaring in staat van verlengde minderjarigheid of tijdens het onderzoek van deze laatste wordt ingediend, dan geeft zij geen aanleiding tot een afzonderlijke inschrijving in het register der verzoekschriften, noch, bijgevolg, tot de heffing van een tweede recht. C. De aanvraag tot opheffing van de staat van verlengde minderjarigheid, die eveneens bij eenzijdig verzoekschrift wordt ingediend (Burg. Wb., art. 487septies), wordt ingeschreven in het register der verzoekschriften en maakt het bij artikel 2692 bepaalde recht opeisbaar, behalve wanneer de opheffing gevraagd wordt door de procureur des Konings (art. 162, 5°bis, en 2791). (Besl. 31 december 1974, nr. E.E./E.L.549.) ---------- JANUARI 1980 - 1416
Nummer G 2692/27-01 27. - Verklaring van Belgische nationaliteit voor de migranten van de tweede generatie. 01. - Voor de rechtspleging tot inwilliging van de Belgische nationaliteitsverklaring, zoals bedoeld in artikel 11bis, § 7 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingevoegd door het artikel 2 van de Wet van 13 juni 1991 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek (B.S. van 3.9.1991), geldt het volgende : indien de nationaliteitsverklaring voor migranten van de tweede generatie slechts uitgaat van één van beide ouders of adoptanten bij gebrek aan toestemming van de andere, wordt de zaak in het register van de verzoekschriften ingeschreven en geeft ze aanleiding tot de heffing van het rolrecht (verzoekschriftrecht) voorzien door artikel 2692 (behoudens in geval van afdoend vastgesteld onvermogen). Het rolrecht is daarentegen niet verschuldigd door gecombineerde toepassing van de artikels 162, 5° bis en 2791, 1° , wanneer de procedure van verkrijging van de Belgische nationaliteit ingeleid wordt hetzij door beide ouders of adoptanten gezamenlijk, hetzij door de vreemdeling zelf, ouder dan 18 jaar en jonger dan 30 jaar (procedure beoogd in de artikels 11bis, §§ 1 tot 6 en 12bis van voornoemd Wetboek). In beide gevallen wordt het hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg bij een aan het Hof van beroep gericht verzoekschrift, ingeschreven in het register van de verzoekschriften. Indien het hoger beroep wordt ingesteld door de aanvragers is het rolrecht (verzoekschriftrecht) voorzien door artikel 2692 verschuldigd (behoudens in geval van afdoend vastgesteld onvermogen). De inschrijving van het hoger beroep, ingesteld door de procureur des Konings, is vrijgesteld van het recht bij gecombineerde toepassing van de artikelen 162, 5° bis en 2791. (Besl. 19 november 1991, nr. E.E./E.L. 930.) ----------
|
|||||||||||||||||||||||||||