Aanschrijving nr. 7 dd. 28.03.1994

Date :
28-03-1994
Language :
French Dutch
Size :
10 pages
Section :
Regulation
Type :
Circular letters
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de BTW.

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Aanschrijving nr. 7 dd. 28.03.1994
Aanschrijving nr. 7 dd. 28.03.1994
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Circular letters
Title : Aanschrijving nr. 7 dd. 28.03.1994
Tax year : 2005
Document date : 28/03/1994
Keywords : Stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de BTW.
Document language : NL
Name : 94/007
Version : 1
Previous document   Next document   Show list of documents

AANSCHRIJVING 94/007

Aanschrijving nr. 7 dd. 28.03.1994


Deze aanschrijving werd opgeheven en met terugwerkende kracht op 01.01.1996 vervangen door de aanschrijving nr. 10 dd. 12.11.1996.

   Stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de BTW.

INHOUD
Nrs. Onderwerp van de aanschrijving 1 tot 3 Eerste hoofdstuk.
Rechthebbenden op de maandelijkse teruggaaf. Basisvoorwaarden.
Eerste afdeling. Algemeen. A. Wettelijke en reglementaire
bepalingen 7 tot 7 B. Rechthebbende 8 C. Basisvoorwaarden 9 tot 10
D. Referentieperiode 11 tot 15 Afdeling II. Bepaling van de omzet
A. Bepaling van de totale omzet 16 B. Bepaling van de vrijgestelde
omzet 17 tot 19 C. Handelingen waarmee eveneens rekening mag worden
gehouden 20 Afdeling III. Bepaling van het belastingoverschot 21
tot 25 Hoofdstuk II. Toepassingsmodaliteiten Eerste afdeling.
Vergunning 26 A. Aanvraag van de vergunning 27 tot 30 B. Toekenning
of weigering van de vergunning 31 tot 34 C. Duur van de vergunning
35 tot 37 D. Intrekking van de vergunning 38 tot 40 Afdeling II.
Minimumtegoed 41 Afdeling III. Andere modaliteiten 42
    Onderwerp van deze aanschrijving.

    1. In deze aanschrijving wordt het stelsel van maandelijkse teruggaaf van de BTW, in voege getreden op 1 januari 1993, nader toegelicht.

    2. Ondernemingen wier activiteit grotendeels van de BTW is vrijgesteld, bijvoorbeeld omdat ze actief zijn in de internationale handel, of er in België niet aan is onderworpen, bijvoorbeeld omdat de handelingen niet in België worden verricht, terwijl ze voor hun inkomende handelingen BTW aan hun medecontractant moeten betalen, hebben vrijwel steeds een belastingtegoed tegenover de Schatkist dat in de regel slechts om de drie maanden wordt terugbetaald. Dergelijke belastingtegoeden en de voorfinancieringslast die eruit voortspruit, worden nog geaccentueerd door de opheffing, op 1 januari 1993, van artikel 43 van het BTW-Wetboek.

    3. Om de voorfinancieringslast te temperen die dergelijke tegoeden veroorzaken, voorziet artikel 8/1, § 2, eerste lid, 3° en § 5, van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, zoals het werd gewijzigd door de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 14 april 1993, genomen ter uitvoering van artikel 76 van het BTW-Wetboek, in een stelsel van maandelijkse teruggaaf van BTW, waardoor belastingplichtigen die in belangrijke mate actief zijn in de internationale handel en geregeld belastingtegoeden hebben, bij het indienen van elke BTW-maandaangifte de teruggaaf kunnen vragen van het BTW-tegoed waartoe die aangifte aanleiding geeft, voor zover bepaalde voorwaarden en formaliteiten worden nageleefd.

    Hoofdstuk I.
  • Rechthebbenden op de maandelijkse teruggaaf.
  • Basisvoorwaarden.
    Afdeling 1. Algemeen.

A. Wettelijke en reglementaire bepalingen.

    4. Artikel 76, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek bepaalt dat, wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige die in België is gevestigd, in België een vaste inrichting heeft of die, overeenkomstig artikel 55, in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft doen erkennen, het verschil wordt teruggegeven, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, binnen de drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige.

    5. Op grond van artikel 76, § 1, tweede lid, van datzelfde Wetboek kan de Koning evenwel bepalen dat het overschot, in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden, vóór het einde van het kalenderjaar wordt teruggegeven.

    6. In artikel 8/1, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, wordt aldus bepaald dat op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige vatbaar zijn voor teruggaaf :

    1° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte, met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, wanneer het 10.000 frank bereikt;

    2° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen of tot de laatste maand van elk van die kwartalen, wanneer het 25.000 frank of 60.000 frank bereikt respectievelijk voor belastingplichtigen die driemaandelijks en zij die maandelijks aangifte doen, overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

    3° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte wanneer het 10.000 frank bereikt, indien de belastingplichtige tijdens het verstreken kalenderjaar, voor ten minste 30 percent van zijn omzet, handelingen heeft verricht welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis en 39ter en, binnen de door of namens de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden en beperkingen, van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek en voor dezelfde periode, een belastingoverschot in zijn voordeel had van ten minste 500.000 frank.

    7. In artikel 8/1, §§ 4 en 5, van voornoemd koninklijk besluit nr. 4 worden vervolgens de toepassingsmodaliteiten vermeld met betrekking tot de teruggaaf bedoeld in het hiervoor aangehaalde § 2, eerste lid, 3°.

    § 4. Om de teruggaaf bedoeld in § 2 te bekomen moet de belastingplichtige die aanvragen door een uitdrukkelijke vermelding die hij bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot teruggegeven kan worden, aanbrengt in de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De aangifte welke die vermelding bevat, geldt als aanvraag tot teruggaaf.

    § 5. De teruggaaf bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, kan daarenboven alleen worden bekomen mits, op schriftelijke aanvraag, daartoe vergunning is verleend door het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. De aanvraag moet melding maken van alle elementen die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de bijzondere voorwaarden vereist voor het bekomen van deze teruggaaf, vervult.

    Binnen een termijn van een maand wordt de gevraagde vergunning verleend indien de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn of wordt de aanvraag verworpen bij een met redenen omklede beslissing.

    Ingeval de aanvraag wordt ingewilligd, kan de belastingplichtige door het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, de teruggaaf vragen in een van de aangiften die moeten worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie aan de belastingplichtige de vergunning heeft genotificeerd.

    De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de bijzondere voorwaarden blijft voldoen; in dat geval geldt het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, ter gelegenheid van de aanvraag tot teruggaaf, als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan deze voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan die voorwaarden voldoet, moet hij, wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, een nieuwe vergunning aanvragen.

    Door of namens de Minister van Financiën kan worden bepaald dat de periode bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, wordt vervangen door een periode van twaalf maanden die de aanvraag om vergunning voorafgaat.

    In geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een in het buitenland gevestigde onderneming, kan door of namens de Minister van Financiën de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten omtrent het bedrag van de handelingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, en van het jaarlijks belastingoverschot. In dat geval moet de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen op het einde van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend.

    Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige op het einde van een kalenderjaar niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden, kan ze bij een met redenen omklede beslissing de vergunning intrekken.

    Indien de vergunning die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring of indien de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in § 3, vijfde lid, kan de administratie eveneens de vergunning intrekken bij een met redenen omklede beslissing; in dat geval zal een nieuwe vergunning slechts kunnen worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis werd gebracht.

B. Rechthebbende.

    8. Enkel de belastingplichtige die in België is gevestigd, in België een vaste inrichting heeft of die, overeenkomstig artikel 55 van het BTW- Wetboek, in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft doen erkennen en aan wie een BTW-identificatienummer werd toegekend overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek en die maandelijkse aangifte doet overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek, komt in aanmerking om het stelsel van maandelijkse teruggaaf van de BTW te genieten.

C. Basisvoorwaarden.

    9. Overeenkomstig het in nr. 6 aangehaalde artikel 8/1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, dient de belastingplichtige aan de volgende twee voorwaarden (hierna genoemd "Basisvoorwaarden") te voldoen om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten :

    1) tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 30 pct van zijn omzet gerealiseerd hebben met toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 39, 39bis of 39ter en, onder door of namens de Minister te bepalen voorwaarden en beperkingen, artikel 41 of 42 van het BTW-Wetboek;

    2) tijdens dezelfde periode ten minste 500.000 frank belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad.

    10. Er wordt opgemerkt dat ingeval de belastingplichtige onderscheiden bedrijfsafdelingen of bijhuizen in België bezit, de omzet en het belastingoverschot van al deze bedrijfsafdelingen of bijhuizen in aanmerking worden genomen. Er kan dus geen sprake van zijn de verschillende bedrijfsafdelingen of bijhuizen afzonderlijk te beschouwen.

D. Referentieperiode.

    11. Om na te gaan of bovengenoemde basisvoorwaarden vervuld zijn, dienen in principe de omzet en het belastingoverschot van het verstreken kalenderjaar in aanmerking te worden genomen.

    12. De referentieperiode van het verstreken kalenderjaar mag evenwel vervangen worden door de periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voor maandelijkse teruggaaf voorafgaat, indien de belastingplichtige daardoor in de voorwaarden komt om de vergunning te verkrijgen.

    Voor het vaststellen van de omzet en het belastingoverschot dient éénzelfde referentieperiode in aanmerking te worden genomen.

    13. In geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een in het buitenland gevestigde onderneming, of, in het algemeen, in geval de belastingplichtige zich niet kan baseren op een omzetcijfer van ten minste twaalf opeenvolgende maanden, kan de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten, op jaarbasis, aangaande voornoemde basisvoorwaarden.

    14. Op dezelfde wijze kan de vergunning worden verleend op basis van vooruitzichten, aan belastingplichtigen die, op basis van hun reeds gerealiseerde activiteit, niet aan voornoemde basisvoorwaarden voldoen, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de commerciële of industriële organisatie, wel aan deze voorwaarden zullen voldoen voor het nog te lopen deel van het kalenderjaar of voor het daaropvolgende kalenderjaar. De belastingplichtige zal dit moeten kunnen staven aan de hand van bewijskrachtige stukken.

    15. Onder de feiten waarmee rekening kan worden gehouden, kunnen worden vermeld : de splitsing, de fusie en de opslorping van vennootschappen, de kapitaalverhoging, de oprichting van een nieuwe afdeling, de aankoop van nieuwe belangrijke investeringsgoederen en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen.

 Afdeling 2. Bepaling van de omzet.
 


A. Bepaling van de totale omzet.

   16. Voor het vaststellen van de totale omzet van de belastingplichtige in het kader van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de BTW, dient rekening te worden gehouden met al de leveringen van goederen en de diensten die een als zodanig handelende belastingplichtige in België onder bezwarende titel verricht.

    Nochtans mogen, in voorkomend geval, een aantal van de hier bedoelde handelingen van het bedrag van de totale omzet worden afgetrokken (z. punt C hierna), en mogen bovendien een aantal andere handelingen er worden bijgevoegd (z. punt D hierna).



B. Bepaling van de vrijgestelde omzet.

   17. Om in aanmerking te komen voor de maandelijkse teruggaaf van de BTW moet ten minste 30 pct. van de totale omzet van de belastingplichtige bestaan uit handelingen die zijn vrijgesteld krachtens de artikelen 39, 39bis of 39ter van het Wetboek, uit bepaalde handelingen die zijn vrijgesteld krachtens de artikelen 41 of 42 van het Wetboek, alsmede, in voorkomend geval, uit handelingen bedoeld in punt D hierna.

   18. Het regime van de maandelijkse terugbetaling van de BTW werd ingesteld ten behoeve van de belastingplichtigen die actief zijn op het stuk van uitvoer en intracommunautaire leveringen van goederen met inbegrip van de ermee gelijkgestelde bestemmingen, van diensten met betrekking tot deze goederen, alsmede van het internationaal en het intracommunautair vervoer.

    Concreet omvat de vrijgestelde omzet de leveringen en diensten die vrijgesteld zijn van de BTW op grond van de volgende artikelen van het Wetboek :

  • artikel 39 : uitvoer uit de Gemeenschap;
  • artikel 39bis : de verzending of het vervoer van goederen naar een andere Lid-Staat;
  • artikel 39ter : de verkopen in een Tax-free winkel aan reizigers ter gelegenheid van een intracommunautaire vlucht of zeereis;
  • artikel 41, § 1, 2° tot 7° : diensten inzake internationaal vervoer van goederen en de daarmee samenhangende diensten;
  • artikel 42 : met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde handelingen,
  • artikel 41, § 1, 8° : diensten verstrekt aan belastingplichtigen die in een andere Lid-Staat voor de BTW zijn geïdentificeerd.

   19. De voorwaarden en formaliteiten voor het toepassen van deze vrijstellingen dienen uiteraard vervuld te zijn opdat de bedoelde handelingen in de vrijgestelde omzet zouden kunnen worden begrepen.



C. Handelingen waarmee geen rekening moet worden gehouden.

   20. De leveringen van goederen en de dienstverrichtingen die van de BTW zijn vrijgesteld op grond van artikel 40, § 2, van het BTW-Wetboek, zijn handelingen die geen voorfinanciering van BTW met zich brengen.

    Het stelsel van maandelijkse teruggaaf kan bijgevolg niet worden toegepast voor dergelijke handelingen.

    Een onderneming die naast dergelijke leveringen ook nog handelingen verricht die wel een voorfinanciering van de BTW impliceren, zou door een strikte toepassing van voornoemde regel inzake de vaststelling van de totale omzet evenwel benadeeld worden. Daarom moeten de leveringen en de dienstverrichtingen die zijn vrijgesteld op basis van genoemd artikel 40, § 2, niet in de totale omzet worden opgenomen.



D. Handelingen waarmee eveneens rekening mag worden gehouden.

   21. Omdat ze doorgaans mede aan de basis liggen van het ontstaan van een belastingtegoed en omdat de goederen en de diensten die het voorwerp uitmaken van nagenoemde handelingen voor het buitenland bestemd zijn, aanvaardt de administratie dat de hiernavolgende handelingen zowel bij de totale omzet als bij de vrijgestelde omzet mogen worden gevoegd :

    1) bepaalde leveringen van goederen in het buitenland, inzonderheid :

    a) leveringen van goederen vanuit België die in een andere Lid-Staat plaatsvinden ingevolge artikel 15, § 5, van het Wetboek (verkopen op afstand);

    b) leveringen van goederen vanuit België die door of voor rekening van de leverancier worden geïnstalleerd of gemonteerd en waarvoor de plaats van de levering zich overeenkomstig artikel 15, § 2, 2°, van het Wetboek in het buitenland situeert;

    c) leveringen van goederen waarvan de plaats buiten de Gemeenschap is gelegen voor zover die goederen eerst door de belastingplichtige vanuit België werden overgebracht naar een verkoopkantoor buiten de Gemeenschap;

    d) leveringen van goederen waarvan de plaats in een andere Lid-Staat dan België is gelegen, voor zover deze goederen voorafgaandelijk het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering als bedoeld in artikel 12bis van het Wetboek (met een levering onder bezwarende titel gelijkgestelde overbrenging). Om dubbeltelling te vermijden dient het bedrag dat als maatstaf van heffing heeft gediend voor die in artikel 12bis bedoelde levering in mindering te worden gebracht van de totale omzet en de vrijgestelde omzet. Deze dubbeltelling wordt trouwens vermeden doordat de overbrenging in de periodieke BTW-aangifte moet worden geannuleerd. De overbrenging moet worden opgenomen in vak 46 van de periodieke BTW- aangifte, de annulatie in vak 49 en de verkoop binnen de andere Lid-Staat in vak 47.

    2) de facturaties van goederen of diensten met opschorting van de betaling van de BTW ingevolge artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18, van 29 december 1992 (in geval zich een oorzaak van opeisbaarheid voordoet vóór de uitvoer van de goederen), alsmede de facturaties bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid van het Wetboek (in geval van intracommunautaire leveringen wanneer de factuur wordt afgeleverd vóór de vijftiende van de maand volgend op die waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden).

    Indien nochtans ingevolge een wijziging in de uitvoering van het contract de goederen voor het binnenlands verbruik worden bestemd, moet het gefactureerde bedrag waarvan sprake in het vorige lid, in aftrek worden gebracht van de vrijgestelde omzet. Indien na de facturering het contract wordt verbroken, moet het gefactureerde bedrag in aftrek worden gebracht van de vrijgestelde omzet en van de totale omzet.

    3) de diensten van vervoer en met vervoer samenhangende diensten waarvan sprake in artikel 21, § 3, 3°, 3°bis, 4°, c, en 4°bis van het Wetboek en die op grond van dat artikel buiten België plaatsvinden. Voor de toepassing van onderhavige regeling wordt verstaan onder diensten die met een vervoer samenhangen, de diensten bedoeld in artikel 41, § 1, 5°, van het Wetboek.



Afdeling 3. Bepaling van het belastingoverschot.

    22. Om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten, dient de belastingplichtige, als tweede basisvoorwaarde, tijdens het verstreken kalenderjaar of tijdens de voorgaande twaalf maanden (z. nrs. 11 en 12) ten minste 500.000 frank belastingoverschot in zijn voordeel te hebben gehad.

    Wanneer de vergunning voor maandelijkse teruggaaf wordt aangevraagd op basis van vooruitzichten (z. nrs. 13 tot 15), dient het voorziene belastingoverschot op jaarbasis 500.000 frank te bedragen.

    23. De voorwaarde in verband met het belastingoverschot is vervuld wanneer, met betrekking tot alle handelingen verricht tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode, het totaalbedrag van de aftrekbare belasting ten minste 500.000 frank hoger is dan het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.

    24. Bij de berekening van het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, dient eveneens rekening te worden gehouden met de herzieningen van de aftrekbare en de verschuldigde BTW die betrekking hebben op die handelingen.

    25. Verder mag de houder van de vergunning bedoeld in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW (z. aanschr. 3/1973, bijgewerkt bij de aanschr. 10/1988 en gewijzigd bij de aanschr. 14/1992), geen rekening houden met de stortingen of teruggaven van de vooruitbetaalde belasting.

    26. Onder aftrekbare belasting wordt verstaan het bedrag van de BTW geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, dat overeenkomstig de artikelen 45 tot 49 van het BTW-Wetboek voor aftrek in aanmerking komt.

    Onder verschuldigde belasting wordt verstaan de BTW die de belastingplichtige verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en verleende diensten, alsmede de BTW die de belastingplichtige verschuldigd is door opneming ervan in zijn in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde BTW-aangifte, ofwel als medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter ten aanzien van de hem geleverde goederen of verstrekte diensten, ofwel als geadresseerde bij de invoer van goederen met verlegging van de heffing naar het binnenland, ofwel ingevolge de intracommunautaire verwervingen van goederen en de daarmee gelijkgestelde handelingen die hij heeft verricht.

    Hoofdstuk II. Toepassingsmodaliteiten.
    


Afdeling 1. Vergunning.

   27. Krachtens artikel 8/1, § 5, van het bovengenoemd koninklijk besluit nr. 4 kan de maandelijkse teruggaaf alleen worden bekomen mits, op schriftelijke aanvraag, daartoe vergunning is verleend door het hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert.

    In bepaalde gevallen (z. nr. 34) wordt de vergunning nochtans verleend door de Centrale administratie.



A. Aanvraag van de vergunning.

   28. De aanvraag om vergunning moet voor de in aanmerking genomen referentieperiode melding maken van alle elementen die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de basisvoorwaarden voor het bekomen van de vergunning (z. hoofdstuk I) vervult.

    29. Indien de aanvraag gebaseerd is op de vooruitzichten aangaande deze basisvoorwaarden (z. nrs. 13 tot 15), dienen deze vooruitzichten te worden gestaafd door bewijskrachtige stukken.

    30. De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij het BTW- controlekantoor waaronder de betrokkene ressorteert.

    31. In de gevallen waarin de vergunning door de Centrale administratie wordt verleend (z. nr. 34), mag de vergunning rechtstreeks bij deze laatste worden aangevraagd, op volgend adres :

Ministerie van Financiën
Centrale administratie van de BTW,
2de dienst - 5de directie B
Rijksadministratief Centrum
Financietoren - Bus 39
Kruidentuinlaan 50
1010 BRUSSEL



B. Toekenning of weigering van de vergunning.

   32. De gevraagde vergunning wordt verleend door het hoofd van het controlekantoor binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, indien deze volledig is en alle gestelde voorwaarden zijn vervuld.

   33. De vergunning wordt aan de belastingplichtige genotificeerd bij middel van een aangetekende brief.

   34. Nochtans wordt de vergunning door de Centrale administratie van de BTW verleend indien de belastingplichtige nog geen drie maanden activiteit heeft uitgeoefend of indien de vergunning wordt aangevraagd bij toepassing van de nrs. 14 en 15.

   35. Indien de voorwaarden niet zijn vervuld, wordt de aanvraag binnen dezelfde termijn verworpen bij een met redenen omklede beslissing.



C. Duur van de vergunning.

   36. In geval de vergunning wordt toegekend, kan de belastingplichtige, op uitdrukkelijk verzoek (z. nr. 43), de teruggaaf vragen vanaf de eerste aangifte die moet worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie de vergunning aan de belastingplichtige heeft genotificeerd.

   37. De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de basisvoorwaarden blijft voldoen. In dat geval geldt het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in artikel 8/1, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, ter gelegenheid van de aanvraag tot teruggaaf (z. ook nr. 43), als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan die voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan de voorwaarden voldoet, moet hij, wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, een nieuwe vergunning aanvragen.

   38. De belastingplichtige aan wie de vergunning door de Centrale administratie van de BTW werd verleend (zie nr. 34) op basis van vooruitzichten, moet evenwel een nieuwe vergunning aanvragen op het einde van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. In de aangetekende brief bij dewelke de vergunning werd genotificeerd, zal melding worden gemaakt van deze verplichting.

    De nieuwe vergunning moet worden aangevraagd bij het BTW- controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert.



D. Intrekking van de vergunning.

   39. Onverminderd, in voorkomend geval, de bij de wet uitgevaardigde straffen, zal de vergunning worden ingetrokken wanneer :

    a) op het einde van het kalenderjaar wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de voorwaarden;

    b) de vergunning die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring;

    c) de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt;

    d) de situatie bedoeld in artikel 8/1, § 3, vijfde lid, van hogergenoemd koninklijk besluit nr. 4 zich voordoet.

    40. De beslissing tot intrekking wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld bij ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen vanaf de dag na de afgifte ter post van de aangetekende brief.

    41. In het geval bedoeld in nr. 39, a, kan de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen van zodra hij opnieuw aan de voorwaarden voldoet.

    In de andere gevallen van intrekking kan slechts een nieuwe vergunning worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis van de belastingplichtige werd gebracht.



Afdeling 2. Minimumtegoed.

    42. De houder van de vergunning bedoeld in afdeling 1, kan slechts effectief teruggaaf bekomen wanneer het door de Staat verschuldigde bedrag na het indienen van de BTW-maandaangifte, een overschot in zijn voordeel vertoont van minimum 10.000 frank.

    Indien het belastingoverschot geen 10.000 frank bereikt, wordt het in de regel automatisch overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.



Afdeling 3. Andere modaliteiten.

    43. De andere modaliteiten inzake teruggaaf dan deze waarvan sprake hiervoor, zoals die zijn opgenomen in het koninklijk besluit nr. 4, zijn vanzelfsprekend van toepassing op het stelsel van maandelijkse teruggaaf.

    Hierna worden voor alle duidelijkheid een aantal van die algemene modaliteiten inzake teruggaaf in herinnering gebracht.

    A. Indien de belastingplichtige - houder van de vergunning voor maandelijkse teruggaaf - wenst dat het belastingkrediet hem wordt teruggegeven, dient hij die teruggaaf uitdrukkelijk aan te vragen door, bij het verstrijken van elke maand waarvoor een overschot teruggegeven kan worden, zijn handtekening te plaatsen in het kader dat daartoe voorzien is in de rubriek "Aanvraag om terugbetaling" van de BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak (art. 8/1, § 4, van het kon. besl. nr. 4).

    In het kader van de vereenvoudiging aangaande de hernieuwing van de vergunning (z. nr. 37), zal het uitdrukkelijk verzoek tot teruggaaf bovendien gelden als verklaring van de belastingplichtige dat hij nog steeds voldoet aan de basisvoorwaarden van de vergunning.

    B. De maandelijkse teruggaaf is eveneens afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot het lopende jaar ingediend zijn uiterlijk de twintigste van de maand na de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt.

    C. Overeenkomstig artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 geschiedt de maandelijkse teruggaaf van de BTW, hetzij door overschrijving op de postrekening van de belastingplichtige, hetzij door overmaking aan één van de in dat artikel aangewezen financiële instellingen, waaraan door de belastingplichtige behoorlijk volmacht werd gegeven om de teruggaaf te ontvangen.

Namens de Minister :
De Directeur-generaal,

J. DECUYPER