Arrest van de Beslagrechter te Brussel dd. 27.06.1995.

Date :
27-06-1995
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Invordering.,Bewijs van eigendom.,Revindicatie.

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van de Beslagrechter te Brussel dd. 27.06.1995.
Arrest van de Beslagrechter te Brussel dd. 27.06.1995.
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van de Beslagrechter te Brussel dd. 27.06.1995.
Tax year : 2005
Document date : 27/06/1995
Document language : NL
Name : V 95/9
Version : 1
Court : appeal

ARREST V 95/9


Arrest van de Beslagrechter te Brussel dd. 27.06.1995.



Bull. nr. 768, pag. 178.

Invordering. - Bewijs van eigendom. - Revindicatie.

    De nietigheid voorzien in artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek is een relatieve nietigheid zodat degene die ze inroept dient aan te tonen dat zijn belangen geschaad worden door de niet-vermelding van de eigendomstitels.

    Het gekrenkt belang kan erin bestaan dat de verwerende partij de mogelijkheid niet wordt gegeven om haar verweer op normale manier uit te oefenen. In casu heeft eerste verweerder zich in zijn verdediging moeten voorzien tegen een revindicatie waaromtrent hij in het gedingleidend exploot geen enkele aanwijzing kon vinden om zijn houding te bepalen. Ook werden zijn belangen geschaad door de revindicatie waarbij hij zich niet van bij het begin een oordeel kon vormen omtrent de echtheid van de beweringen.

    De vordering is dus ontvankelijk wegens nietigheid van de dagvaardiging.

    Het is duidelijk dat huidige procedure door eisers ingesteld werd in de hoop dat hierdoor de verkoop van de inbeslaggenomen goederen zou worden uitgesteld.

    Het aanwenden van een procedure met louter dilatoire doeleinden maakt rechtsmisbruik uit en zulk gedrag moet gesanctioneerd worden.

    Eerste verweerder heeft ontegensprekelijk schade geleden nu hij zich opnieuw in rechte heeft moeten verdedigen om een uitvoerbare titel te kunnen uitvoeren, hetgeen tal van onkosten met zich meebrengt, die niet vergoed worden door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.

    Bij gebrek aan concrete elementen mag deze schade billijk geraamd worden op een bedrag van 25.000 BEF ex aequo et bono, waartoe eiseres dient te worden veroordeeld.



 

Invordering.
- Bewijs van eigendom. 
- Revindicatie.

27.06.1995     BESLAGRECHTER BRUSSEL

R.J. tegen Ontvanger der belastingen te TERVUREN en tegen V.D.M.

De nietigheid voorzien in artikel 1514 Gerechtelijk Wetboek is een relatieve nietigheid zodat degene die ze inroept dient aan te tonen dat zijn belangen geschaad worden door de niet-vermelding van de eigendomstitels.
Het gekrenkt belang kan erin bestaan dat de verwerende partij de mogelijkheid niet wordt gegeven om haar verweer op normale manier uit te oefenen. In casu heeft eerste verweerder zich in zijn verdediging moeten voorzien tegen een revindicatie waaromtrent hij in het gedinginleidend exploot geen enkele aanwijzing kon vinden om zijn houding te bepalen. Ook werden zijn belangen geschaad door de revindicatie waarbij hij zich niet van bij het begin een oordeel kon vormen omtrent de echtheid van de beweringen.
De vordering is dus onontvankelijk wegens nietigheid van de dagvaarding.
Het is duidelijk dat huidige procedure door eiseres ingesteld werd in de hoop dat hierdoor de verkoop van de inbeslaggenomen goederen zou worden uitgesteld. 
Het aanwenden van een procedure met louter dilatoire doeleinden maakt rechtsmisbruik uit en zulk gedrag moet gesanctioneerd worden.
Eerste verweerder heeft ontegensprekelijk schade geleden nu hij zich opnieuw in rechte heeft moeten verdedigen om een uitvoerbare titel te kunnen uitvoeren, hetgeen tal van onkosten met zich meebrengt, die niet vergoed worden door de toekenning van een rechtsplegingsvergoedïng.
Bij gebrek aan concrete elementen mag deze schade billijk geraamd worden op een bedrag van 25.000 F ex aequo et bono, waartoe eiseres dient te worden veroordeeld.

Gelet op
- de inleidende dagvaarding betekend op 21 april 1995 bij exploot van gerechtsdeurwaarder Heylen Jozef verblijvende te Tienen en op 26 april 1995 bij exploot van J.G. De Haes, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Leroy E., verblijvende te Etterbeek;
- de conclusies van eerste verweerder, neergelegd ter griffie op 17 mei 1995;
Gehoord de raadsvrouw van eerste verweerder in haar pleidooien ter zitting van 19 mei 1995, datum waarop er niemand verschijnt voor de andere partijen.
De vordering strekt ertoe aan eerste verweerder verbod te horen opleggen zijn procedure van tenuitvoerlegging voort te zetten en hem verbod te horen opleggen op 19 mei 1995 over te gaan tot verkoop van de meubels en voorwerpen die in beslag werden genomen ten laste van tweede verweerder bij exploot dd. 30 maart 1995.
Eiseres beweert dat zij eigenares is van de inbeslaggenomen goederen en haar vordering is gesteund op artikel 15 14 Gerechtelijk wetboek.
Eerste verweerder roept de nietigheid van de dagvaarding in wegens niet-naleving van de vormvereisten zoals voorzien in artikel 1514 Gerechtelijk wetboek, daar de bewijzen van eigendom niet in de gedinginleidende dagvaarding vermeld zijn.
Eiseres heeft in de dagvaarding enkel gesteld dat zij eigenaar is van bepaalde goederen die zij aangekocht heeft en waarvan zij de eigendom in de loop van het geding zal aantonen.
De eigendomstitels worden dus niet vermeld.
De nietigheid voorzien in artikel 1514 Gerechtelijk wetboek is een relatieve nietigheid zodat degene die ze inroept dient aan te tonen dat zijn belangen geschaad worden door de niet-vermelding van de eigendomstitels.
Het gekrenkt belang kan erin bestaan dat aan de verwerende partij de mogelijkheid niet wordt gegeven om haar verweer op normale manier uit te oefenen. In casu heeft eerste verweerder zich in zijn verdediging moeten voorzien tegen een revindicatie waaromtrent hij in het gedinginleidend exploot geen enkele aanwijzing kon vinden om zijn houding te bepalen.
Ook werden zijn belangen geschaad door de vertraging in de tenuitvoerlegging, veroorzaakt door de revindicatie waarbij hij zich niet van bij het begin een oordeel kon vormen omtrent de echtheid van de beweringen.
De dagvaarding is dus nietig wegens niet naleving van de vormvereisten van artikel 1514 Gerechtelijk wetboek waardoor de belangen van eerste verweerder gekrenkt werden.
De vordering is dus onontvankelijk wegens nietigheid van de dagvaarding.
Bij tegenvordering vraagt eerste verweerder dat eiseres, verweerster op tegenvordering veroordeeld zou worden om hem de som van 25.000 fr te betalen wegens tergend en roekeloos verzet.
Het is duidelijk dat huidige procedure, door eiseres ingesteld werd, in de hoop dat hierdoor de verkoop van de inbeslaggenomen goederen zou worden uitgesteld.
Het aanwenden van een procedure met louter dilatoire doeleinden maakt rechtsmisbruik uit en zulk gedrag moet gesanctioneerd worden.
Eerste verweerder heeft ontegensprekelijk schade geleden nu hij zich opnieuw in rechte heeft moeten verdedigen om een uitvoerbare titel te kunnen uitvoeren, hetgeen tal van onkosten met zich meebrengt, die niet vergoed worden door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.
Bij gebreke aan concrete elementen mag deze schade billijk geraamd worden op een bedrag van 25.000 fr ex aequa et bono, waartoe eiseres dient te worden veroordeeld.

Om deze redenen,
Wij, Mevrouw Diercxsens I., beslagrechter,
Bijgestaan door Mevrouw Devillé M., eerstaanwezend klerkgriffier, 
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekende bij verstek,
Verklaren de inleidende dagvaarding nietig en van generlei waarde en de vordering bijgevolg onontvankelijk,
Verklaren de tegenvordering ontvankelijk en gegrond,
Veroordelen eiseres om te betalen aan eerste verweerder de som van 25.000 fr ten titel van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verzet,
Veroordelen eiseres tot de kosten van huidig geding, begroot voor eerste verweerder op 7.800 fr.