Arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 13.03.2012

Date :
13-03-2012
Language :
French Dutch
Size :
7 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Art. 203 en 204 W.Reg. ? Bodemsanering ? Las

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 13.03.2012
Arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 13.03.2012
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 13.03.2012
Document date : 13/03/2012
Keywords : prijsbewimpeling / veinzing / onvolledige of onjuiste overeenkomst / boete / bodemsanering / lasten
Decision : Ongunstig
Document language : NL
Name : Arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 13.03.2012
Version : 1
Court : appeal/Antwerpen_appeal

Arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 13.03.2012

Art. 203 en 204 W.Reg. - Bodemsanering - Last

EE/102.642

Er bestaat geen betwisting over het feit dat de verplichting bodemsaneringswerken uit te voeren in principe rust op de verkoper van een onroerend goed. In de mate dat deze verplichting wordt overgenomen door de koper, betreft het een last die de koper op zich neemt en waaruit de verkoper voordeel haalt. In die mate betreft het een onderdeel van de prijs, die, gelet op artikel 45 W.Reg. mede aan het evenredig registratierecht van art. 44 W.Reg moet worden onderworpen.

De discussie draait rond de vraag of de notariële akte blijk geeft van deze last en dus als een niet gesimuleerde, juiste en volledige akte te beschouwen is.

Het onderzoek spitst zich ter zake toe over het al dan niet aanwezig zijn van prijsbewimpeling (bijzondere vorm van veinzing).

Het hof concludeert dat uit de betrokken akte blijkt dat de koper zichzelf aanduidt als de saneringsplichtige en dat hij derhalve de last van de sanering op zich neemt. Er is ter zake dan ook geen sprake van bewimpeling of van enige andere vorm van veinzing.

Nota van de administratie:

Dit arrest bevestigt een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt dd. 17.06.2010.

 

Hof van beroep Antwerpen

6e kamer burgerlijke zaken

Arrest dd. 13.03.2012

 

2010/AR/2910

 

BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en domeinen, 3500 HASSELT, Voorstraat 43,

eiser in hoger beroep,

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 juni 2010

vertegenwoordigd door Mr. N. S. loco Mr. V. H. M., advocaat te S.,

tegen :

1. V. B., qq. curator over het faillissement I. NV, wonende te P.,

2. B. P., qq. curator over het faillissement I. NV, wonende te N.,

3. B. H., dg. curator over het faillissement I. NV, wonende te Z.,

4. D. H., qq. curator over het faillissement I. NV, wonende te H.,

verweerders in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. B. J., advocaat te H.-Z.;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 juni 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 september 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

 

1. Voorafgaande feiten en procedure

 

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft de vraag of er naar aanleiding van de verkoop op 29 juni 2006 van een aantal onroerende goederen, gelegen te H.-A. een geldboete verschuldigd is op grond van artikel 204 W. Reg.

 

1.2 . Overeenkomst.

Bij de overeenkomst van 29 juni 2006 (stuk BI belastingplichtige) traden op als partijen :

- N.V.I. als verkoper, failliet verklaard op 5 september 2005 en vertegenwoordigd door de curatoren;

- N.V. P. P. I. en N.V. K. V. L. als kopers;

De overeenkomst betrof de volgende goederen in de gemeente H.-A. :

- een industriegebouw met alle aanhorigheden;

- een perceel bos.

Voor wat het perceel betreft waarop het industriegebouw stond (perceel sectie E nummer 81/A/7), verklaarde de verkoper in de akte van 29 juni 2006 dat op dit perceel een inrichting was gevestigd en activiteiten werden of worden uitgeoefend die voorkomen op de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken.

De inhoud van het bodemattest werd in de akte geciteerd, onder meer de volgende passage :

"Dit kadastraal perceel is opgenomen in het register van verontreinigde gronden.

 

3.1. Uitspraak historische bodemverontreiniging.

Op basis van het beschrijvend bodemonderzoek dd. 27.02.2006 waarin dit kadastraal perceel is opgenomen, oordeelt de OVAM. dat er een historische bodemverontreiniging voorkomt die een ernstige bedreiging vormt.

Op basis hiervan moet conform het bodemsaneringdecreet overgegaan worden tot verdere maatregelen.(...)

 

3.2. Uitspraak nieuwe bodemverontreiniging.

Op basis van het beschrijvend bodemonderzoek dd. 27.02.2006 waarin dit kadastraal perceel is opgenomen, oordeelt de OVAM. dat er een nieuwe bodemverontreiniging voorkomt die de bodemsaneringnormen overschrijdt of een ernstige bedreiging vormt.

Op basis hiervan moet conform het bodemsaneringdecreet overgegaan worden tot verdere maatregelen.(...)".

De akte van 29 juni 2006 vervolgde op p. 13 van de betrokken akte :

"De koper verklaart genoegen te nemen met voorgaande verklaringen en de verkochte goederen te aanvaarden in hun huidige staat.

Hij verklaart de verkoper te ontslaan van elke verplichting tot vrijwaring uit hoofde van eventuele bodemverontreiniging die aanleiding kan geven tot een saneringsverplichting of tot andere maatregelen die door de overheid kunnen opgelegd worden, en die de verkoper onbekend zouden zijn.

De koper erkent ingelicht te zijn van dat hij, overeenkomstig de bepalingen van het Bodemsaneringdecreet, saneringsplichtig is vanaf de eigendomsoverdracht. (...)"

Deze verkoop werd toegestemd en aanvaard voor de prijs van 4.250.000,00 EUR voor het geheel, te weten :

- 100.000,00 EUR voor de volledige grond, aangekocht door de N.V. P. P. I.;

- 4.150.000,00 EUR voor alle gebouwen met aanhorigheden en alle goederen onroerend door bestemming of incorporatie, aangekocht door de N.V. K. V. L.

Bij brief van 18 februari 2008 (stuk B2 administratie) liet de ontvanger aan N.V. P. P. I. weten dat deze vennootschap naar aanleiding van voormelde aankoop onvoldoende registratierechten had betaald. De verkoopwaarde van de goederen diende volgens de administratie te worden geschat op 3.030.000,00 EUR, daar waar slechts een waarde van 100.000,00 EUR werd aangegeven.

Volgens de ontvanger was deze vennootschap bijgevolg nog verschuldigd :

- als bijkomende rechten 293.000,00 EUR;

- als fiscale boete : 97.660,00 EUR.

Als reactie hierop maakte de N.V. P. P. I. een aantal documenten over, waaruit bleek dat zij de saneringskosten op zich nam.

Op 21 augustus 2008 stuurde de ontvanger vervolgens een brief naar de curatoren van N.V. I., met de volgende inhoud (stuk B4 administratie) :

"Uit het dossier blijkt dat de koper de bodemsaneringskosten ten laste neemt. De wettelijke verplichting om de bodemsaneringswerken uit te voeren rust op de verkoper en niet op de koper. Het betreft hier een last die door de overeenkomst aan de koper boven de prijs werd opgelegd en waaruit de verkoper een voordeel haalde (hij diende de werken niet te laten voeren en kom toch het goed verkopen). Deze last vertegenwoordigt samen met de prijs de contractuele tegenprestatie van het verkochte goed.

In overeenstemming met artikel 45 van het wetboek der registratierechten wordt het recht vereffend op de prijs en de lasten.

De saneringskost wordt geraamd op 3.000.000,00 euro.

Aangezien het bestaan van de last niet bleek uit de akte is artikel 204 Wetboek registratie (veinzing) toepasselijk. Dit impliceert dat er naast de bijrechten door elk van de partijen een boete gelijk aan de rechten verschuldigd is.

De boete wordt verminderd tot 1/10 van de bijrechten.

Er is verschuldigd:

3.000.000,00 x 10% = 300.000,00 euro bijrechten te betalen door de contracterende partijen

Verminderde boete 1/10 : 30.000,00 euro

Ik verzoek u beleefd deze som van 30.000,00 euro te betalen voor 25/9/2008 (...)".

De belastingplichtige verklaarde zich niet akkoord bij brief van 22 september 2008 (stuk B5 administratie). De curatoren argumenteerden :

- dat de saneringskosten wellicht veel minder zouden bedragen dan 3.000.000,00 EUR;

- dat de saneringskosten nog niet gekend waren, zodat er nog geen rechten op verschuldigd waren;

- dat er geen sprake was van veinzing, zodat de boete van artikel 204 W. Reg. niet verschuldigd was;

- dat de boete van 30.000,00 EUR in elk geval onredelijk hoog was en diende kwijtgescholden te worden.

De gewestelijke directeur wees de bezwaren van de belastingplichtige af bij beslissing van 8 december 2008 (stuk B6 administratie).

 

1.3 . Procedure voor de eerste rechter.

De curatoren legden een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 2 maart 2009. Ze vorderden om de boete ten bedrage van 30.000,00 EUR, gevestigd op naam van de vennootschap nietig te verklaren, ondergeschikt kwijt te schelden dan wel minstens te herleiden. Ze vorderden verder de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die reeds ter betaling van deze boete werden geïnd of ingehouden, verhoogd met de wettelijke interesten en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelde in haar vonnis van 17 juni 2010 dat er terzake geen sprake was van veinzing, vermits alle elementen van de ter registratie aangeboden akte overeenkwamen met de werkelijk door partijen afgesloten overeenkomst.

Volgens de eerste rechter was er evenmin sprake van een onvolledige akte. Uit de notariële akte bleek dat de koper de toestand van de goederen kende en ze aanvaardde in hun huidige staat. De koper ontsloeg de verkoper in de akte van elke verplichting tot vrijwaring uit hoofde van enige bodemverontreiniging die aanleiding kon geven tot een saneringsverplichting of een andere maatregel. De koper erkende in de akte ingelicht te zijn dat hij, overeenkomstig de bepalingen van het Bodemsaneringdecreet, saneringsplichtige was vanaf de eigendomsoverdracht.

De eerste rechter was derhalve van oordeel dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 204 W. Reg. niet voldaan waren en dat de opgelegde geldboete niet verschuldigd was.

De vordering van de curatoren werd ontvankelijk en gegrond verklaard en er werd voor recht gezegd dat de geldboete, ten bedrage van 30.000,00 EUR nietig was. Voor zoveel als nodig werd de terugbetaling bevolen van hetgeen reeds zou zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke interesten en de Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingvergoeding van 1.200,00 EUR.

 

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Voor het hof van beroep vordert de Belgische Staat, thans eiser in hoger beroep om het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van de belastingplichtige af te wijzen als zijnde ongegrond. De Belgische Staat vorderde verder om de belastingplichtige te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding voor beide aanleggen, begroot op :

- 2.000,00 EUR rechtsplegingvergoeding eerste aanleg;

- 2.200,00 EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

De curatoren, optredend voor de N.V. I. in faling, thans verweerders in hoger beroep, vorderen om het bestreden vonnis te bevestigen en om de boete derhalve nietig te verklaren, ondergeschikt, ze kwijt te schelden of minstens te herleiden, met bevel tot terugbetaling van hetgeen reeds werd betaald of ingehouden, meer de interesten.

Ze vorderen tevens de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding (eerste aanleg : 2.200,00 EUR en hoger beroep : 2.200,00 EUR).

Ter zitting verklaren de curatoren zich ermee akkoord om de rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg te begroten op 2.000,00 EUR.

 

2. Bespreking

 

2.1. Standpunten van partijen.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat de verplichting om bodemsaneringswerken uit te voeren in principe rust op de verkoper van een onroerend goed (artikelen 36 e.v. van het bodemsaneringdecreet van 22 februari 1995). In de mate dat deze verplichting wordt overgenomen door de koper, betreft het een last die de koper op zich neemt en waaruit de verkoper voordeel haalt.

Wanneer de koper deze verplichting inzake bodemsanering derhalve overneemt, betreft dit een onderdeel van de prijs, die, gelet op artikel 45 W. Reg. mede aan het evenredig registratierecht van artikel 44 W. Reg. moet worden onderworpen.

De discussie draait rond de vraag of de notariële akte van 29 juni 2006 blijk geeft van deze last en dus als een niet gesimuleerde, juiste en volledige akte te beschouwen is. In het tegenovergestelde geval worden de maatregelen van de artikelen 201 en volgende van toepassing.

In deze houdt de administratie voor dat er sprake is van veinzing, nu uit de akte van 29 juni 2006 niet zou blijken wie de verbintenis op zich nam om te saneren en wie de zekerheden stelde ten aanzien van OVAM. Dit zou pas gebleken zijn uit het bezwaarschrift van twee jaar later.

De belastingplichtige daarentegen stelt dat er in deze geen sprake is van veinzing of van onvolledigheid of onjuistheid van de akte van 29 juni 2006.

 

2.2. Beoordeling.

Artikel 204 W. Reg. luidt als volgt :

"Wanneer de in een akte vastgestelde overeenkomst niet die is welke door de partijen werd gesloten, of wanneer de akte betreffende een in artikel 19, 2° of 5° bedoelde overeenkomst onvolledig of onjuist is, met dien verstande dat ze al de bestanddelen van de overeenkomst niet doet kennen, is elke der contracterende partijen een geldboete verschuldigd gelijk aan het ontdoken recht. Dit recht is ondeelbaar door de partijen verschuldigd".

Opdat de sanctie van artikel 204 W. Reg. kan worden opgelegd is dus vereist :

- ofwel dat aangetoond wordt dat er sprake is van veinzing,

- ofwel dat aangetoond wordt dat de betrokken akte onvolledig of onjuist is.

Veinzing is een begrip uit het burgerlijk recht en veronderstelt dat de overeenkomst, zoals die in de akte werd weergegeven niet diegene is die partijen in werkelijkheid hebben gesloten. Veinzing of simulatie veronderstelt dus dat naar de buitenwereld een andere werkelijkheid wordt voorgewend dan de werkelijkheid die tussen partijen bestaat.

In onderhavig geval dient te worden vastgesteld dat de overeenkomst van 29 juni 2006 volgende onderdelen bevat :

- de verkoop door N.V. I., voor wie de curatoren optraden van het industriegebouw met aanhorigheden te H.-A. en het perceel bos, voormeld, aan N.V. P. P. I. (voor de grond) en N.V. K. V. L. (voor de gebouwen) voor een prijs van 4.250.000,00 EUR;

- de vestiging van een recht van opstal met N.V. K. V. L. als opstalhouder en N.V. P. P. I. als opstalgever;

- een rangregeling.

De vestiging van het recht van opstal en de rangregeling maken niet het voorwerp uit van onderhavig geschil en worden hier dan ook verder buiten beschouwing gelaten.

Het hof stelt vast dat partijen de aard van de overeenkomst niet verborgen gehouden hebben, evenmin als de identiteit van de partijen of de goederen die het voorwerp uitmaken van de overeenkomst.

Er dient hierbij nagegaan te worden of er hier eventueel sprake is van prijsbewimpeling.

Prijsbewimpeling wordt traditioneel beschouwd als een bijzondere vorm van veinzing, in die zin dat ze betrekking heeft op overeenkomsten onder bezwarende titel, waarbij partijen in de ter registratie aangeboden akte of verklaring een lagere prijs of tegenprestatie aangeven dan in werkelijkheid is overeengekomen (WERDEFROY, F., Registratierechten 2010-2011, Mechelen, Kluwer, 2011, nr. 536, p.676).

Prijsbewimpeling wordt afzonderlijk gesanctioneerd door artikel 203 W. Reg.

Voor wat de bewimpeling betreft wordt in rechtspraak en rechtsleer aangenomen dat het gaat om een materieel feit, in de zin van een louter materiële overtreding, die enkel plaatsvindt wegens het feit dat de in de akte vermelde prijs of lasten niet met de werkelijkheid overeenstemmen, zonder dat een bedoeling van bedrog moet worden aangetoond (WERDEFROY, F., o.c., nr. 536, p. 676 en de rechtspraak daar vermeld).

In onderhavig geval stelt het hof vast dat in punt 7 van voormelde notariële akte van 29 juni 2006, met als titel 'bodemsaneringdecreet' uitdrukkelijk door de verkoper wordt verklaard dat op het verkochte perceel een inrichting is of was gevestigd en activiteiten werden of worden uitgeoefend die voorkomen op de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, zoals opgenomen in bijlage l van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering - VLAREBO dd. 5 maart 1996.

Er werd een bodemattest aangevraagd en bekomen bij OVAM. op 22 juni 2006 en dit bodemattest werd integraal weergegeven in de akte van 29 juni 2006.

OVAM. attesteerde dat het betrokken kadastraal perceel was opgenomen in het register van verontreinigde gronden en dat er sprake was, zowel van historische als van nieuwe bodemverontreiniging, die een ernstige bedreiging vormt en op basis waarvan conform het bodemsaneringdecreet overgegaan moest worden tot verdere maatregelen.

De akte van 29 juni 2006 vervolgt, na het citeren van het bodemsaneringattest met de volgende bepaling (p. 13 van de betrokken akte) :

"De koper verklaart genoegen te nemen met voorgaande verklaringen en de verkochte goederen te aanvaarden in hun huidige staat.

Hij verklaart de verkoper te ontslaan van elke verplichting tot vrijwaring uit hoofde van eventuele bodemverontreiniging die aanleiding kan geven tot een saneringsverplichting of tot andere maatregelen die door de overheid kunnen opgelegd worden, en die de verkoper onbekend zouden zijn.

De koper erkent ingelicht te zijn van dat hij, overeenkomstig de bepalingen van het Bodemsaneringdecreet, saneringsplichtig is vanaf de eigendomsoverdracht. (...)"

Uit de betrokken akte blijkt derhalve dat de koper zichzelf aanduidt als saneringsplichtige en dat hij derhalve de last van de sanering op zich neemt.

Het is dan ook ten onrechte dat de administratie voorhoudt dat de betrokken last niet in de akte van 29 juni 2006 zelf wordt vermeld. Op basis van de vermeldingen in deze akte (en niet pas naar aanleiding van het bezwaar, zoals de administratie voorhoudt) is het duidelijk dat er sprake is van een last (mogelijke bodemsanering) die de koper op zich neemt, in die zin dat hij zichzelf aanduidt als saneringsplichtige, zonder verhaal terzake op de verkoper.

Het hof oordeelt dat er ter zake dan ook geen sprake is van bewimpeling of van enige andere vorm van veinzing.

Om dezelfde reden oordeelt het hof dat er evenmin sprake is van onvolledigheid of onjuistheid in de zin van artikel 204 W. Reg. Alle dienstige gegevens, vereist voor de heffing van het evenredig registratierecht werden in de akte vermeld. Er werd niets verzwegen of verborgen gehouden.

 

2.3. Rechtsplegingvergoeding.

Beide partijen hebben de rechtsplegingvergoeding begroot op het basisbedrag voor in geld waardeerbare vorderingen, en meer bepaald op 2.000,00 EUR in eerste aanleg en 2.200,00 EUR in hoger beroep.

Het vonnis van de rechtbank kende aan de curatoren, als in het gelijk gestelde partijen slechts een rechtsplegingvergoeding toe van 1.200,00 EUR, hetzij het basisbedrag voor een niet in geld waardeerbare vordering. Het hof stelt vast dat de curatoren op dit punt dan ook impliciet incidenteel beroep instellen.

Het hof oordeelt dat partijen terecht van mening zijn dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste rechten. De rechtsplegingvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr. 2010/183, p. 720).

Gelet op het bedrag van de betwiste rechten, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding 2.000,00 EUR, in hoger beroep te indexeren tot 2.200,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken, zodat het kan worden toegekend aan de belastingplichtige als in het gelijk gestelde partij.

 

3. Beslissing

Het Hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het Hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.

Het Hof verklaart het incidenteel beroep van N.V. I., in faling, vertegenwoordigd door de curatoren Mr. B. V., Mr. P.

B., Mr. H. B. en Mr. H. D. toelaatbaar en gegrond.

Het Hof bevestigt het bestreden vonnis, met uitzondering voor wat de rechtsplegingvergoeding betreft.

Het Hof verwijst de Belgische Staat in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van N.V.I., in faling, vertegenwoordigd door de curatoren Mr. B. V., Mr. P. B., Mr. H. B. en Mr. H. D. op

- 2.000,00 EUR rechtsplegingvergoeding eerste aanleg

- 2.200,00 EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van DERTIEN MAART 2012 door:

(…)