Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.11.1994.
Summary :
Sponsoring
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.11.1994.
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.11.1994.
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.11.1994. Tax year : 2005 Document date : 21/11/1994 Document language : NL Name : A 94/26 Version : 1 Court : appeal
ARREST A 94/26 Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.11.1994. Sponsoring Een groothandel in brandstoffen en transport van olieprodukten sponsorde autorally's waaraan de afgevaardigd-bestuurder van de betrokken vennootschap deelnam, met als doel meer ruchtbaarheid te geven aan haar handelsactiviteiten. De administratie aanvaardde een gedeelte van deze uitgaven niet als beroepskosten, daar deze uitgaven slechts een zeer geringe invloed hadden op het omzetcijfer en geen uitzonderlijke stijging van de bruto-winsten tot gevolg hebben gehad. Het Hof van Beroep oordeelde echter dat de uitgaven voor sponsoring wel volledig als beroepskosten aftrekbaar waren daar de belastingplichtige het bedrag, de werkelijkheid en het beroepsmatig karakter van de uitgaven had aangetoond. De belastingplichtige dient niet aan te tonen dat de uitgaven noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het beroep, doch wel dat zij een noodzakelijk verbond hiermee vertonen. Het komt geenszins aan de administratie toe de gepastheid of het nut van door de belastingplichtige gedane uitgaven te beoordelen. ZESDE KAMER VOORZITTER : de heer van Gelder RAADSHEREN : de heer Thys, mevrouw Vanstraelen ADVOCATEN : mr. Dauginet, mr. Potargent PARTIJEN : H., N.V., tegen de Belgische Staat Gelet op het tussenarrest, door deze kamer gewezen op 13 juni 1994, waarbij - alvorens nopens de toelaatbaarheid en de gegrondheid van de voorziening te oordelen - de debatten ambtshalve werden heropend teneinde partijen toe te laten hun standpunt uiteen te zetten nopens : 1) het belang van appellante en de toelaatbaarheid van de voorziening met betrekking tot de aanslagen in de vennootschapsbelasting en in de solidariteitsbijdrage over het aanslagjaar 1979; 2) de gelijktijdige - en eventueel tegenstrijdige - toepassing van de bepalingen van art. 44, 1° lid en art. 44, 2° lid WIB; Gelet op de thans door de beide partijen ingediende conclusies; Overwegende dat appellante geen middelen aanvoert ter verdediging van de toelaatbaarheid van de ingestelde voorziening met betrekking tot de aanslagen in de vennootschapsbelasting en in de solidariteitsbijdrage over het aanslagjaar 1979 (boekjaar 1978); dat zij zich thans beperkt te stellen dat zij zich dienaangaande naar het oordeel van het hof gedraagt; Overwegende dat het hof reeds in zijn tussenarrest heeft vastgesteld dat met betrekking tot het aanslagjaar 1979 de taxatieambtenaar bij het vestigen van de kwestieuze aanslagen rekening heeft gehouden met de door appellante in rekening gebrachte bedrijfsuitgaven van 830 525 F en dat bij de thans bestreden beslissing de met de kwestieuze aanslagen opgelegde belastingverhoging van telkens 10 % integraal werd ontheven; Dat dienvolgens appellante thans geen belang meer heeft een voorziening in te stellen met betrekking tot over het aanslagjaar 1979 gevestigde aanslagen, zodat de huidige voorziening - in zoverre gericht tegen de over aanslagjaar 1979 gevestigde aanslagen - niet toelaatbaar is; Overwegende dat geïntimeerde thans inroept niet langer de bestreden beslissing te verdedigen in zoverre zij toepassing maakt van art. 44, 2° lid WIB; Dat hij dienvolgens stelt dat de door appellante in rekening gebrachte kosten weliswaar echt zijn en door bewijsstukken werden verantwoord, doch dat het niet of onvoldoende is aangetoond dat de totaliteit of minstens een gedeelte van die kosten een bedrijfskarakter hebben, zodat zij niet in toepassing van art. 44, 1° WIB in mindering kunnen worden gebracht; * * * Overwegende dat, rekening houdende met de hierboven gedane vaststellingen, het geschil hic et nunc beperkt is tot de vraag of de door appellante met betrekking tot de aanslagjaren 1980 tot 1984 (boekjaren 1979 tot 1983) in rekening gebrachte kosten van respectievelijk 1 381 073 F, 2 080 800 F, 2 048 902 F, 1 859 679 F en 573 121 F werkelijk aftrekbare bedrijfsuitgaven, zoals bedoeld in art. 44, 1° lid WIB, uitmaken of niet; Dat m.a.w. het hof thans nog enkel dient vast te stellen of de kwestieuze voornoemde uitgaven - waarvan het bedrag noch de echtheid worden betwist (cf. supra) - al dan niet een "bedrijfsmatig" karakter vertonen; Overwegende dat de bewijslast van het bedrag, de werkelijkheid en het bedrijfskarakter van de uitgaven, die hij in toepassing van art. 44, 1° WIB in mindering wil brengen, steeds op de belastingplichtige rust (cf. Cass., 14 december 1965, Bull. Bel., nr. 437, 120); Dat derhalve, opdat dergelijke uitgaven aftrekbaar zouden zijn, dient aangetoond dat zij beantwoorden aan navolgende voorwaarden : 1) ze moeten noodzakelijk verband houden met het uitoefenen van de beroepsactiviteit; 2) ze moeten tijdens het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen zijn; 3) ze moeten gedaan of gedragen zijn om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; Overwegende dat, rekening houdende met de hierboven uiteengezette principes, de belastingplichtige niet dient aan te tonen dat de kwestieuze uitgaven noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de beroepsactiviteit, doch wel dat zij een noodzakelijk verband hiermede vertonen; Dat het dan ook noodzakelijk doch voldoende is dat die uitgaven bijdragen tot het verkrijgen of het behouden van de bedrijfsinkomsten (cf. Cass., 22 december 1964, Bull. Bel., nr. 423, 1758; Cass., 27 februari 1987, Fisc. Koer., 1987, 87/174, Link); Dat het immers geenszins aan de fiscale Administratie toekomt de gepastheid of het nut van de door de belastingplichtige gedane uitgaven te beoordelen; dat zij uitsluitend gerechtigd is de werkelijkheid en aard ervan te onderzoeken, nl. of ze werkelijk zijn gedaan en of ze het karakter van bedrijfs- (cf. supra) dan wel persoonlijke uitgaven bezitten (cf. Cass., 20 november 1958, Bull. Bel., nr. 356, 66; Cass., 17 februari 1959, Bull. Bel., nr. 358, 865); Overwegende dat het hof, na onderzoek van de ter zake overgelegde gegevens, vaststelt dat : 1° appellante voor de boekjaren 1978 tot en met 1983 (aanslagjaren 1979 tot en met 1984) belangrijke bedragen boekte als kosten in verband met de deelname aan auto-rallywedstrijden door haar afgevaardigde-bestuurder, de heer H.J. die zij integraal als aftrekbare bedrijfsuitgaven en -lasten in mindering bracht van de fiscale resultaten (cf. supra); 2° deze uitgaven en lasten van zeer uiteenlopende aard waren (diverse kosten racewagens en camions, reis- en verblijfkosten, restaurantkosten, representatiekosten, en andere); 3° appellante van oordeel is dat deze kosten voor haar handelszaak (groothandel in brandstoffen M. en vervoersonderneming van olieprodukten) een doeltreffende vorm van publiciteit betekenden en haar bedrijfsresultaten gunstig beïnvloedden; 4° de omvang van de ter zake gevoerde publiciteit wordt geïllustreerd en aangetoond door het ter griffie ingediende bundel, inhoudende 76 nieuwe stukken, (cf. tussenarrest); Overwegende dat uitgaven en kosten van publiciteit principieel aftrekbare bedrijfslasten zijn, in de zin van art. 44 WIB, aangezien zij worden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden; Dat derhalve appellante vanaf het boekjaar 1978 - het jaar waarin zij haar sponsoringactiviteiten heeft aangevat -, vermocht, alle uitgaven en kosten met betrekking tot deze vorm van publiciteitsvoering als aftrekbare bedrijfslasten in mindering van haar bedrijfsresultaten te brengen; Overwegende dat de hierboven gedane vaststellingen op geen enkele wijze door de gewestelijke directeur noch door huidige geïntimeerde worden tegengesproken noch weerlegd; Dat immers huidige geïntimeerde de bevestiging van de bestreden beslissing nastreeft, waarin de gewestelijke directeur uitdrukkelijk de principiële aftrekbaarheid van de voornoemde publicitaire sponsoringuitgaven aanvaardt, zoals blijkt uit de door hem gedane vaststelling, luidend als volgt : "Overwegende dat met zin voor realiteit kan worden aanvaard dat reklamante de betwiste kosten niet volledig belangeloos ten laste heeft genomen, al was het maar omdat aan haar handelsactiviteiten meer ruchtbaarheid werd gegeven, of kon gegeven worden, ingevolge de deelname door haar afgevaardigd- bestuurder aan autorallywedstrijden"; Dat uit de voornoemde vaststelling derhalve onbetwistbaar blijkt dat de fiscale Administratie te dezen heeft gesteld dat de kwestieuze uitgaven en kosten in ieder geval hebben bijgedragen of konden bijdragen tot het verwezenlijken van het fiscaal resultaat van de onderneming en aldus tot het verkrijgen of het behouden van de belastbare inkomsten; Overwegende dat derhalve, eenmaal vaststond dat de belastingplichtige het bedrag, de werkelijkheid en het bedrijfsmatig karakter - in de zin van de hierboven uiteengezette principes - had aangetoond, de Administratie of de gewestelijke directeur niet meer gerechtigd was het bedrag van de kwestieuze uitgaven en kosten te taxeren op een redelijk bedrag, zoals bepaald in art. 44, 2° lid WIB; Dat hij immers krachtens art. 44, 1° lid WIB gehouden was de totaliteit van de door appellante in rekening gebrachte uitgaven en kosten - behoorlijk verantwoord in de zin van de wet (cf. supra) - in aanmerking te nemen en als aftrekbare bedrijfsuitgaven te beschouwen; Overwegende dat de door de gewestelijke directeur en de thans door geïntimeerde ingeroepen beschouwingen en feitelijkheden, waaruit zou blijken dat het bedrag van de in rekening gebrachte uitgaven en kosten slechts op geringe wijze heeft bijgedragen tot het verkrijgen van de belastbare inkomsten, niet vermogen afbreuk te doen aan de hierboven gedane vaststellingen, deze geenszins weerleggen en zelfs te dezen geheel niet ter zake dienend zijn; Dat immers voornoemde beschouwingen en feitelijkheden te dezen zouden aantonen dat de kwestieuze "bedrijfsuitgaven" slechts een zeer geringe invloed heeft gehad op het omzetcijfer van de handelsonderneming en dat deze uitgaven geen uitzonderlijke stijging van de brutowinsten tot gevolg hebben gehad, wat echter in casu een ongeoorloofde opportuniteitsbeoordeling door de fiscale Administratie uitmaakt, waartoe zij - zoals hierboven reeds vastgesteld - in geen geval gerechtigd is; Dat het inderdaad de Administratie nooit toekomt zich uit te spreken over het nut of de gepastheid van de in rekening gebrachte bedrijfsuitgaven, waarvan tot de aftrekbaarheid dient besloten zodra vaststaat dat deze een noodzakelijk verband met de uitoefening van de beroepsactiviteiten vertonen, zoals in casu vastgesteld (cf. supra) (cf. Cass., 28 mei 1963, Pas., 1963, I, 1040; Cass., 4 februari 1969, arr. Cass., 1969, 535); Overwegende dat dienvolgens uit de hierboven gedane vaststellingen blijkt dat appellante te dezen de in rekening gebrachte bedrijfsuitgaven op juiste en voldoende wijze, overeenkomstig de bepalingen van art. 44, lid 1 WIB, heeft verantwoord; Dat dan ook de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting en in de solidariteitsbijdrage over de aanslagjaren 1980 tot 1984 werden gevestigd in strijd met art. 44 WIB, en dat de bestreden beslissing op onjuiste gronden werd getroffen, zodat zij dan ook niet kunnen behouden blijven; Overwegende dat evenwel de gewestelijke directeur om de oordeelkundige redengeving van de bestreden beslissing, - die het hof overneemt en hier voor integraal herhaald houdt - met betrekking tot de toepassing van de art. 334 en 132 WIB juist heeft geoordeeld; Dat dan op terechte gronden ontheffing werd verleend van de bijzondere aanslagen in toepassing van art. 132 WIBgevestigd en van de ten bedrage van 10 % opgelegde belastingverhogingen; Overwegende dat derhalve de huidige voorziening van appellante gedeeltelijk gegrond is; dat het tevens gepast is appellante en geïntimeerde ieder in de helft van de kosten van de voorziening, zoals hierna begroot, te verwijzen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak : Gelet op art. 24bis van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van raadsheer R. Thys; Het tussenarrest d.d. 13 juni 1994 verder uitwerkend; Verklaart de voorziening ontoelaatbaar in zoverre gericht tegen de voor het aanslagjaar 1979 gevestigde aanslagen in de vennootschapsbelasting en in de solidariteitsbijdrage; Verklaart de voorziening voor het overige toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond; Wijzigt de bestreden beslissing gedeeltelijk; Verklaart de bezwaren gegrond; Doet de aanslagen in de vennootschapsbelasting en in de solidariteitsbijdragen over de aanslagjaren 1980 tot 1984 gedeeltelijk teniet in de mate dat zij geen rekening houden met de aftrekbare bedrijfsuitgaven van respectievelijk : - voor aj. 1980 : 1 381 073 F - voor aj. 1981 : 2 080 800 F - voor aj. 1982 : 2 048 902 F - voor aj. 1983 : 1 859 679 F - voor aj. 1984 : 573 121 F; Bevestigt de bestreden beslissing in haar beschikkingen met betrekking tot de verleende ontheffingen wegens de onterechte toepassing van de art. 132 en 334 WIB; Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle op grond van de gedeeltelijk vernietigde aanslagen ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig art. 418 WIB 92; Verwijst appellante en geïntimeerde ieder in de helft van de kosten, tot op heden in totaal begroot aan de zijde van appellante op (orig. + kopie : 279 + rollen : 198) = 477 F, en aan de zijde van geïntimeerde op nihil. |
|||||||