Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 25.06.2001
- Section :
- Regulation
- Type :
- Belgian justice
- Sub-domain :
- Fiscal Discipline
Summary :
Opschortende voorwaarde,Schenking tussen echtgenoten,Echtscheiding
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 25.06.2001
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 25.06.2001 Tax year : 2005 Document date : 25/06/2001 Keywords : Opschortende voorwaarde / Schenking tussen echtgenoten / Echtscheiding Document language : NL Modification date : 24/06/2005 10:16:50 Name : A 01/1 Version : 1 Court : appeal
ARREST A 01/1 Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 25.06.2001 FJF 2002/58 Dit arrest werd verbroken door het arrest van het Hof van Cassatie dd. 05.02.2004 Opschortende voorwaarde - Schenking tussen echtgenoten - Echtscheiding Krachtens artikel 16 van het W.Reg. is het registratierecht, met betrekking tot rechtshandelingen waarop het evenredig recht van toepassing is doch onderworpen aan een schorsende voorwaarde, verschuldigd wanneer de voorwaarde vervuld is en wordt berekend naar het tarief dat van kracht was op datum waarop het recht aan de Belgische Staat verworven zou geweest zijn indien er geen voorwaarde ware geweest en op de bij het wetboek vastgelegde en op de datum van de vervulling der voorwaarde beschouwde belastbare grondslag. In casu vond er een schenking onder opschortende voorwaarde (m.n. het in kracht van gewijsde gaan van lopende echtscheiding) plaats tussen echtgenoten. De administratie maakt dan ook ten onrechte toepassing van het tarief tussen vreemden op deze schenking. Dit zou immers een onjuiste chronologie impliceren in die zin dat eerst de opschortende voorwaarde tot vervulling komt (die dan echtgenoten tot ex-echtgenoten maakt) en dan daaropvolgend de rechtshandeling en de toestand van de partijen na de vervulling van de voorwaarde dient onderzocht. Een dergelijke chronologie is in strijd met de regel dat een vervulde voorwaarde terugwerkt tot op de dag dat verbintenis aangegaan werd. Dat de vervulling van de opschortende voorwaarde tot gevolg heeft dat (enkel ten aanzien van de echtgenoten zelf) hun huwelijk ontbonden is, is niet van aard om de verplichtingen van die partijen m.b.t. de registratierechten van de reeds bestaande rechtshandeling te beïnvloeden. Voorzitter : Mevr. Bertrand Raadsheer : M. Buyle Advocaten : Mr. Van der Velpen loco Mr. Vanstreels, Mr. De Foer de Belgische Staat, Ministerie van Financiën, Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën tegen C.D.N. De vorderingen en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden door de eerste rechter oordeelkundig in zijn vonnis uiteengezet en het hof verwijst daarnaar, zo nodig aangevuld met hetgeen volgt. In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter het verzet van geïntimeerden tegen het dwangbevel van 3 juli 1996 gegrond verklaard en dat dwangbevel van nul en generlei waarde verklaard. Het hoger beroep strekt tot de vernietiging van dit vonnis en tot het ongegrond verklaren van het ingestelde verzet, terwijl geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Overwegende dat blijkens 16 W.Reg. het recht verschuldigd m.b.t. een rechtshandeling waarop het evenredig recht verschuldigd is doch onderworpen aan een schorsende voorwaarde, verschuldigd is wanneer de voorwaarde vervuld is en berekend wordt naar het tarief dat van kracht was op datum waarop het recht aan de Belgische Staat verworven zou geweest zijn indien er geen voorwaarde ware geweest en op de bij het wetboek vastgelegde en op de datum van de vervulling der voorwaarde beschouwde belastbare grondslag; Overwegende dat partijen te dezen niet weerleggen dat de opschortende voorwaarde m.n. het tussenkomen van de echtscheiding in vervulling ging op 25 mei 1995, dag waarop het vonnis d.d. 24 april 1995 dat de echtscheiding uitsprak in kracht van gewijsde was gegaan; dat op die datum het toe te passen recht verschuldigd was; Dat die gerechtelijke beslissing t.a.v. de goederen van de uit de echt gescheiden partij gevolg heeft in casu vanaf 23 november 1994, dag waarop de notariële akte verleden werd, gelet op het contractueel beding daaromtrent in afwijking van artikel 1304 in fine Ger.W.; Overwegende dat appellant niet kan gevolgd worden in zo verre hij doet gelden dat het tarief «tussen vreemde personen» dient toegepast omdat bij de vervulling van de opschortende voorwaarden - het ogenblik dat de beslissing die de echtscheiding uitspreekt in kracht van gewijsde is gegaan - het de ex-echtgenote en niet de echtgenote is die de begunstigde van de schenking is; Dat deze argumentatie ten onrechte een chronologie impliceert in die zin dat eerst de opschortende voorwaarde tot vervulling komt (die dan de echtgenoten tot ex-echtgenoten maakt) en dat daaropvolgend de rechtshandeling en de toestand van de partijen na de vervulling van de voorwaarde dient onderzocht; Dat zodanige opeenvolging in de tijd strijdig is met de regel dat een vervulde voorwaarde terugwerkt tot op de dag dat de verbintenis aangegaan werd; dat daarenboven die rechtshandeling reeds bestond sedert het aangaan ervan op 23 november 1994; Overwegende dat de vaststelling dat de vervulling van de te dezen bedongen opschortende voorwaarde uit zichzelf ook nog (doch enkel ten aanzien van de echtgenoten zelf) tot gevolg heeft dat hun huwelijk ontbonden is, niet van aard is om de verplichtingen van die partijen met betrekking tot de registratierechten van de reeds bestaande rechtshandeling te beïnvloeden; Dat het vonnis van 24 april 1995 ten aanzien van de Belgische Staat als een derde in de zin van artikel 1304 Ger.W. slechts gevolgen heeft vanaf de dag waarop het in de registers van de burgerlijke stand overgeschreven werd, zijnde te dezen op 13 juni 1995; Dat op die datum echter de rechten reeds verschuldigd waren en te berekenen op de wijze van artikel 16 W.Reg. en derhalve niet op de wijze zoals appellant deed in het bestreden dwangbevel met betrekking tot de schenking aan mevrouw V.C. van de helft van het vruchtgebruik in het eigendom te Mortsel; Dat de artikelen 31-33 W.Reg. voorzien in een termijn van vier maanden voor het indienen van een verklaring aan de voorgaande overwegingen geen afbreuk doen; dat geïntimeerden door het definitief worden van het echtscheidingsvonnis ex-echtgenoten geworden zijn ten aanzien van elkaar evenmin als een nieuw feit te aanzien is dat zich pendente conditione voordeed; Overwegende dat partijen geen duidelijk standpunt innamen omtrent de overige onderdelen van het dwangbevel m.n. de rechten ten aanzien van de overdrachten aan de zoon L.D.N. zowel w.b. het onroerend goed te Mortsel als dit te Schilde, de gevorderde boete o.a. wegens laattijdige aanbieding alsmede omtrent de aanrekening van het reeds geheven algemeen vast recht; dat de debatten daartoe dienen heropend; Om die redenen Het Hof, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Rechtende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch vooraleer verder te oordelen; Beveelt de heropening van de debatten tegen de zitting donderdag 25 oktober 2001 - 12.00 uur van teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de overige onderdelen van het dwangbevel m.n. de rechten ten aanzien van de overdrachten aan de zoon L.D.N. zowel w.b. het onroerend goed te Mortsel als dit te Schilde, de gevorderde boete o.a. wegens laattijdige aanbieding alsmede omtrent de aanrekening van het reeds geheven algemeen vast recht; Houdt het oordeel over de gerechtskosten aan. |
|||||||