Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 28.06.1994
Summary :
Voordelen,Bedrijfswagen
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 28.06.1994
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 28.06.1994 Tax year : 2005 Document date : 28/06/1994 Document language : NL Name : A 94/11 Version : 1 Court : appeal
ARREST A 94/11 Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 28.06.1994 Voordelen - Bedrijfswagen Het Hof : De vaststellingen van de controlediensten der vennootschappen, de verklaring van appellanten zelf, de verklaring van de vennootschap die de kosten ten laste nam en het feit dat appellant zeer kort na de ter beschikkingstelling van het voertuig zijn persoonlijk voertuig heeft verkocht, maken voldoende vaststaande en bekende feiten uit, dienstig tot het vormen van vermoedens in de zin van art. 1349 BW, waaruit terecht mocht worden afgeleid dat appellant tevens om persoonlijke doeleinden over de betrokken personeelswagen kon beschikken, wat dienvolgens een reëel en belastbaar voordeel oplevert. Gelet op de aard van het voertuig (Mercedes 300 D) en op het feit dat de vennootschap alle kosten m.b.t. het onderhoud en het verbruik ten laste nam, werd het aan appellant toegekende voordeel terecht op 120.000 BEF geraamd. ZESDE KAMER VOORZITTER : de heer van Gelder RAADSHEREN : de heer Thys, mevrouw Vanstraelen ADVOCATEN : mr. van den Broeck, mr. van Loock PARTIJEN : A.W., bestuurder, tegen de Belgische Staat Gelet op de aanslag in de personenbelasting, gemeente Lint : Aanslagjaar 1987, inkomsten 1986, artikel 958065, toegezonden aan de belastingschuldige op 19 januari 1990, een belasting vorderend van 66 781 F, op grond van een belast inkomen van 736 771 F; Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, op 5 februari 1990; Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer 02019041393 door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 11 januari 1991, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor het bezwaarschrift wordt afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen, op 20 februari 1991, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 20 februari 1991; * * * Overwegende dat de betwiste supplementaire aanslag, in toepassing van art. 251 WIB, werd gevestigd overeenkomstig de gegevens vermeld in het bericht van wijziging van aangifte d.d. 5 oktober 1989, waarmede appellant zich binnen de voorgeschreven termijn niet akkoord verklaarde; Dat de taxatieambtenaar met voornoemd bericht appellant ter kennis bracht dat hij voornemens was de aangegeven inkomsten ten bedrage van 744 833 F te verhogen tot 864 833 F door toevoeging van de som van 120 000 F zijnde de door appellant genoten voordelen wegens het gebruik van een personenwagen; dat hij zich daartoe steunde op gegevens medegedeeld door de Controle van de Vennootschappen 4 te Mechelen (cfr. stukken 16, 17 en 19); Overwegende dat appellant met zijn tijdig ingediend bezwaarschrift de aanvullende aanslag betwistte, aanvoerende het kwestieuze voordeel nooit te hebben genoten; Dat bij de thans bestreden beslissing het bezwaarschrift werd afgewezen om reden dat uit het onderzoek op voldoende wijze bleek dat appellant vanwege de N.V. B. de beschikking over een voertuig had verkregen dat tevens tot persoonlijke doeleinden werd aangewend, wat een voordeel, zoals bedoeld in art. 26, 2° tot 4° WIB, uitmaakt en dienvolgens krachtens art. 27 par. 1 WIB belastbaar is; Overwegende dat appellant thans voor het hof zijn in het bezwaarschrift aangevoerde grieven handhaaft, en de vernietiging van de bestreden beslissing en de supplementaire aanslag nastreeft; Dat geïntimeerde de bevestiging van de bestreden beslissing nastreeft, en daartoe de erin aangehaalde redengevingen herhaalt en verdedigt; * * * Overwegende dat appellant met betrekking tot het aanslagjaar 1987 een tijdige en regelmatige aangifte in de personenbelasting heeft ingediend (cfr. stuk 11); Dat het derhalve aan de Administratie behoort het bewijs te leveren van het bestaan van ieder ander inkomen dan is aangegeven(cf. Cass., 25 januari 1993, Rec. Cass., 1993, nrs. 308 en 369); Overwegende dat de Administratie vermag het bedrag van de belastbare inkomsten vast te stellen door aanwending van de haar door de art. 245 tot 250 WIB ter beschikking gestelde bewijsmiddelen; Dat te dezen de belastbare grondslag werd bepaald aan de hand van de feitelijke vermoedens, gesteund op de vaststellingen van de controlediensten der Vennootschappen 4 te Mechelen (toepassing van art. 246 WIB); Overwegende dat het hof, na onderzoek van de ter zake overgelegde gegevens, vaststelt dat de gedelegeerde ambtenaar om de oordeelkundige en pertinente redengeving van de bestreden beslissing, die het hof bijtreedt, tot de zijne maakt en hier voor integraal herhaald houdt, met betrekking tot de toepassing van de art. 26, 2° tot 4° en 27 par. 1 WIB juist heeft geoordeeld; Dat appellant thans geen middelen aanvoert die niet reeds op passende wijze door de gedelegeerde ambtenaar werden beantwoord en weerlegd; Overwegende dat inderdaad uit het door het hof gedane onderzoek blijkt dat het ter beschikking stellen van een personenwagen te dezen terecht - in toepassing van de art. 26, 2° tot 4° en 27 par. 1 WIB - als een belastbaar voordeel werd aangezien en aldus in de belastbare grondslag werd opgenomen; Dat immers de vaststellingen van de controlediensten der vennootschappen te Mechelen (stukken 17 en 19), de verklaring van appellant zelf (stuk 26), de verklaring van de N.V. A.B. (stuk 28) en het feit dat appellant zeer kort na de ter beschikkingstelling van het voertuig zijn persoonlijk voertuig heeft verkocht, te dezen voldoende vaststaande en bekende feiten uitmaken - dienstig tot het vormen van vermoedens in de zin van art. 1349 BW -, waaruit terecht mocht worden afgeleid dat appellant tevens om persoonlijke doeleinden over de kwestieuze wagen kon beschikken, wat dienvolgens een reëel en belastbaar voordeel oplevert; Dat evenzeer, gelet op de aard van het voertuig - Mercedes 300 D - en op het feit dat de N.V. B. alle kosten met betrekking tot onderhoud en verbruik ten laste nam, het aan appellant toegekende voordeel terecht op 120 000 F werd geraamd (cf. stukken 17 en 28); Dat derhalve in casu een juiste toepassing werd gemaakt van art. 246 WIB ter vaststelling van de belastbare inkomsten; Overwegende dat appellant zich beperkt tot het stellen geen voordelen te hebben genoten; dat dit middel evenwel slechts een loutere bewering betreft, die op geen enkele wijze wordt gestaafd met positieve en controleerbare gegevens; Dat dan ook de door appellant geformuleerde opmerkingen niet vermogen op enige wijze het terecht door de Administratie gehanteerde feitelijke vermoeden te weerleggen; Overwegende dat de betwiste aanslag overeenkomstig de wettelijke bepalingen werd gevestigd en de bestreden beslissing op juiste gronden werd getroffen, zodat zij dan dienen behouden te blijven; Dat de huidige voorziening van appellant ongegrond is, en hij in de kosten, zoals hierna begroot, dient verwezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak: Gelet op art. 24bis van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van raadsheer R. Thys; Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beslissing; Verwijst appellant in de kosten, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil. |
|||||||