Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 03.10.1997

Date :
03-10-1997
Language :
French Dutch
Size :
5 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Afschrijvingen,Verbouwingswerken

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 03.10.1997
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 03.10.1997
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 03.10.1997
Tax year : 2005
Document date : 03/10/1997
Document language : NL
Modification date : 22/11/2006 11:14:58
Name : B 97/3
Version : 1
Court : appeal

ARREST B 97/3


Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 03.10.1997



FJF 97/251

Afschrijvingen - Verbouwingswerken

1. Abonnement "De Standaard"

    Ten onrechte aanzien verzoekers de abonnementsprijs van de krant "De Standaard" als een beroepsuitgave.

    Deze uitgave moet beschouwd worden als een uitgave van louter persoonlijke aard.



2. Afschrijvingen aan het gebouw

    De belastingplichtigen hebben in de loop van de betwiste periode verbouwingswerken laten uitvoeren in de kelder van de woning die zij hadden aangekocht met de bedoeling om aldaar het advocatenkantoor te installeren.

    De discussie beperkt zich tot de toegepaste percentages van afschrijvingen van deze werken.

    Als principe dient terzake aangenomen te worden dat het bedrag van de afschrijving zo nauwkeurig mogelijk moet vastgesteld worden gelet op de normale gebruiksduur (en niet van de vermoedelijke persoonlijke gebruiksduur) van het af te schrijven bestanddeel.

    Er dient derhalve te worden overgegaan tot de analyse van de aard van de uitgevoerde werken, teneinde het meest exacte afschrijvingspercentage te kunnen bepalen.

    Het onbeperkt toepassen van een afschrijvingspercentage van 3 % op het geheel van de uitgevoerde werken, zoals de Administratie voorhoudt, houdt geen rekening met de verschillende aard van de uitgevoerde werken.

    Anderzijds merken verzoekers terecht op dat het gebouw werd opgericht in 1961, en dat de inrichting van een bureau in de kelder van een gebouw van reeds dertig jaar oud, de werkelijke gebruiksduur van het gebouw nooit met nogmaals dertig jaar kan verlengen.

    Het is vanzelfsprekend dat de oprichtingskosten van gebouwen, aan lagere afschrijvingspercentages onderworpen zijn dan de inrichtings- en afwerkingskosten, die staan voor werken die sneller opnieuw dienen te gebeuren.

    Gelet op de ouderdom van het gebouw op het ogenblik van de uitvoering van de werken, is een afschrijvingspercentage van 5 % gerechtvaardigd voor de bouwwerken, plaatsen van vloeren en sanitaire buizen. Voor de installatie van de centrale verwarming en de inrit van de woning is een afschrijving van 10 % aanvaardbaar.



3. Afschrijving van de niet-recupereerbare BTW

    Verzoekers betwisten niet dat zij aanvankelijk deze BTW afschreven a rato van 20 % per jaar. Tijdens de bezwaarprocedure riepen zij in dat deze BTW onmiddellijk aftrekbaar was in het jaar van uitgifte ervan.

    De Administratie heeft de aftrek, om niet onmiddellijk duidelijke redenen, gespreid over twee jaar.

    Het wordt niet betwist dat de volledige BTW op de uitgevoerde werken in hoofde van verzoekers een aftrekbare kost is. Nu de Administratie zelf is teruggekomen op de door verzoekers aanvankelijk voorgestelde aftrektermijn, ziet men niet in waarom deze BTW-kosten niet volledig in het jaar van de effectieve betaling ervan kan afgetrokken worden.



 

ZESDE KAMER VOORZITTER : K. Van Herck RAADSHEREN : J. Vlogaert, Y. De Ruyver ADVOCATEN : mr. L. Vanheeswijck, mr. M. Van Asch PARTIJEN : N.E., en zijn echtgenote, D.M., tegen de Belgische Staat

Gezien de fiscale voorziening, samen met de aanzegging ervan neergelegd ter griffie van het hof op 30 oktober 1992 en gericht tegen de directeursbeslissing van 23 september 1992, aan de belastingplichtigen bekendgemaakt op dezelfde datum, waarin uitspraak werd gedaan over het bezwaarschrift ingediend tegen de aanslagen in de personenbelasting gevestigd onder kohiernummers 1728461 en 1727653 voor de aanslagjaren 1989 en 1990 en voor de bedragen van 127.111 Fr. en 100.140 Fr.

De belasting werd gevestigd overeenkomstig de aanslagprocedure voorzien in artikel 251 WIB/64.

Het fiscaal verhaal in ontvankelijk.

Voor het hof van beroep blijven nog drie punten voorwerp van discussie tussen partijen.

1. aftrekbaarheid van het jaarabonnement op de krant De Standaard als bedrijfsonkost. 2. afschrijving van de door de belastingplichtige uitgevoerde bouwwerken. 3. de aftrekbaarheid van de B.T.W. op de uitgevoerde werken.

* * *

1. Abonnement De Standaard :

Ten onrechte aanzien verzoekers de abonnementsprijs van de krant De Standaard als een beroepsuitgave. Inderdaad, zelfs indien de dagelijkse lectuur van dergelijk dagblad, waarin onder meer rubrieken gewijd zijn aan fiscale en juridische zaken, bijdraagt tot de algemene vorming en zelfs enige gespecialiseerde rubrieken bevat, kan toch moeilijk volgehouden worden dat de lectuur van een krant vereist is voor de uitoefening van het beroep van advocaat. De meer gespecialiseerde rubrieken in dergelijke kranten richten zich trouwens tot een meer algemeen publiek en zijn in essentie vulgariserend.

Deze uitgave moet dan ook beschouwd worden als een uitgave van louter persoonlijke aard in de zin van artikel 50, 2 WIB (oud) en is derhalve niet als bedrijfsuitgave aftrekbaar.

2. Afschrijvingen werken aan het gebouw te Strombeek-Bever :

De belastingplichtigen hebben in de loop van de betwiste periode verbouwingswerken laten uitvoeren in de kelder van de woning die zij hadden aangekocht in Strombeek-Bever, en dit met de bedoeling om aldaar het advocatenkantoor te installeren van Mevrouw D. Het bedrijfsmatig karakter van deze kosten wordt niet betwist door de administratie.

De discussie beperkt zich tot de toegepaste percentages van afschrijvingen van deze werken.

Als principe dient terzake aangenomen te worden dat het bedrag van de afschrijving zo nauwkeurig mogelijk moet vastgesteld worden gelet op de normale gebruiksduur (en niet van de vermoedelijke persoonlijke gebruiksduur) van het af te schrijven bestanddeel. Partijen betwisten dit principe niet.

Er dient derhalve te worden overgegaan tot de analyse van de aard van de uitgevoerde werken, teneinde het meest exacte afschrijvingspercentage te kunnen bepalen.

Het onbeperkt toepassen van een afschrijvingspercentage van 3 % op het geheel van de uitgevoerde werken, zoals de administratie voorhoudt, houdt geen rekening met de verschillende aard van de uitgevoerde werken.

Anderzijds merken verzoekers terecht op dat het gebouw werd opgericht in 1961, en dat de inrichting van een bureau in de kelder van een gebouw van reeds dertig jaar oud, de werkelijke gebruiksduur van het gebouw nooit met nogmaals dertig jaar kan verlengen.

Door het onbeperkt gebruik van de terminologie ruwbouwwerken voor het geheel van de uitgevoerde werken tijdens de litigieuse aanslagjaren, zonder acht te slaan op de effectieve aard van de uitgevoerde werken, creëert de administratie ten onrechte de indruk dat alle facturen betrekking hebben op werken die gelet op hun aard aan lange afschrijvingspercentages onderhevig zijn. Het is vanzelfsprekend dat de oprichtingskosten van gebouwen, aan lagere afschrijvingspercentages onderworpen zijn dan de inrichtings- en afwerkingskosten, die staan voor werken die sneller opnieuw dienen te gebeuren.

1. facturen N.V. V. (847.823 Fr., excl. B.T.W.) :

Partijen betwisten niet dat voor een gedeelte van de eigenlijke ruwbouwwerken, namelijk met betrekking tot een voorschotfactuur ten bedrage van 427.350 Fr., exclusief B.T.W., een afschrijvingspercentage a rato van 3 % werd toegepast en aanvaard.

Thans stellen verzoekers echter dat alleszins de kosten met betrekking tot de afbraak- en opruimingswerken, die noodzakelijk zijn voor de verdere inrichting, op zichzelf geen bijkomende waarde voor de inrichting opleveren. Zij leiden hieruit af dat deze afbraakkosten niet moeten afgeschreven worden, maar onmiddellijk aftrekbaar zijn in het jaar van de uitgave. Zij begroten het bedrag van deze afbraak- en opruimingswerken op 420.473 Fr., exclusief B.T.W., terwijl de eigenlijke ruwbouwwerken 427.350 Fr., exclusief B.T.W., bedragen. Al deze werken werden uitgevoerd door de firma N.V. V. voor een totale aannemingsprijs van 847.823 Fr., excl. B.T.W.

Het behoort aan verzoekers de werkelijke aard van de uitgevoerde werken te bewijzen.

Uit stuk 4 van de door verzoekers neergelegde stukken blijkt dat de door de N.V. V. uitgevoerde werken enerzijds betrekking hebben op afbraakwerken van balkons op de eerste en de tweede verdieping, een buitentrap en betonnen kolom, afbraak van metselwerk, uitbraak van keldervloeren en grondwerken tot verlagen van vloeren, vervoer en stortrechten, en opruimingswerken. Verzoekers leggen geen prijsbestek neer waarin de waarde van de afbraakwerken ten opzichte van het geheel wordt bepaald en er wordt in het prijsbestek niet bepaald welke de waarde is van deze werken in het geheel van het prijsbestek. Derhalve dient voor deze afbraak- en opruimingswerken die de noodzakelijke voorbereiding zijn voor de ruwbouwwerken hetzelfde afschrijvingspercentage toegepast te worden als voor de andere werken die in de prijsopgave vermeld worden.

Voor het geheel van de werken uitgevoerd door de N.V. V. en gelet op de ouderdom van het gebouw op het ogenblik van de uitvoering van de werken, is een afschrijvingspercentage van 5 % (spreiding over 20 jaar) gerechtvaardigd.

2. facturen P.V.B.A. W. (443.886 Fr. excl. B.T.W.) :

Deze facturen blijken betrekking te hebben op het leveren en plaatsen van vloer- en muurbekleding, maar verzoekers geven geen uitleg omtrent de aard van deze bekledingen. Vermits de leverancier een vloerder blijkt te zijn, kan aangenomen worden dat de werken betrekking hebben op het plaatsen van tegels. Dergelijke werken, die normaal niet regelmatig dienen hernieuwd te worden, kunnen afgeschreven worden a rato van 5 %.

3. facturen W.A. (122.401 Fr. excl. B.T.W.) :

Deze facturen hebben betrekking op het plaatsen van sanitaire toestellen en het plaatsen en herplaatsen van afvoerbuizen. Ook voor dergelijke werken is een afschrijvingspercentage van 5 % gerechtvaardigd.

4. facturen D.F. (167.000 Fr. excl. B.T.W.) :

Deze facturen blijken betrekking te hebben op schilder- en behangwerken. Dergelijke werken zijn regelmatig aan vernieuwing toe, en kunnen redelijkerwijze over een periode van 5 jaar afgeschreven worden. Het toe te passen afschrijvingspercentage is derhalve 20 %.

5. facturen P.V.B.A. C. (137.919 Fr. excl. B.T.W.) :

De facturen betreffen stucadoorwerken. Dergelijke werken dienen niet regelmatig vernieuwd te worden en zijn onderworpen aan het afschrijvingspercentage van 5 %.

6. facturen P.V.B.A. S.(430.292 Fr. excl. B.T.W.) :

De facturen hebben betrekking op het uitvoeren van schrijnwerken in het advocatenkantoor. Verzoekers geven geen verdere uitleg omtrent de precieze aard van deze werken. Er kan evenwel aangenomen worden dat het gaat om inrichtingswerken die voor geen regelmatige vernieuwing in aanmerking komen, zodat het afschrijvingspercentage van 5 % gerechtvaardigd is.

7. facturen P.V.B.A. J. (171.850 Fr. excl. B.T.W.) :

In de mate de facturen betrekking hebben op de installatie van de centrale verwarming (158.410 Fr. + 5.846 Fr., excl. B.T.W.), is het redelijk deze werken af te schrijven over een periode van 10 jaar, of met een afschrijvingspercentage van 10 %.

Het saldo (6850 Fr., excl. B.T.W.) heeft betrekking op een herstelling en de verplaatsing van een radiator). Dergelijke kost kan onmiddellijk afgetrokken worden in het jaar van de uitgave.

8. factuur B.V.B.A. V. (182.137 Fr. excl. B.T.W.) :

Deze factuur heeft betrekking op zowel het plaatsen van de electrische installatie als op de verlichtingstoestellen. Verzoekers geven geen enkele nadere uitleg terzake. Een dergelijke installatie dient op lange termijn afgeschreven te worden, zodat het afschrijvingspercentage van 5 % ook hier kan toegepast worden.

9. factuur N.B. I. (40.435 Fr., excl. B.T.W.) :

Deze factuur heeft betrekking op dakwerken. Het is redelijk voor dergelijke werken eveneens een afschrijvingspercentage van 5 % toe te passen.

10. factuur N.V. N. (66.866 Fr., excl. B.T.W.) :

De factuur heeft betrekking op de levering van deuren, omlijstingen en toebehoren. Dit soort werken dient niet regelmatig herhaald te worden. Een afschrijving op 20 jaar (5 %) is ook hier gerechtvaardigd.

11. factuur N.V. V. (69.047 Fr., excl. B.T.W.) :

Deze factuur heeft betrekking op werken aan de inrit van de woning. Gelet op de beroepsactiviteiten van verzoekers kan aangenomen worden dat dergelijke werken na een tiental jaren dienen hernieuwd te worden. Een afschrijvingspercentage van 10 % is derhalve gerechtvaardigd.

12. factuur B.L. (14.600 Fr., excl. B.T.W.) :

Voor het plaatsen van een radiator, die normaal een langere levensduur heeft, en bij gebreke aan enige verdere inlichting door de belastingplichtigen, kan het afschrijvingspercentage van 5 % toegepast worden.

3. afschrijving van de niet-recupereerbare B.T.W. :

Verzoekers betwisten niet dat zij aanvankelijk deze B.T.W. afschreven a rato van 20 % per jaar. Tijdens de bezwaarprocedure riepen zij in dat deze B.T.W. onmiddellijk aftrekbaar was in het jaar van uitgifte ervan.

De administratie heeft de aftrek, om niet onmiddellijk duidelijke redenen, gespreid over twee jaar.

Het wordt niet betwist dat de volledige B.T.W. op de uitgevoerde werken in hoofde van verzoekers een aftrekbare kost is. Nu de administratie zelf is teruggekomen op de door verzoekers aanvankelijk voorgestelde aftrektermijn, ziet men niet in waarom deze B.T.W.-kosten niet volledig in het jaar van de effectieve betaling ervan kan afgetrokken worden.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht sprekende na tegenspraak;

Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord in openbare terechtzitting raadsheer J. Vlogaert in zijn verslag;

Verklaart de voorziening ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Bevestigt de bestreden beslissing in de mate zij de kosten van het abonnementsgeld van de krant De Standaard als persoonlijke uitgave heeft beschouwd;

Vernietigt voor het overige de bestreden beslissing met betrekking tot de aanslagjaren 1989, inkomsten 1988, artikel 1.728.461, supplement aan artikel 0.712.898 en 1990, inkomsten 1989, artikel 1.727.653;

Zegt dat voor de desbetreffende aanslagjaren de volgende afschrijvingspercentages dienen aanvaard te worden voor de inrichting van het kantoor :

5 % voor 847.023 Fr. + 443.886 Fr. + 122.401 Fr. + 137.919 Fr. + 430.292 Fr. + 182.137 Fr. + 40.435 Fr. + 66.866 Fr. + 14.600 Fr.,

10 % voor 171.850 Fr. + 69.047 Fr.,

20 % voor 167.000 Fr.

Beveelt de terugbetaling van alle teveel betaalde of geïnde sommen, verhoogd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 308 WIB/64;

Veroordeelt elk der partijen tot de helft van de kosten, in het geheel begroot op 1.738 Fr.