Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 02.04.1998
Summary :
Demonstratiemateriaal,Aftrekbaarheid
Original text :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 02.04.1998
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 02.04.1998 Tax year : 2005 Document date : 02/04/1998 Document language : NL Modification date : 26/11/2007 16:04:09 Name : G 98/2 Version : 1 Court : appeal
ARREST G 98/2 Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 02.04.1998 De Fiscale Koerier 98/285 Demonstratiemateriaal - Aftrekbaarheid Een zelfstandig handelsagent koopt elk jaar kledingstukken die hij gebruikt als demonstratiemateriaal. De aankoopprijs wenst hij als beroepskost af te trekken. De kledingstukken zijn volgens hem op het einde van het seizoen versleten en worden gratis afgestaan aan een school (die daarvoor een attest afleverde). Verkopen zou bovendien onmogelijk zijn omdat hij anders zou concurreren met de handelaars aan wie hij verkoopt. De Administratie weigert de aankoopkosten als beroepskosten te aanvaarden. Zij stelt dat de kledingstukken niet waardeloos zijn op het einde van het seizoen en dat de belastingplichtige de controledienst had moeten verwittigen om de staat van de goederen te beoordelen. Het Hof stelt de belastingplichtige in het gelijk. Gezien de aard van de goederen mag worden aangenomen dat de stukken op het einde van het seizoen waardeloos zijn. ELFDE KAMER VOORZITTER : Van Eygen RAADSHEREN : Teirlinck, De Meue ADVOCATEN : Mr. de Vleeschauwer, Mr. Van Acker PARTIJEN : M.C., zelfstandige vertegenwoordiger, tegen de Belgische Staat Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Gent van 14 oktober 1994 waarbij het bezwaar tegen de op zijn naam gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor het aanslagjaar 1990 (kohierartikel 1759725) werd afgewezen; Overwegende dat door de eiser op 22 februari 1995 tijdig acht stukken werden neergelegd; dat samen met zijn conclusies van 6 september 1995 een bijkomend stuk werd toegevoegd; dat de neerlegging van dit stuk weliswaar laattijdig gebeurde doch dat nu dit stuk ter zake dienend kan zijn, het Hof de neerlegging ervan beveelt op grond van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat de eiser die zelfstandig agent is in de confectie in zijn aangifte onder de rubriek van zijn algemene onkosten een post heeft vermeld voor "stalen en collecties" ter waarde van 195.668 frank en dat hij deze onkost als bedrijfsuitgave heeft afgetrokken; Overwegende dat hij bericht van wijziging van 24 september 1991 aan de eiser werd medegedeeld dat deze post van 195.668 frank zou worden verworpen om reden dat de collectie werd weggegeven aan het Don Bosco Instituut hetgeen geen liefdadigheidsinstelling is maar een school en dat bij het vernietigen of het schenken van de collectie, om latere betwistingen te voorkomen, het aangewezen was dat een lokale ambtenaar ter plaatse de staat van de goederen zou vaststellen; dat nu dit niet is gebeurd, een ondertekende verklaring van een afgevaardigde van het Instituut Don Bosco geen voldoende bewijskracht had; Overwegende dat de eiser liet weten daarmede niet akkoord te gaan doch dat hij toch werd belast zoals was aangekondigd; Overwegende dat de eiser in zijn bezwaar aanvoerde dat het Instituut Don Bosco wel een liefdadigheidsinstelling is en dat de collectiestalen na het seizoen praktisch volledig waardeloos zijn geworden; Overwegende dat dit bezwaar door de directeur werd afgewezen; dat hij van oordeel was dat het niet bewezen was dat de collectiestukken werden weggeschonken; dat hij de verklaring van N.M. van het Don Bosco Instituut in vraag stelt nu zijn functie uit niets blijkt; dat verder de directeur niet kon aanvaarden dat de kledingstukken op het einde van het seizoen geen enkele waarde meer hadden; dat de directeur dan ook meende dat de eiser het overeenkomstig artikel 44, 1° lid van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud op hem rustend bewijs niet had geleverd; Overwegende dat in de voorziening de eiser de grieven van zijn bezwaar herneemt en voorhoudt dat hij voldoet aan alle voorwaarden van artikel 44 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud om de post "Stalen en collectie" ter waarde van 195.668 frank af te trekken als bedrijfsuitgave; Overwegende dat volgens het toenmalig artikel 44 al. 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud aftrekbare bedrijfsuitgaven of - lasten die zijn welke de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het algemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eiser de collectiestukken en -stalen in 1989 heeft aangekocht bij de BVBA S.M. voor een totaal bedrag van 233.255 frank, zijnde de facturen van respectievelijk 17 april 1989 ten belope van 70.659 frank, van 13 september 1989 van 111.762 frank en van 27 oktober 1989 van 50.835 frank; Overwegende dat de stelling van de eiser kan worden gevolgd waar hij stelt dat deze uitgaven werden gedragen tijdens het belastbaar tijdperk om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; Overwegende dat het aanvaardbaar is dat de stalen van de collectie textielgoederen voor 1990 na het seizoen geen residuwaarde meer hadden nu deze stalen menigmaal werden gemanipuleerd; dat derhalve mag worden aangenomen dat deze goederen na het seizoen bedrijfsmatig waren geconsumeerd; Overwegende dat het bovendien logisch voorkomt dat uit commercieel oogpunt het niet aannemelijk zou zijn dat de handelsagent deze stalen en collectiestukken na de seizoenverkoop te gelde zou maken door verkoop aan particulieren of aan opkopers en aldus zou concurreren met de detailhandelaar aan wie hij de textielgoederen verkoopt; Overwegende tenslotte dat hoe dan ook door de eiser werd aangetoond dat er 101 stuks in november 1989 als gift werden weggeschonken aan de VZW Don Bosco; dat de afgelegde verklaring van N.M. niet ongeloofwaardig voorkomt en de directeur van het Don Bosco Instituut attesteert dat N.M. wel degelijk lid was van de gemeenschap; dat hij derhalve in deze hoedanigheid een verklaring van ontvangst van goederen als gift kon en mocht afleggen; Overwegende dat in de gegeven omstandigheden, nu ten deze aan de vereisten van het toenmalig artikel 44 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen/oud werd voldaan het bedrag van 195.668 frank als bedrijfslast van het inkomen van de eiser dient te worden afgetrokken; Overwegende dat waar de administratie verwijst naar de Parlementaire vraag 22 van 13 maart 1988 van Volksvertegenwoordiger Willy Burgeon dit ten deze niet dienend is nu huidig geschil geen betrekking heeft op goederen die aan de voorraad werden onttrokken; Overwegende dat de voorziening dan ook gegrond is; OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op het artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Gisèle Van Eygen en de partijen in hun middelen en conclusies. Ontvangt de voorziening en verklaart ze gegrond. Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag rekening houdend met wat voorafgaat. Beveelt bovendien de teruggave van de op grond van die aanslag eventueel reeds teveel geïnde sommen meer de moratoriumintresten. Verwijst de Belgische Staat in de kosten 313 frank. |
|||||||