Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001

Date :
19-06-2001
Language :
French Dutch
Size :
11 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Feitelijke vermoedens,Gegevens afkomstig van derden,Ontbreken van stukken van de derde in het dossier,Controle van het administratief standpunt

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001
Tax year : 2005
Document date : 19/06/2001
Document language : NL
Name : G 01/17
Version : 1
Court : appeal

ARREST G 01/17


Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.06.2001



FJF 2002/78

Feitelijke vermoedens - Gegevens afkomstig van derden - Ontbreken van stukken van de derde in het dossier - Controle van het administratief standpunt

Belastingplichtige werd belast op basis van verklaringen van een derde, die zou hebben erkend dat belastingplichtige leveringen zonder factuur aan hem zou hebben verricht. Door de belastingplichtige wordt de bewijskracht van de verklaringen van de derde betwist zodat het Hof oordeelt dat deze bewijskracht dient te worden onderzocht. Het Hof stelt vast dat deze verklaringen zich niet in het dossier bevinden en de Administratie louter is afgegaan op de gegevens verstrekt in een brief van de Inspectie te Namen aan de BBI te Brussel waarin wordt gesteld dat de derde heeft erkend dat hij niet gefactureerde leveringen heeft ontvangen. In deze brief wordt meegedeeld dat officieuze notaboekjes bij de betrokken derde waren gevonden waarin inlichtingen waren opgenomen die toelieten de leverancier met grote zekerheid vast te stellen en dat de derde zich met bepaalde cijfers heeft akkoord verklaard. Het Hof stelt vast dat noch de verklaringen van de derde noch de akkoordverklaringen, noch de notaboekjes of de nuttige gedeelten ervan in het dossier berusten, zij het in origineel dan wel in kopie.
In deze omstandigheden oordeelt het Hof dat de Administratie die het bewijs moet leveren van de inkomsten die zij wil belasten, niet het bewijs levert van de juistheid van de cijfers vooropgesteld in de brief van de Inspectie te Namen aangezien de vermelding van de gegevens in deze brief ontoereikend zijn als bewijs. De erin vervatte gegevens bevatten minstens voor een deel reeds een appreciatie van de feitelijke gegevens en van hun bewijskracht. Er wordt immers in die brief o.m. meegedeeld dat deze gegevens toegelaten hebben met grote zekerheid de leveranciers te identificeren of bepaalde gegevens in de notaboekjes er op schijnen te wijzen dat de belastingplichtige in het zwart leverde aan een derde. Aangezien het Hof zelf de bewijskracht van deze gegevens moet kunnen onderzoeken en dit in casu niet mogelijk is, kunnen deze gegeven niet als bewijskrachtig worden beschouwd.





Waarnemend Voorzitter : Mevr. Van Eygen
Raadsheer : M. Tillekaerts
Plaatsvervangend Raadsheer : M. Blomme
Advocaten : Mr. Vanlee loco Mr. Janssens, Mr. Peeraer

B. N.V.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1.

Overwegende dat de eiseres tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van 13.3 1992 van de door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent gedelegeerde ambtenaar, waarbij het bezwaar van de eiseres tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1979 (kohierartikel 350220), 1980 (kohierartikel 463001), 1981 (kohierartikel 350221), 1982 (kohierartikel 4839494) en 1983 (kohierartikel 550178) slechts gedeeltelijk gegrond werd verklaard;

Overwegende dat de administratie voor de aanslagjaren 1979 en 1980 aan de eiseres een bericht van wijziging van aangifte toestuurde op 17.11 1983 en meedeelde voornemens te zijn de aangegeven of schriftelijk erkende inkomsten en andere gegevens te vervangen door de in het bericht vastgestelde inkomsten en andere gegevens; dat in dit bericht een cijfermatige berekening van de voorgenomen aanslag wordt weergegeven en wordt meegedeeld dat uit inlichtingen in het bezit van de administratie blijkt dat de eiseres in 1978 en 1979 zonder factuur heeft verricht aan zekere Briquemont Marius te Etalle; dat eraan wordt toegevoegd dat deze laatste heeft erkend op 7.2 1983 in het jaar 1978 voor 301 874 frank (2 515 617 × 12 %) en in 1979 voor 557 234 frank (4 643 617 × 12 %) aan leveringen zonder factuur van de eiseres te hebben ontvangen;

Overwegende dat de administratie in zelfde bericht er aan toevoegt dat bij toepassing van artikel 263 § 1, 4º WIB/1964, dat toelaat aanvullende aanslagen te vestigen wanneer bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van een der vijf jaren voor het jaar waarin de administratie kennis krijgt van de gegevens, de belastbare inkomsten van de eiseres zullen gewijzigd worden zoals aangegeven verder in het bericht; dat de administratie vervolgens stelt dat bij toepassing van artikel 132 WIB/1964 de gestelde meerwinsten ten bedrage van 319 986 frank voor 1978 (aanslagjaar 1979) en 590 668 frank voor 1979 (aanslagjaar 1980) zullen belast worden aan de bijzondere aanslag voorzien op de geheime commissielonen;

Overwegende dat de administratie voor het aanslagjaar 1981 aan de eiseres een bericht van wijziging van aangifte toestuurde op 17.11 1983 en meedeelde voornemens te zijn de aangegeven of schriftelijk erkende inkomsten en andere gegevens te vervangen door de in het bericht vastgestelde inkomsten en andere gegevens; dat in dit bericht een cijfermatige berekening van de voorgenomen aanslag wordt weergegeven en wordt meegedeeld dat uit inlichtingen in het bezit van de administratie blijkt dat de eiseres in 1980 leveringen zonder factuur heeft verricht aan Briquemont Marius te Etalle; dat eraan wordt toegevoegd dat deze laatste heeft erkend op 7.2 1983 voor 413 901 frank (4 598 895 × 9 %) aan leveringen zonder factuur van de eiseres te hebben ontvangen;

Overwegende dat de administratie in hetzelfde bericht er aan toevoegt dat uit het onderzoek van de boekhouding o.a. gebleken is dat op 17.10 1980 57 924 frank en op 5.9 1980 265 042 frank langs de kas werden terugbetaald aan de heer Briquemont zonder dat enig bewijsstuk van die verrichtingen voorhanden is, tevens dat gebleken is dat bij de gemaakte hoeveelheidscontrole in verband met verhandelen van varkenskoppen een tekort werd vastgesteld en op 29.4 1983 een meerwinst van 300 000 frank uit dien hoofde werd weerhouden en door de eiseres als belastbaar werd erkend; dat de administratie er aan toevoegt dat dit alles doet besluiten dat de boekhouding van de eiseres niet als bewijskrachtig kan worden aangezien en dat de door de eiseres verwezenlijkte inkomsten zullen worden bepaald, bij toepassing van artikel 248 WIB/1964, in vergelijking met degene aangegeven of aangenomen door soortgelijke belastingplichtigen; dat de administratie ook meedeelt dat bij toepassing van artikel 132 WIB/1964 de gestelde meerwinst ten bedrage van 2 983 941 frank te belasten is aan de bijzondere aanslag voorzien op de geheime commissielonen;

Overwegende dat de eiseres bij brief van 15.12 1983 van haar raadsman aan de administratie op de berichten van wijziging voor de aanslagjaren 1979, 1980 en 1981 antwoordde en om uitstel verzocht voor het formuleren van een definitief antwoord en/of het hervatten van de onderhandelingen in het kader van een akkoordstelling;

Overwegende dat de administratie bij brief van 20.12 1983 aan de eiseres antwoordde voor de aanslagjaren 1979 tot 1981 geen uitstel te kunnen verlenen, om redenen van nakende verjaring, en voor het aanslagjaar 1982 uitstel te verlenen tot 15.1 1984; dat in zelfde brief wordt meegedeeld dat voor het aanslagjaar 1981 in de aangifte geen rekening werd gehouden met de uitgeboekte fiscale provisie ten bedrage van 75 000 frank en de belastbare basis aan dit gegeven wordt aangepast, terwijl de overige elementen van het bericht blijven behouden;

Overwegende dat de administratie de aanslag voor het aanslagjaar 1979 heeft gevestigd zoals voorgenomen, en dit op 27.12 1983; dat de administratie de aanslag voor het aanslagjaar 1980 eveneens heeft gevestigd zoals voorgenomen, en dit op 19.01 1984; dat de administratie de aanslag voor het aanslagjaar 1981 eveneens heeft gevestigd zoals voorgenomen en rekening houdend met de in de brief van 20.12 1983 vermelde fiscale provisie, en dit op 27.12 1983;

Overwegende dat de administratie voor het aanslagjaar 1982 aan de eiseres op 30.1 1984 een bericht van wijziging van aangifte stuurde waarin werd meegedeeld dat zij voornemens was de aangegeven of schriftelijk erkende inkomsten en andere gegevens te vervangen door de in het bericht vastgestelde inkomsten en andere gegevens; dat in dit bericht een cijfermatige berekening van de voorgenomen aanslag wordt weergegeven en wordt meegedeeld dat uit inlichtingen in het bezit van de administratie blijkt dat de eiseres in 1981 leveringen zonder factuur heeft verricht aan Briquemont Marius te Etalle en deze laatste op 7.2 1983 heeft erkend voor (6 583 705 × 9 %) = 592 533 frank leveringen zonder factuur van de eiseres te hebben ontvangen; dat de administratie er aan toevoegt dat uit het onderzoek van de boekhouding o.a. is gebleken dat op 13.8 1981 98 588 frank langs de kas werden terugbetaald aan de heer Briquemont zonder dat enig bewijsstuk van die verrichtingen voorhanden is, tevens dat gebleken is dat bij de gemaakte hoeveelheidscontrole in verband met verhandelen van varkenskoppen een tekort werd vastgesteld en op 29.4 1983 een meerwinst van 300 000 frank uit dien hoofde werd weerhouden en door de eiseres als belastbaar werd erkend; dat de administratie er aan toevoegt dat dit alles doet besluiten dat de boekhouding van de eiseres niet als bewijskrachtig kan worden aangezien en dat de door de eiseres verwezenlijkte inkomsten zullen worden bepaald, bij toepassing van artikel 248 WIB/1964, in vergelijking met degene aangegeven of aangenomen door soortgelijke belastingplichtigen; dat de administratie ook meedeelt dat bij toepassing van artikel 132 WIB/1964 de gestelde meerwinst ten bedrage van 2 983 941 frank te belasten is aan de bijzondere aanslag voorzien op de geheime commissielonen;

Overwegende dat de eiseres bij brief van 15.12 1983 van haar raadsman aan de administratie op de berichten van wijziging voor de aanslagjaren 1979, 1980 en 1981 antwoordde en om uitstel verzocht voor het formuleren van een definitief antwoord en/of het hervatten van de onderhandelingen in het kader van een akkoordstelling;

Overwegende dat de administratie bij brief van 20.12 1983 aan de eiseres antwoordde voor de aanslagjaren 1979 tot 1981 geen uitstel te kunnen verlenen, om redenen van nakende verjaring, en voor het aanslagjaar 1982 uitstel te verlenen tot 15.1 1984; dat in zelfde brief wordt meegedeeld dat voor het aanslagjaar 1981 in de aangifte geen rekening werd gehouden met de uitgeboekte fiscale provisie ten bedrage van 75 000 frank en de belastbare basis aan dit gegeven wordt aangepast, terwijl de overige elementen van het bericht blijven behouden;

Overwegende dat de administratie de aanslag voor het aanslagjaar 1979 heeft gevestigd zoals voorgenomen, en dit op 27.12 1983; dat de administratie de aanslag voor het aanslagjaar 1980 eveneens heeft gevestigd zoals voorgenomen, en dit op 19.01 1984; dat de administratie de aanslag voor het aanslagjaar 1981 eveneens heeft gevestigd zoals voorgenomen en rekening houdend met de in de brief van 20.12 1983 vermelde fiscale provisie, en dit op 27.12 1983;

Overwegende dat de administratie voor het aanslagjaar 1982 aan de eiseres op 30.1 1984 een bericht van wijziging van aangifte stuurde waarin werd meegedeeld dat zij voornemens was de aangegeven of schriftelijk erkende inkomsten en andere gegevens te vervangen door de in het bericht vastgestelde inkomsten en andere gegevens; dat in dit bericht een cijfermatige berekening van de voorgenomen aanslag wordt weergegeven en wordt meegedeeld dat uit inlichtingen in het bezit van de administratie blijkt dat de eiseres in 1981 leveringen zonder factuur heeft verricht aan Briquemont Marius te Etalle en deze laatste op 7.2 1983 heeft erkend voor (6 583 705 × 9 %) = 592 533 frank leveringen zonder factuur van de eiseres te hebben ontvangen; dat de administratie er aan toevoegt dat uit het onderzoek van de boekhouding o.a. is gebleken dat op 13.8 1981 98 588 frank langs de kas werden terugbetaald aan de heer Briquemont zonder dat enig bewijsstuk van die verrichtingen voorhanden is; dat steeds volgens de administratie tevens uit het onderzoek van de boekhouding gebleken is dat op 21.8 1981 voor 296 814 frank en op 25.9 1981 voor 142 748 frank hetzelfde gebeurde, doch deze maal de terugbetaling geschiedde bij middel van een cheque, en dat bij gebrek aan fotokopie van de cheque, dient te worden verondersteld dat het gaat om cheques aan toonder, waarvan het vermoeden blijft bestaan dat deze door de eiseres werden geïnd; dat in hetzelfde bericht de administratie stelt dat ook uit het onderzoek van de boekhouding is gebleken dat bij de gemaakte hoeveelheidscontrole in verband met verhandelen van varkenskoppen een tekort werd vastgesteld en op 29.4 1983 een meerwinst van 300 000 frank uit dien hoofde werd weerhouden en door de eiseres als belastbaar werd erkend; dat de administratie hieruit verder besluit dat de boekhouding niet als bewijskrachtig kan worden aangezien en dat de door de eiseres verwezenlijkte inkomsten derhalve zullen worden bepaald, bij toepassing van artikel 248 WIB/1964, in vergelijking met degene aangegeven of aangenomen door soortgelijke belastingplichtigen; dat de administratie er tenslotte aan toevoegt dat bij toepassing van artikel 132 WIB/1964 de gestelde meerwinsten ten bedrage van 2 243 098 frank te belasten zijn aan de bijzondere aanslag voorzien op de geheime commissielonen;

Overwegende dat de administratie bij kennisgeving van aanslag van ambtswege van 13.3 1984 aan de eiseres meedeelde voor het aanslagjaar 1982 dat niet binnen de door de wet gestelde termijn werd geantwoord op het bericht van wijziging van 30.1 1984 en dat derhalve de aanslag ambtshalve zou worden gevestigd op de in de kennisgeving aangegeven cijfers, voor de uiteenzetting waarvan wordt verwezen naar het bericht van wijziging van aangifte;

Overwegende dat de administratie de aanslag van ambtswege heeft gevestigd op 20.6 1984;

Overwegende dat de administratie voor het aanslagjaar 1983 aan de eiseres een bericht van wijziging van aangifte stuurde op 20.11 1985 en hierin meedeelde voornemens te zijn de aangegeven of schriftelijk erkende inkomsten en andere gegevens te vervangen door de in het bericht vastgestelde inkomsten en andere gegevens; dat hierin o.m. wordt meegedeeld dat in hoofde van de vennootschap het belastbaar wordt begroot op 272 034 frank, en wordt meegedeeld dat de door de eiseres vermelde vorige verliezen reeds zijn gerecupereerd door de aanslag voor het aanslagjaar 1982;

Overwegende dat de eiseres bij antwoord van haar gevolmachtigde met datum 9.12 1985 liet weten niet akkoord te kunnen gaan met de recuperatie van de vorige verliezen, onder verwijzing naar het bezwaarschrift, maar wel akkoord te kunnen gaan met de investeringsaftrek van 12 039 frank i.p.v. 31 539 frank;

Overwegende dat de administratie vervolgens op 16.12 1985 de aanslag heeft gevestigd zoals voorgenomen, doch evenwel rekening houdend met een investeringsaftrek van 12 039 frank zoals in het antwoord van de eiseres;

2.

Overwegende dat de eiseres de schending van artikel 275 WIB/1964 aanvoert en hieruit afleidt dat de directoriale beslissing nietig is; dat de eiseres stelt dat op 9.4 1991 een aanvullend bezwaarschrift werd ingediend waarin nieuwe argumenten werden aangehaald en uitgewerkt en waarin tevens uitdrukkelijk werd gevraagd om opnieuw te worden gehoord en inzage te krijgen van het dossier teneinde de nieuwe uitgewerkte argumenten te bespreken met de behandelende inspecteur, en de administratie op dit verzoek niet is ingegaan;

Overwegende dat de gevolmachtigde van de eiseres op 18.3 1991 inzage heeft genomen van het dossier en werd gehoord (stuk 35);

Overwegende dat de administratie niet verplicht was om aan het tweede verzoek van de eiseres tot inzage van de stukken in te gaan, nu niet blijkt dat zich in het dossier stukken bevonden met betrekking tot de betwisting waarvan zij geen kennis had;

Overwegende dat de administratie evenmin verplicht was om de eiseres nog een tweede maal te horen; dat de wet niet voorziet dat de bezwaarindiener dient te worden gehoord telkens als hij het vraagt, maar dat hij zal worden gehoord wanneer hij zulks schriftelijk heeft gevraagd; dat de eiseres aldus gelegenheid heeft gekregen om op 18.3 1991 haar standpunt in alle opzichten uiteen te zetten toen zij werd gehoord en zij het aan zichzelf te wijten heeft indien zij dit niet zou hebben gedaan en zij nadien zelf nog andere argumenten aanvoert die volgens de eiseres niet werden besproken wanneer zij werd gehoord;

Overwegende dat de bedoeling van het horen van de bezwaarindiener voorzien bij artikel 275 WIB/1964 niet is dat de bezwaarindiener zou te weten komen wat de inspecteur over de nieuwe argumentatie of de nieuwe bezwaren denkt;

Overwegende dat noch de rechten van de verdediging van de eiseres noch artikel 275 WIB/1964 werden geschonden;

Overwegende dat de grief ongegrond is;

3.

Overwegende dat de eiseres aanvoert dat de directoriale beslissing nietig is wegens schending van artikel 276 eerste lid WIB/1964, omdat de gewestelijke directeur niet heeft geantwoord op alle argumenten van de eiseres en aldus de wettelijke motiveringsplicht heeft geschonden;

Overwegende dat de grief ongegrond is nu wettelijk nergens voorzien is dat het niet beantwoorden van grieven of argumenten de nietigheid van de directoriale beslissing tot gevolg heeft;

4.

Overwegende dat de eiseres aanvoert dat de administratie een schriftelijk akkoord niet heeft nageleefd en dit een schending uitmaakt van de algemene regelen van het verbintenissenrecht (goede trouw, enz...) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

Overwegende dat de gevolmachtigde van de eiseres zich op 28.4 1988 akkoord verklaarde voor de in betwisting zijnde aanslagjaren met een afhandeling van de bezwaarschriften dd. 27.6 1984, 10.7 1984 en 25.3 1986 door vaststelling van de belastbare basissen en boeking van de meerwinst ingevolge de taxatie door de BBI zoals aangegeven in het akkoord (stuk 21); dat dit akkoord eveneens werd ondertekend door de Heer R. Van De Velde, verif. acc., met de vermelding «onder voorbehoud akkoord der rangordelijk overste, voor de Administratie»;

Overwegende dat de verhoudingen tussen de belastingplichte en de administratie met het oog op het vaststellen van de belastingschuld niet beheerst worden door het verbintenissenrecht, maar door de fiscale wetgeving, die van openbare orde is; dat de eiseres dan ook tevergeefs schending van de regelen van het verbintenissenrecht inroept;

Overwegende dat wanneer de eiseres zoals te dezen schriftelijk haar akkoord geeft omtrent een bepaalde belastbare basis, zij hiermee binnen de perken van dit akkoord aan haar bezwaren verzaakt en niet een verbintenis aangaat met de administratie;
Overwegende evenwel dat de algemene beginselen van goede rechtsbedeling, die bindend zijn voor de administratie, het recht op rechtszekerheid insluiten, en dat dit laatste onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de administratie; dat de administratie derhalve in beginsel gehouden is de gewettigde verwachtingen die zij bij de burger heeft gewekt in te lossen;

Overwegende dat door op het akkoord van de eiseres de vermelding aan te brengen «onder voorbehoud akkoord der rangordelijk overste, voor de Administratie» de betrokken ambtenaar van de administratie niet bij de eiseres de gewettigde verwachting heeft kunnen wekken dat de administratie de door de eiseres in het akkoord aangegeven cijfers definitief aanvaardde; dat de eiseres er zich ongetwijfeld rekenschap van moest geven, gezien dit voorbehoud en bij afwezigheid van akkoord van de rangordelijk overste, dat de administratie geen definitief en voor de administratie bindend standpunt had ingenomen, en er in hoofde van de eiseres ook geen gewettigde verwachting uit dien hoofde kon ontstaan;

Overwegende dat de grief ongegrond is :

5.

Overwegende dat de eiseres aanvoert dat de berichten van wijziging voor de aanslagjaren 1979 en 1980 onvoldoende gemotiveerd zijn; dat de eiseres, na vastgesteld te hebben dat de administratie verwijst naar artikel 263 § 1, 4º WIB/1964, laat gelden dat deze bepaling geen rechtsgrond is om wijziging van de aangifte door te voeren, maar enkel een termijnbepaling waarbinnen de administratie een eventuele wijziging kan doorvoeren; dat volgens de eiseres toepassing van deze bepaling als rechtsgrond bij de taxatie bijgevolg niet gegrond is, maar daarenboven de toepassing ervan vereist dat bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven hetgeen volgens de eiseres in casu niet het geval is; dat de eiseres stelt dat in het bericht van wijziging van aangifte voor de aanslagjaren 1979 en 1980 verwezen werd naar inlichtingen verstrekt door de heer Briquemont, terwijl als bewijskrachtige gegevens gelden een controle, een onderzoek, een schatting, een scheidsrechterlijke uitspraak, een minnelijke schikking, enzovoort, waarmee de betrokken belastingplichtige heeft ingestemd, wat in deze zaak niet het geval is; dat volgens de eiseres bijgevolg niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan waardoor de administratie ten onrechte een beroep heeft gedaan op de bijzondere termijn van artikel 263 § 1, 4º WIB/1964; dat de eiseres stelt dat vermits het enerzijds inkomsten betreft van het jaar 1978 de aanslag op grond van artikel 259 WIB/1964 uiterlijk op 31.12 1981 ingekohierd moest zijn, en daar de inkohiering slechts op 28.12 1983 gebeurde de aanslag volgens de eiseres als laattijdig is te beschouwen; dat de eiseres ook voor de inkomsten van het jaar 1979 het standpunt inneemt dat de inkohering, gebeurd op 23.1 1984, laattijdig geschiedde;

Overwegende dat het bericht van wijziging in de zin van artikel 251 WIB/1964 voldoende gemotiveerd is wanneer de belastingplichtige in staat is gesteld de gegevens en redenen te onderzoeken en te betwisten, die door de administratie zijn aangevoerd tot staving van de voorgenomen wijziging;

Overwegende dat uit het bericht van wijziging voor de aanslagjaren 1979 en 1980 (stuk 108/1) duidelijk blijkt om welke redenen de administratie een wijziging wenst door te voeren; dat zij daarin aangeeft dat er leveringen werden verricht zonder factuur aan Briquemont Marius te Etalle, voor welke bedragen dit volgens de administratie gebeurde, en tevens de erkenning van de belastbare basis wordt weergegeven in het bericht rekening houdend met de vooropgestelde bedragen;

Overwegende dat de eiseres aldus in staat gesteld werd de gegevens en redenen door de administratie aangevoerd te betwisten;

Overwegende dat wanneer de administratie in het bericht van wijziging van aangifte de toepassing inroept van artikel 263 § 1, 4º WIB/1964, zij hiermee uitlegt waarom zij een aanslag wil vestigen buiten de gewone termijnen van aanslag; dat wanneer de eiseres laat gelden dat de toepassingsvoorwaarden voor deze bepaling niet voorhanden zijn en er een laattijdige aanslag zou zijn, dit mogelijks tot gevolg kan hebben dat de aanslag in kwestie niet is wegens laattijdigheid maar te dezen geen invloed heeft op de vraag of het bericht van wijziging naar de eis van artikel 251 WIB/1964 afdoende gemotiveerd is;

Overwegende dat de grief ongegrond is;

6.

Overwegende dat de eiseres aanvoert dat de administratie de algemene regels van bewijsvoering heeft geschonden, en meer bepaald niet de aanslag mocht vestigen op basis van een verklaring van de heer Briquemont, een derde, en deze verklaring geen bekend feit uitmaakt waaraan geen enkele bewijskracht kan worden verleend; dat de eiseres verder laat gelden dat voor het aanslagjaar 1979 trouwens geen onregelmatigheden in de boekhouding van de belastingplichtige waren vastgesteld, waardoor de «vermeende feiten» zeker niet als basis konden dienen om de aanslag te vestigen; dat de eiseres er aan toevoegt dat voor het aanslagjaar 1980 werd aangevoerd dat de verklaringen van de heer Briquemont bevestigd werden door vaststellingen in de boekhouding van de belastingplichtige, terwijl het echter één terugbetaling via kas aan de heer Briquemont betrof op 12.10 1979 zonder kwitantie; dat de eiseres zich op het standpunt stelt dat dit enkelvoudig feit niet voldoende is om aan de vermeende feiten een karakter van bekendheid en zekerheid te geven wat noodzakelijk is om te dienen als grondslag voor feitelijk vermoeden; dat de eiseres er aan toevoegt dat bovendien deze kasboekingen omstandig worden verklaard;

Overwegende dat nu de eiseres de bewijskracht van de verklaringen van de heer Briquemont betwist, deze bewijskracht dient te worden onderzocht;

Overwegende dat moet worden vastgesteld dat deze verklaringen zich niet in het dossier bevinden en de administratie voor de aanslagjaren 1979, 1980 en 1981 is afgegaan op de gegevens verstrekt door de Inspectie te Namur in haar brief van 22.3 1983 aan de BBI te Brussel (stuk 103/1-2-3-4); dat hierin wordt gesteld dat de heer Briquemont heeft erkend niet gefactureerde leveringen te hebben ontvangen van de eiseres; dat hierin tevens wordt meegedeeld dat officieuze notaboekjes bij de heer Briquemont werden teruggevonden, waarin inlichtingen omtrent data, namen, gewichten en betalingswijzen worden verschaft, en deze notaboekjes toegelaten hebben met grote zekerheid de identiteit van de leveranciers vast te stellen; dat in zelfde brief eraan wordt toegevoegd dat de in de notaboekjes opgenomen inlichtingen met betrekking tot de eiseres hernomen worden in de bijgaande lijst en dat de vermeldingen «noir» of «n.r.», «s.f.» of «sans facture», de gedeeltelijke betalingen in geld terwijl een cheque de levering officieel maakt, het geld gehaald van een boekje om de verdachte levering te betalen, al deze elementen schijnen aan te tonen dat de eiseres in het zwart leverde bij Briquemont; dat vervolgens de Inspectie verder meedeelt dat de controle betrekking heeft gehad op de jaren 1977 tot 1981 en de eiseres voor 1 395 992 F heeft geleverd in 1977, voor 2 515 617 F in 1978, voor 4 643 617 F in 1979, voor 4 598 895 F in 1980 en voor 6 583 705 F in 1981; dat in zelfde brief ten slotte wordt gesteld dat een gemiddeld percentage van 12 % voor de jaren 77, 78, 79 en van 9 % voor 1980 en 1981 op de vermelde cijfers werd weerhouden met akkoord van Briquemont als zijnde aankopen in het zwart;

Overwegende dat moet vastgesteld worden dat noch de verklaringen van de heer Briquemont, noch de akkoordverklaringen waarvan sprake, noch de notaboekjes of de nuttige gedeelten ervan in het dossier berusten, zij het in origineel dan wel in kopie;

Overwegende dat in deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de administratie, die het bewijs moet leveren van de inkomsten die zij wil belasten, niet het bewijs levert van de juistheid van de cijfers vooropgesteld in de brief van 22.3 1983 van de Inspectie te Namur en die aangewend werden voor het vaststellen van de belastbare grondslagen voor de aanslagjaren 1979 en 1980; dat de vermelding van de gegevens in de vermelde brief van 22.3 1983 ontoereikend is als bewijs; dat trouwens moet vastgesteld worden dat de erin vervatte gegevens en hun bewijskracht bevatten daar waar meegedeeld wordt dat deze gegevens toegelaten hebben met grote zekerheid de leveranciers te identificeren of bepaalde gegevens in de notaboekjes er op schijnen te wijzen dat de eiseres in het zwart leverde bij Briquemont, terwijl het Hof zelf de bewijskracht van deze gegevens dient te kunnen onderzoeken; dat uit zelfde brief (meer bepaald stuk 103/2) af te leiden is dat het gehanteerde percentage van 12 % zwarte aankopen een cijfer is dat in akkoord met de heer Briquemont werd gekozen wat kan impliceren dat dit cijfer niet noodzakelijk op objectieve gegevens gesteund is, maar het resultaat kan zijn van een akkoord met de administratie ter oplossing of ter vereenvoudiging van het fiscaal geschil met de heer Briquemont;

Overwegende dat de grief gegrond is;

Overwegende dat de overige grieven met betrekking tot de aanslagjaren 1979 en 1980 niet nader dienen te worden onderzocht nu zij niet tot ruimere gegrondheid van de voorziening met betrekking tot deze aanslagjaren kan leiden;

7.

Overwegende dat de eiseres onder uitvoerige redengeving aanvoert dat de administratie voor de aanslagjaren 1981 en 1982 ten onrechte de boekhouding als niet-bewijskrachtig heeft verworpen;

Overwegende dat de administratie vaststelde dat op 17.10 1980 het bedrag van 57 924 F en op 5.9 1980 het bedrag van 265 042 F langs de kas werden terugbetaald aan de heer Briquemont zonder dat hiervan enig bewijsstuk voorhanden is;

Overwegende dat voor het aanslagjaar 1982 de administratie heeft vastgesteld dat op 13.8 1981 het bedrag van 98 588 F langs de kas werd terugbetaald aan de heer Briquemont, zonder dat enig bewijsstuk van deze verrichting voorhanden is, tevens hetzelfde gebeurde op 21.8 1981 voor een bedrag van 296 814 F en op 25.9 1984 voor een bedrag van 142 748 F;

Overwegende dat de eiseres deze vaststellingen niet betwist, maar stelt dat het interne correctieboekingen zijn, dat de BBI nooit heeft gevraagd wat deze boekingen juist inhielden, en deze boekingen geen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de bewijskracht van de boekhouding en evenmin het vermoeden wettigen dat er leveringen zonder factuur zijn gebeurd, en het ook boekingen betreft die nooit in vraag werden gesteld naar aanleiding van normale controles;

Overwegende dat hiermee de eiseres nog steeds geen aanvaardbare uitleg geeft ter rechtvaardiging van deze boekingen zonder bewijsstukken, en ook niet uitlegt waaruit deze aldus genaamde «interne correctieboekingen» wel zouden bestaan en waarom deze boekingen worden uitgevoerd; dat ook in de loop van de bezwaarprocedure hieromtrent geen verklaring door de eiseres werd gegeven; dat de enkele vermelding dat het gaat om «interne correctieboekingen» of «correctieboekingen t.o.v. de bank» ontoereikend zijn;

Overwegende dat op basis van enkel deze gegevens reeds moet worden vastgesteld dat de boekhouding van de eiseres niet bewijskrachtig is; dat de vermelde ongestaafde boekingen de administratie verhinderen hierop controle uit te oefenen; dat de boekhouding om bewijskrachtig te zijn door verantwoordingsstukken moet worden gestaafd en het geheel van de boekhouding moet kunnen worden beschouwd als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om een nauwkeurige inkomensberekening op te stellen, hetgeen om vermelde reden hier manifest niet het geval is;

Overwegende dat de administratie terecht de boekhouding van de eiseres heeft verworpen;

Overwegende dat de overige middelen van de eiseres met betrekking tot de bewijskracht van de boekhouding dan ook niet verder dienen te worden onderzocht;

Overwegende dat de grief ongegrond is;

8.

Overwegende dat de eiseres verder de toepassing van artikel 132 WIB/1964 betwist; dat deze grief gezien hetgeen hoger werd gesteld met betrekking tot de aanslagjaren 1979 en 1980 nog enkel dient onderzocht te worden met betrekking tot de aanslagjaren 1981 en 1982;

Overwegende dat te dezen niet zonder meer kan vermoed worden dat de vastgestelde meerinkomsten het patrimonium van de eiseres zouden verlaten hebben;

Overwegende dat de administratie dan ook ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 132 WIB/1964 en hierbij willekeurig te werk ging;

Overwegende dat de grief gegrond is;

9.

Overwegende dat de voorziening ook gericht is tegen de aanslag voor het aanslagjaar 1983 doch de eiseres geen grieven met betrekking tot dit aanslagjaar formuleert;

Overwegende dat de voorziening ongegrond is;

10.

Overwegende dat de eiseres de belastingverhogingen betwist, stellende dat zij te goeder trouw haar belastingaangifte heeft ingevuld; dat de eiseres verzoekt om kwijtschelding van de belastingverhogingen;

Overwegende dat, gezien hetgeen hoger werd uiteengezet met betrekking tot de aanslagjaren 1979 en 1980, de ambtshalve aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1982 reeds om hoger vermelde redenen dient te worden nietig verklaard wegens willekeur, en nu voor het aanslagjaar 1983 geen belastingverhoging werd opgelegd, deze grief nog enkel dient te worden onderzocht met betrekking tot het aanslagjaar 1981;

Overwegende dat wat het aanslagjaar 1981 betreft de belastingverhoging door de bestreden directoriale beslissing echter reeds werd ontlast, zodat de eiseres zonder belang is om deze grief nog staande te houden wat dit aanslagjaar betreft;

Overwegende dat de grief zonder voorwerp is;

11.

Overwegende dat de eiseres verzoekt om kwijtschelding van de intresten;

Overwegende dat het Hof van beroep niet bevoegd is om hieromtrent te oordelen binnen het kader van de voorziening zoals bedoeld bij artikel 377 WIB/1992;

Overwegende dat deze vordering onontvankelijk is;

Op die gronden,
Het Hof, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Guy Tillekaerts en de partijen in hun middelen en conclusies;
Ontvangt de voorziening en verklaart ze gedeeltelijk gegrond.
Beveelt de herberekening van de aanslagen voor het aanslagjaar 1979 (kohierartikel 350220) en voor het aanslagjaar 1980 (kohierartikel 463001) rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt tevens de teruggave van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriumintresten, behoudens op de belastingverhoging.
Beveelt de herberekening van de aanslag voor het aanslagjaar 1981 (kohierartikel 350221) rekening houdend met hetgeen voorafgaat en beveelt tevens de teruggave van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriumintresten, behoudens op de belastingverhoging;
Vernietigt de aanslag voor het aanslagjaar 1982 (kohierartikel 4839494) en beveelt tevens de teruggave van het eventueel teveel geïnde meer de moratoriumintresten, behoudens op de belastingverhoging;
Verklaart de vordering strekkende tot kwijtschelding van de intresten onontvankelijk;
Veroordeelt de eiseres tot 2/5 en de Belgische Staat tot 3/5 van de kosten.