Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.09.2006, Zaak 2004/AR/283
Summary :
proportionele fiscale geldboete;moratoire interesten;aangifteverplichtingen;rechtzetting
Original text :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.09.2006, Zaak 2004/AR/283
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.09.2006, Zaak 2004/AR/283
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.09.2006, Zaak 2004/AR/283 Document date : 19/09/2006 Keywords : proportionele fiscale geldboete / moratoire interesten / aangifteverplichtingen / rechtzetting Decision : Gunstig Document language : NL Modification date : 16/12/2008 Name : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.09.2006, Zaak 2004/AR/283 Version : 1 Court : appeal
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.09.2006, Zaak 2004/AR/283
Fiscale Actualiteit 2008, 03/23
De Fiscale Koerier 2006/792
Proportionele fiscale geldboete. Moratoire interesten? Aangifteverpichtingen . Rechtzetting.
Samenvatting
Artikel 3 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW bepaalt dat een volledige kwijtschelding van geldboete(n) wordt verleend wanneer een belastingplichtige zijn fiscale toestand spontaan rechtzet "vóór enige tussenkomst van de fiscale Administratie". De stelling van de belastingplichtige dat er op het moment dat de vergissing in de BTW-aangifte werd rechtgezet, nog geen sprake was van enige tussenkomst van de BTW-Administratie dient te worden verworpen. De term "tussenkomst" die in artikel 3 van het KB nr. 41 wordt gebruikt, moet in zijn gebruikelijke betekenis worden toegepast. Door de aankondiging van de fiscale controle was er een tussenkomst van de BTW-Administratie. In casu was de regularisatie het gevolg van de aangekondigde BTW-Administratie.
De fiscale rechter kan steeds nagaan of een fiscale boete niet onevenredig is en de boete desgevallend naar redelijkheid verminderen. Het is echter de fiscale rechter niet toegelaten om fiscale boeten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit te verminderen of kwijt te schelden. Aangezien in casu de gewestelijke directeur reeds met de goede trouw van de belastingplichtige rekening had gehouden en zijn beslissing tot vermindering van de BTW-boete correct was gemotiveerd, was er voor de eerste rechter geen reden om een verdere vermindering van de boete toe te staan.
Wanneer een bijzondere bepaling van de fiscale wet aan de gewestelijke directeur uitdrukkelijk een discretionaire bevoegdheid verleent, mag de rechter niet in zijn plaats treden. Artikel 84bis van het WBTW geeft zo alleen aan de gewestelijke directeur de bevoegdheid om kwijtschelding te verlenen van nalatigheidsinteresten.
Volledige tekst
Hof van beroep te Gent
5be kamer __________
terechtzitting van 19-9-2006
BELASTINGEN
Nr. 2004/AR/283
in de zaak van:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de E. a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, wiens burelen bevestigd zijn te ...,
appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. P., advocaat te ...
tegen :
C. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te ...; ingeschreven in het handelsregister te ..., onder het nummer ...,
geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. B., advocaat te ...
spreekt het Hof het volgend arrest uit:
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2 februari 2004 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 19 november 2003 door de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te ... waarbij de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde er toe strekkende de opgelegde BTW-boete en de nalatigheidsintresten op te heffen ten dele werd ingewilligd in die zin dat de BTW-boete verminderd werd tot 650 EUR. Tevens werd de terugbetaling bevolen van het eventueel reeds teveel betaalde en werd de geïntimeerde veroordeeld tot de kosten.
Het hoger beroep van de appellant strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen behalve voor wat betreft de intresten en de kosten aangaat en opnieuw wijzende zijn hoger beroep in te willigen in die zin, dat door de Gewestelijke directeur reeds verminderde boete diende weerhouden te worden op 2.055 EUR, met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.
De geïntimeerde vordert het hoofdberoep te doen afwijzen als ongegrond en stelt bij conclusies neergelegd op 20 januari 2005 incidenteel beroep in wegens miskenning door de eerste rechter van art. 3 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Tevens vordert de geïntimeerde haar oorspronkelijke vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren, de beslissing van de Gewestelijke directeur van 19 juni 2002 te vernietigen en de opgelegde boete en nalatigheidsintresten op te heffen, minstens de boete te verminderen tot 123,95 EUR en de terugbetaling te bevelen van het eventueel reeds te veel betaalde te vermeerderen met de moratoriumintresten, dit alles met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding.
Voor zover de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de nalatigheidsintresten wordt aangevochten moet dit ook als een incidenteel beroep worden beschouwd.
Feitelijke voorgaande
Door de BTW-controle van het kantoor N. werd op 28 februari 2002 een vooraf aangekondigde controle uitgevoerd bij de geïntimeerde over de periode van 1 oktober 2001 tot 31 december 2001. Bij de voorbereiding van deze controle had de boekhouder van de geïntimeerde vastgesteld dat een aantal inkomende facturen ten onrechte waren geboekt in Belgische frank, doch aangegeven waren in euro. De aangifte van december 2001 gaf ingevolge deze foutieve invulling recht op een terugvorderbaar BTW-tegoed van 10.797,35 EUR. Bij de aanvang van de eigenlijke controle werd door de geïntimeerde op 28 februari 2002 spontaan een verbeterende aangifte ingediend, dewelke de vergissingen volledig corrigeerde. Daaruit bleek dat in werkelijkheid 41.136,38 EUR verschuldigd was voor de maand december 2001 in plaats van een terug te vorderen bedrag.
Op 5 maart 2002 werd door de geïntimeerde een minnelijke in regelstelling getekend waarbij zij erkende ingevolge deze overtredingen een bedrag verschuldigd te zijn van 41.136,38 EUR onder voorbehoud van afhandeling van haar verzoek tot kwijtschelding van de boeten en de intresten, dat door haar dezelfde dag bij de gewestelijke directeur werd ingediend.
Bij beslissing van 19 juni 2002 van de Gewestelijke directeur werd geoordeeld dat er geen wettelijke gronden waren om vrijstelling van nalatigheidsintresten toe te staan. Anderzijds werd vastgesteld dat de proportionele fiscale geldboete ten bedrage van 4.110 EUR, die bij toepassing van artikel 70, §1bis BTW-wet het dubbel van de onrechtmatig genoten aftrek bedraagt reeds werd verminderd bij toepassing van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Gelet evenwel op het feit dat deze overtreding onbewust werd begaan heeft de gewestelijke directeur op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18.03.1831 de verminderde fiscale proportionele boete nogmaals verminderd tot 2.055 EUR.
Vervolgens werd door de geïntimeerde een fiscale vordering ingeleid. De geïntimeerde een fiscale vordering ingeleid. De geïntimeerde herhaalde dat de inbreuk onbewust, te goeder trouw en tengevolge van uitzonderlijke omstandigheden werd begaan. Zij herhaalde dat de vergissing spontaan en vrijwillig werd recht gezet zodat de beslissing van de Gewestelijke directeur niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen (art. 3 K.B. nr. 41). Bovendien is de sanctie onevenredig met de inbreuk.
In het bestreden vonnis werd de boete nogmaals verminderd tot 650 EUR. De beslissing over de nalatigheidsintresten werd echter behouden. Over de mogelijke schending van artikel 3 van het K. B. nr. 41 van 30 januari 1987 werd geen uitspraak gedaan.
De appellant kon daar niet akkoord mee gaan. De appellant zet uiteen dat overeenkomstig artikel 70 van het BTW-Wetboek de boeten van rechtswege verschuldigd zijn ongeacht de goede trouw of feitelijke vergissing van de geïntimeerde en dat de goede trouw bij de vermindering van de fiscale boete overeenkomstig het K.B. Nr. 41 reeds in rekening werd gebracht (tabel H). De appellant verwijst ook naar de recente rechtspraak waarbij de mogelijkheid bestaat de sanctie te moduleren in die zin dat een controle met volle rechtsmacht kan gebeuren, met dien verstande dat loutere redenen van billijkheid en opportuniteit uitgesloten zijn. De appellant stelt dat de opgelegde boete niet zeer zwaar is en bijgevolg geen strafrechtelijk karakter heeft. Voor zover anders zou worden geoordeeld meent de appellant dat de verminderde boete evenredig is met de gepleegde overtreding. Volgens de appellant is er ook geen sprake van spontane rechtzetting en moet de beslissing wat de nalatigheidsintresten betreft worden bevestigd.
De geïntimeerde dringt aan op volledige kwijtschelding omdat er volgens haar "spontaan" werd geregulariseerd. Zij wijst er op dat de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wel toelaat de opportuniteit van de sanctie te beoordelen zodat het mogelijk is de boete in zijn geheel kwijt te schelden. Voorts meent de geïntimeerde dat de sanctie onevenredig is met de inbreuk gelet op het feit dat de inbreuk werd begaan n.a.v. de invoering van de euro. Tenslotte dringt zij aan op de vrijstelling van de nalatigheidsintresten.
Beoordeling
1. Krachtens art. 3 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde wordt volledige kwijtschelding van de geldboeten verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet "vóór enige tussenkomst van de fiscale administratie". De spontane rechtzetting is deze die gebeurt "vóór enige tussenkomst van de BTW-administratie".
Tussen partijen is er betwisting nopens het begrip "vóór enige tussenkomst van de BTW-administratie".
Volgens de geïntimeerde is er van enige tussenkomst van de BTW-administratie geen sprake omdat de rechtzetting spontaan gebeurde voor de aanvang van de controle. De vergissing werd door de geïntimeerde zelf ontdekt en onmiddellijk vóór enige controle van de administratie rechtgezet. De geïntimeerde schreef op 5 maart 2002 aan de gewestelijke directeur: "Bij de aanvang van de controle werd door ons spontaan een verbeterde aangifte aangeboden dewelke de vergissingen volledig corrigeerde".
De appellant betwist eigenlijk deze feitelijke gegevens niet doch laat gelden dat er reeds van een "tussenkomst" sprake is van zodra de controle werd aangekondigd. De appellant leidt daaruit af dat mocht er door de administratie geen controle zijn aangekondigd er evenmin een verbeterende aangifte zou zijn ingediend geweest. Of m.a.w. zonder de tussenkomst van de BTW-administratie was er nooit een regularisatie geweest.
Het standpunt van de appellant kan worden bijgetreden. In de gebruikelijke betekenis van het woord betekent tussenkomen "zich mengen in de loop van iets"; Daarbij is het niet noodzakelijk dat de geïntimeerde reeds uitgenodigd werd om bijkomende rechten te betalen of daartoe gedwongen werd (vergelijk Cass., 24 januari 2002, F.J.F., 2002, 147). Door de aankondiging van de controle komt de BTW-administratie reeds tussen. Het kan niet ernstig worden betwist dat de regularisatie gebeurde ingevolge de door de BTW-administratie aangekondigde controle.
2. De geïntimeerde heeft op 21 januari 2002 een aangifte ingediend waarin een bedrag van 41.136, 38 EUR te weinig BTW werd aangegeven. De indiening op zichzelf van de verbeterde aangifte. De indiening op zichzelf van de verbeterde aangifte bewijst de onjuistheid van de aanvankelijke aangifte zodat de inbreuken vaststaan. Zoals aangehaald onder de feitelijke gegevens bedroeg, de fiscale geldboete normaal het dubbele van de rechten, doch dit bedrag werd proportioneel verminderd ingevolge het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot 4.110 EUR. Op grond van het Regentsbesluit werd de boete verminderd tot de helft of 2.055 EUR en door de eerste rechter nogmaals verminderd tot 650 EUR. De appellant meent dat deze laatste vermindering onterecht is, de geïntimeerde vraagt de volledige kwijtschelding.
De geldboete voorzien bij artikel 70 § 1bis BTW-Wetboek wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die gehouden is de belasting te voldoen, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuk te voorkomen.
Deze administratieve boete is een fiscale sanctie met strafrechterlijk karakter in de zin van artikel sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester's Horeca Service t/ België, www.echr.coe.int.). Het hof kan onder meer nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, wat ook inhoudt dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuki en de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de administratieve boete (zie Cass., 24 januari 2002, Pas., 2002, nr. 51 p. 226 en Cass., 21 januari 2005, www.cass.be).
Alhoewel in onderhavige zaak verzachtende omstandigheden aanwezig zijn (invoering van de euro, omstandigheden aanwezig zijn (invoering van de euro, aanpassing van software of nog de opkoop van een stock van een gefailleerde) werden deze omstandigheden reeds in rekening gebracht door de gewestelijke directeur met het oog op de bepaling van de hoogte van de boete. In tegenstelling tot wat de geïntimeerde voorhoudt is het aan het Hof niet toegelaten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de door de wet opgelegde geldboete te verminderen of kwijt te schelden (zie Cass., 21 januari 2005, www.cass.be).
Terecht wordt door de appellant aangehaald dat er te dezen geen objectieve redenen voorhanden zijn om de boete nogmaals te verminderen. Met de goede trouw werd reeds rekening gehouden bij de toepassing van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. De vermindering van de boete overeenkomstig art. 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 is een gunstmaatregel en is gelijk te stellen met een genadeverlening. Loutere redenen van opportuniteit of billijkheid volstaan niet om de boete nog te verminderen of geheel kwijt te schelden.
Een boete van 5 % zoals verminderd door de gewestelijke directeur komt verantwoord voor en is niet onevenredig met de inbreuk. De boete dient een zekere omvang te hebben wil zij een ontmoedigend karakter hebben. Derhalve komt het hoger beroep gegrond voor.
3. Door de geïntimeerde wordt ook nog kwijtschelding gevraagd van de nalatigheidsintresten. Overeenkomstig artikel 84bis BTW-wet mag de gewestelijke directeur van de BTW in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen van nalatigheidsintresten. Deze mogelijkheid tot vrijstelling is ook een gunstmaatregel die volgens de tekst van de wet enkel kan worden verleend door de gewestelijke directeur. Wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing mag het hof niet in zijn plaats treden (vergelijk Cass., 4 maart 2004, www.cass.be, Cass., 17 april 2000, Arr. Cass., 2000, 258). Dit is het geval bij artikel 84bis BTW-wet.
Terecht stelde de eerste rechter dat de nalatigheidsintresten overeenstemmen met de geleden schade wegens de vertraging in de betaling zodat matiging niet op zijn plaats is.
Het bestreden vonnis dient dus op dit punt te worden bevestigd.
4. Gelet op het ongelijk van de geïntimeerde moet deze laatste verwezen worden in de kosten van het hoger beroep. De beslissing van de eerste rechter m.b.t. de kosten dient bevestigd te worden.
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.
Verklaart het hoger en incidenteel beroep toelaatbaar, het eerste gegrond, het tweede ongegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet behoudens wat de beslissing omtrent de intresten en de kosten betreft, en opnieuw wijzende.
Wijst de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde af als ongegrond.
Veroordeelt de geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten op:
· aan de zijde van de appellant: · uitgavenvergoeding 57,02 EUR
· rechtsplegingsvergoeding 242,94 EUR
· aan de zijde van de geïntimeerde:
· rechtsplegingsvergoeding 242,94 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in burgerlijke zaken, op NEGENTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES.
Aanwezig de Heren:
A. D. M., Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend, M. V., griffier. |
|||||||