Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.12.2001

Date :
19-12-2001
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Regulation
Type :
Belgian justice
Sub-domain :
Fiscal Discipline

Summary :

Belastingverhoging,Bedrieglijk opzet,Niet-aangifte

Original text :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.12.2001
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.12.2001
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.12.2001
Tax year : 2005
Document date : 19/12/2001
Document language : NL
Name : G 01/18
Version : 1
Court : appeal

ARREST G 01/18


Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 19.12.2001



FJF 2002/172

Belastingverhoging - Bedrieglijk opzet - Niet-aangifte

    Het enkele feit dat een aangifte laattijdig werd ingediend houdt nog niet in dat de belastingplichtige zou gehandeld hebben met het opzet om belasting te ontduiken nu het laattijdig indienen van een aangifte andere oorzaken, zoals slordigheid, nalatigheid, onkunde en zo meer kan hebben. Ook het herhaaldelijk laattijdig indienen van de aangifte in de voorgaande aanslagjaren houdt dit bewijs niet in. Om «het opzet de belasting te ontduiken» te kunnen weerhouden moet de Administratie, naast onder meer het feit van de niet-aangifte of laattijdige aangifte, ook andere elementen kunnen aanhalen die erop wijzen dat de aangifte juist of laattijdig werd ingediend enkel en alleen met het oog de belasting te ontduiken.
    In het voorliggende geval heeft de Administratie de belastingplichtige belast op de gegevens van haar laattijdige aangifte en heeft zij daaraan geen enkel ander belastingelement toegevoegd noch verworpen. Naderhand, tijdens de taxatieprocedure of zelfs na het vestigen van de aanslag, zijn geen andere bijkomende niet-aangegeven inkomsten of andere niet-aangegeven belastinggegevens aan het licht gekomen.
    Het staat dan ook vast dat de belastingplichtige betreffende haar inkomsten of andere fiscale gegevens niets heeft verborgen, laat staan dat zij iets met opzet zou hebben gedaan om belasting te ontduiken.



Waarnemend kamervoorzitter : M. Van Eygen
Plaatsvervangende raadsheren : M. Opdebeeck, M. Cornut
Advocaten : Mr. Gheysen, Mr. Van Acker

C.V. P.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

velt het Hof volgend arrest :

Overwegende dat de eiseres tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Brugge van 6 december 1995 waarbij het bezwaar tegen de op haar naam gevestigde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1993 (kohierartikel 4867243) werd afgewezen;

Overwegende dat om reden de administratie een belastingverhoging van 50 %, gesteund op artikel 444 /92 en artikel 238 bis KB/WIB, had toegepast, de eiseres bezwaar indiende waarbij zij voorhield dat deze belastingverhoging ten onrechte werd aangerekend, nu er, volgens haar geenszins sprake kan zijn van een niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken (artikel 238 bis C KB/WIB);

Overwegende dat de directeur oordeelde dat de eiseres terecht werd aangeslagen met toepassing van een belastingverhoging wegens niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken; dat volgens hem het bijzonder opzet de belasting te ontduiken blijkt uit het feit dat de eiseres verzuimt opzettelijk of herhaaldelijk haar aangifte in te dienen; dat dit reeds zo was voor de aanslagjaren 1989, 1990, 1991 en 1992 waar telkens een laattijdige aangifte werd ingediend;

Overwegende dat vooreerst moet worden vastgesteld dat het te dezen niet gaat om een niet-aangifte in de vennootschapsbelasting, zoals trouwens ook in de voorgaande aanslagjaren (stuk 39) dit hetzelfde geval was, maar om een laattijdige aangifte; dat de aangifte voor het aanslagjaar 1993 had moeten worden ingediend tegen 30 juni 1993 en deze pas bij de administratie werd ontvangen op 14 januari 1994; dat de eiseres dit ook niet betwist;

Overwegende dat wanneer de administratie een belastingverhoging toepast overeenkomstig de artike len 444 WIB 1992 en 238 bis C KB/WIB, zij moet bewijzen dat de niet-aangifte of de laattijdige aangifte werd gedaan met het opzet de belasting te ontduiken;

Overwegende dat het enkel feit dat een aangifte laattijdig werd ingediend nog niet inhoudt dat de belastingplichtige zou gehandeld hebben met het opzet om belasting te ontduiken nu het laattijdig indienen van een aangifte andere oorzaken, zoals slordigheid, nalatigheid, onkunde en zo meer kan hebben; dat ook het herhaaldelijk laattijdig indienen van de aangifte in de voorgaande aanslagjaren dit bewijs niet inhoudt; dat om «het opzet de belasting te ontduiken» te kunnen weerhouden de administratie, naast o.m. het feit van de niet-aangifte of laattijdige aangifte, ook andere elementen moet kunnen aanhalen die erop wijzen dat de aangifte juist niet of laattijdig werd ingediend enkel en alleen met het oog de belasting te ontduiken;

Overwegende dat in huidig concreet geval de administratie de eiseres heeft belast op de gegevens van haar laattijdige aangifte en dat zij daaraan geen enkel ander belastingelement heeft toegevoegd noch verworpen; dat naderhand, tijdens de taxatieprocedure of zelfs na het vestigen van de aanslag, geen andere bijkomende niet-aangegeven inkomsten of andere niet-aangegeven belastinggegevens aan het licht zijn gekomen;

Overwegende dat dan ook onmiddellijk komt vast te staan dat de eiseres betreffende haar inkomsten of andere fiscale gegevens niets heeft verborgen, laat staan dat zij iets met opzet zou hebben gedaan om belasting te ontduiken; dat daaromtrent in ieder geval te dezen niet bewezen wordt;

Overwegende dat indien de belastingplichtige gedurende meerdere jaren een laattijdige aangifte heeft ingediend, de administratie toepassing had kunnen maken van artikel 238 bis B KB/WIB en vanaf de vierde overtreding toepassing van artikel 238 bis C KB/WIB; dat de gegevens van het dossier aantonen dat de administratie dit echter niet heeft gedaan en steeds een boete in plaats van een belastingverhoging heeft toegepast; dat de administratie trouwens ook voor het aanslagjaar 1993 vooreerst zinnens was een boete op te leggen (stuk 40); dat uit de aangenomen houding van de administratie ook al kan vastgesteld worden dat de eiseres nooit heeft gehandeld met het opzet de belasting te ontduiken;

Overwegende dat de administratie derhalve ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 238 bis C KB/WIB; dat de weerhouden belastingverhoging van 50 % of 281 276 francs in die omstandigheden niet kan worden weerhouden;

Overwegende dat de bestreden beslissing om deze reden niet moet worden vernietigd nu de belastingverhoging niet slaat op de belastbare grondslag die hier trouwens niet word gewijzigd;

Op die gronden,
Het Hof,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935.
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van Waarnemend Voorzitter Gisèle Van Eygen en de partijen in hun middelen en conclusies.
Ontvangt de voorziening en verklaart ze gegrond.
Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag met dien verstande dat geen belastingverhoging wordt toegepast.
Beveelt de terugbetaling van de op grond van die aanslagen eventueel geïnde sommen.
Verwijst de Belgische Staat in de kosten.